Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7583

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201207694/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft het college het wijzigingsplan "Schuringsedijk ongenummerd" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201207694/1/R4.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Numansdorp, gemeente Cromstrijen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft het college het wijzigingsplan "Schuringsedijk ongenummerd" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door A. Bil, en het college, vertegenwoordigd door M.C.L. van der Venne en W.I. Togtema, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] gehoord.

Overwegingen

1. Het wijzigingsplan is gebaseerd op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gelezen in samenhang met artikel 7, lid 23, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk gebied, 1e herziening" van de gemeente Cromstrijen, vastgesteld op 25 september 2001 (hierna: het bestemmingsplan) en heeft, gelet op de verbeelding alsmede de regels behorende bij het wijzigingsplan, betrekking op toekenning van de nadere aanwijzing "bouwstede" aan de bestemming "Agrarische doeleinden" voor het perceel Schuringsedijk ongenummerd, dat is gelegen ten westen van het perceel [locatie 1] en ten noorden van het perceel [locatie 2]. Met het wijzigingsplan wordt beoogd ten behoeve van [belanghebbende] een loods en een dienstwoning voor een fruitteeltbedrijf mogelijk te maken.

Bebouwingsmogelijkheden wijzigingsplan

2. [appellant] voert aan dat het college te beperkt onderzoek heeft verricht, nu het een wijzigingsplan heeft vastgesteld met beduidend ruimere bebouwingsmogelijkheden dan het concrete voornemen van [belanghebbende] voor het bouwen van een loods, waartoe in 2007 een aanvraag voor een bouwvergunning is ingediend.

2.1. Het college stelt dat het wijzigingsplan weliswaar een bouwstede aan het perceel toekent, maar dat dit niet betekent dat bij recht meer bebouwing mogelijk is dan de loods en de woning die [belanghebbende] wenst te realiseren. Artikel 7 van de voorschriften van het bestemmingsplan is van toepassing, als gevolg waarvan concrete aanvragen om omgevingsvergunningen steeds getoetst zullen worden aan de voorwaarden die uit dit artikel voortvloeien, waaronder doelmatigheid. De ster op de verbeelding geeft volgens het college globaal de locatie van de bouwstede weer en deze moet verder in samenhang met de aanvraag van [belanghebbende] om een bouwvergunning worden bezien.

2.2. Ingevolge artikel 7, lid 23, van de voorschriften van het bestemmingsplan kan het college van burgemeester en wethouders het plan in die zin wijzigen dat het op de gronden zonder de nadere aanwijzing (z) en voor zover niet gelegen in het ganzengebied zoals aangegeven op kaartbijlage 2, nieuwe agrarische bouwsteden als bedoeld in lid 3 mag projecteren zonder de subbestemming Aiv; een en ander met inachtneming van onder meer het volgende:

b. met betrekking tot de situering van de agrarische dienstwoning is het bepaalde in lid 14 onder d van overeenkomstige toepassing;

c. het bepaalde in dit artikel is na planwijziging op overeenkomstige wijze van toepassing op de nieuw te projecteren agrarische bouwsteden.

Ingevolge artikel 7, lid 2, mogen op de gronden waaraan de bestemming (A) Agrarische doeleinden is toegekend uitsluitend bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming worden gebouwd, alsmede per bedrijf ten hoogste een dienstwoning met bijbehorende bijgebouwen voor zover ten behoeve van het bedrijf niet reeds een woning aanwezig is en bij de tervisielegging van het ontwerp van het plan ook nog niet aanwezig was; met dien verstande dat op de gronden met de nadere aanwijzing (zw) geen dienstwoning en geen bij een dienstwoning behorende bijgebouwen zijn toegestaan en een en ander slechts is toegestaan indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering gelet op aard, inrichting, omvang en continuïteit van het bedrijf, nodig is.

Ingevolge artikel 7, lid 3, mogen de ingevolge het bepaalde in lid 2 toelaatbare gebouwen, voor zover zij de maten van een klein gebouw als omschreven in artikel 1, lid 23, te boven gaan en behoudens het bepaalde in lid 4, uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwstede van 1 ha ter plaatse van het daartoe op de kaart aangegeven *-teken met dien verstande, dat de grootste afstand waarbinnen gebouwen worden gebouwd niet meer dan 150,00 m mag bedragen.

2.3. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Indien aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat dit de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd. Daarnaast dient het college na te gaan of vaststelling van een wijzigingsplan gelet op eventuele algemene regels van de provincie of het Rijk mogelijk is.

2.4. Op 10 maart 2006 is namens [belanghebbende] een principeverzoek voor het oprichten van een loods en een dienstwoning aan de Schuringsedijk ongenummerd ingediend bij het college, welk verzoek is voorzien van een indicatieve situatieschets van de gewenste bebouwing. Op 20 juni 2007 heeft [belanghebbende] een aanvraag voor een bouwvergunning voor een loods ten behoeve van een fruitteeltbedrijf ingediend. De aanvraag ziet op een loods met een oppervlakte van 600 m².

2.5. Op de verbeelding, behorende bij het wijzigingsplan, is de bouwstede overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de voorschriften van het bestemmingsplan aangeduid met een *-teken. Het plangebied heeft afmetingen van ongeveer 40 m bij 150 m en een oppervlakte van ongeveer 6.000 m². Uit voornoemd artikel 7, lid 3, volgt gelet hierop dat bebouwing in beginsel in het gehele plangebied mogelijk is, zodat de bebouwingsmogelijkheden ruimer zijn dan de bebouwing die [belanghebbende] blijkens de aanvraag om bouwvergunning wenst. Dat het bepaalde in artikel 7 van overeenkomstige toepassing is op de nieuw geprojecteerde bouwstede en dat aan dat artikel moet worden getoetst bij de beslissing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwen, doet daaraan niet af.

2.6. De Afdeling overweegt dat een wijzigingsplan dient te strekken tot een goede ruimtelijke ordening en dient te voldoen aan de wijzigingsvoorwaarden uit het daaraan ten grondslag liggende bestemmingsplan. Voor de beantwoording van de vraag of een wijzigingsplan voldoet aan deze eisen kan niet worden volstaan met een verwijzing naar een toets die in het kader van een eventueel te verlenen omgevingsvergunning moet worden uitgevoerd. Nu het college de bebouwingsmogelijkheden ? anders dan het kennelijk heeft beoogd ? niet heeft beperkt tot de bebouwing die [belanghebbende] blijkens de aanvraag om bouwvergunning wenst, is het dan ook bij de beoordeling van het vereiste van een goede ruimtelijke ordening en het al dan niet voldoen aan de wijzigingsvoorwaarden ten onrechte niet uitgegaan van de maximale bebouwingsmogelijkheden die het wijzigingsplan biedt. Het plan is reeds om die reden vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

Noodzaak en doelmatigheid

3. [appellant] betoogt voorts dat het college geen gebruik had mogen maken van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 7, lid 23, van de voorschriften van het bestemmingsplan, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de voorziene bedrijfsbebouwing en de dienstwoning voor het betrokken bedrijf noodzakelijk en doelmatig zijn. Volgens [appellant] is niet aangetoond of gemotiveerd dat de nieuwe bouwstede in overeenstemming is met het bestemmingsplan en met de Verordening Ruimte die provinciale staten van Zuid-Holland op 2 juli 2010 hebben vastgesteld (hierna: Verordening Ruimte). Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst [appellant] naar vier door de Agrarische beoordelingscommissie (hierna: Abc) uitgebrachte adviezen. Verder stelt [appellant] dat het college zich niet had mogen baseren op het aan het plan ten grondslag liggende advies van Hans Rietveld Agrarisch Advies B.V. van 17 april 2009 (hierna: advies van Hans Rietveld), aangezien in dit advies volgens hem niet de ingevolge artikel 7, lid 23, van de voorschriften van het bestemmingsplan vereiste toetsing is uitgevoerd.

3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsbebouwing en de dienstwoning noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering, omdat in het plangebied een volwaardig bedrijf wordt gerealiseerd en het daarvoor nodig is dat een bedrijfsleider ter plaatse aanwezig is om toezicht te houden en personeel aan te sturen. Het college voert aan dat een reëel belang bestaat om bij het bedrijf te wonen. De bebouwing is volgens het college doelmatig, omdat de opslagcapaciteit op de hoge productie moet worden afgestemd. Daar komt bij dat de opslag van appels van de soort "Kanzi", die in het plangebied worden geteeld, aan speciale eisen moet voldoen. Het is daardoor volgens het college doelmatiger om voor deze appels eigen opslagcapaciteit en een eigen koelhuis ter plaatse te hebben. Volgens het college wordt thans een verouderde koelruimte gehuurd op een afstand van 4 km. Het college verwijst hierbij naar het advies van Hans Rietveld. Het college wijst verder op een brief van de provincie Zuid-Holland waaruit zou volgen dat het plan in overeenstemming is met provinciaal beleid, zoals neergelegd in de Verordening Ruimte.

3.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening Ruimte bevatten bestemmingsplannen voor gronden gelegen buiten de bebouwingscontouren bepalingen die erin voorzien dat nieuwe bebouwing alleen mogelijk is als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, bevatten bestemmingsplannen voor gronden gelegen buiten de bebouwingscontouren bepalingen die erin voorzien dat voor een volwaardig agrarisch bedrijf maximaal één agrarische dienstwoning is toegestaan, of het aantal dat al is vergund.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, wordt onder ‘bestemmingsplan’ ook begrepen een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wro.

Ingevolge artikel 1, vijfde lid, is een ‘volwaardig agrarisch bedrijf’ een agrarisch bedrijf dat naar aard en omvang en gelet op de arbeidsbehoefte als zodanig moet worden aangemerkt en waarvan de continuïteit voor een periode van ten minste tien jaar redelijkerwijs is te verwachten. Het bedrijf dient te voorzien in het hoofdinkomen van het bedrijfshoofd. De arbeidsbehoefte en -omvang dienen ten minste één arbeidskracht te omvatten die qua tijdsbesteding volledig (voltijds) werkzaam is of zal zijn in het bedrijf.

Ingevolge ditzelfde artikellid wordt onder ‘dienstwoning’ verstaan een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor één of meerdere personen van wie de huisvesting gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein daar noodzakelijk is.

3.3. Ingevolge artikel 7, lid 24, van de voorschriften van het bestemmingsplan winnen burgemeester en wethouders, alvorens omtrent toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in lid 23 te beslissen - onverminderd het bepaalde in lid 2 - schriftelijk advies in bij de agrarisch deskundige met betrekking tot de vraag of sprake is van een werkelijk agrarisch bedrijf en of de voorgestelde situering voor het betrokken bedrijf doelmatig is. Voorts winnen zij advies in bij de adviseur inzake natuur en landschap in verband met de situering van de betrokken bouwstede.

3.4. Uit de stukken volgt dat [belanghebbende] een fruitteeltbedrijf exploiteert te Numansdorp. Op de locatie aan de Middelweg 56 worden met name peren geteeld. Op de locatie aan de Schuringsedijk ongenummerd, waarop het wijzigingsplan betrekking heeft, worden met name appels geteeld. Thans heeft [belanghebbende] in het plangebied alleen teeltgronden, maar hij wil daar bedrijfsbebouwing en een dienstwoning realiseren teneinde ter plaatse appels op te slaan en te verwerken.

3.5. Gelet op het bepaalde in de Verordening Ruimte alsmede op de voorwaarden waaronder het bestemmingsplan kan worden gewijzigd, diende het college zich ervan te vergewissen of met het wijzigingsplan wordt voorzien in nieuwe bebouwing die doelmatig en noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van een volwaardig agrarisch bedrijf.

Onder verwijzing naar 2.6 stelt de Afdeling voorop dat het college, nu het de bebouwingsmogelijkheden in het wijzigingsplan niet heeft beperkt tot de bebouwing die [belanghebbende] blijkens de aanvraag om bouwvergunning wenst, bij deze beoordeling ten onrechte niet is uitgegaan van de ruimere bebouwingsmogelijkheden die het wijzigingsplan biedt.

Het college heeft zich voorafgaand aan de besluitvorming laten adviseren door twee agrarisch deskundigen. De Abc heeft op 17 april 2007, 22 oktober 2007, 3 maart 2008 en 16 februari 2009 advies uitgebracht aan het college. Op 17 april 2009 heeft Hans Rietveld een advies aan het college uitgebracht. De adviezen van de Abc en het advies van Hans Rietveld wijzen in verschillende richtingen. Bovendien kunnen uit het advies van Hans Rietveld meerdere conclusies worden getrokken over de vraag of agrarische bedrijfsbebouwing aan de Schuringsedijk noodzakelijk en doelmatig is. Over de noodzaak van een dienstwoning op het perceel aan de Schuringsedijk heeft Hans Rietveld geen advies uitgebracht. Na de vaststelling van het wijzigingsplan heeft het college een aanvullend en actualiserend onderzoek laten verrichten door Landco, hetgeen heeft geresulteerd in een advies van 6 februari 2013.

Voor zover het bedrijfsbebouwing aan de Schuringsedijk betreft met een omvang waarvan in de advisering is uitgegaan, overweegt de Afdeling dat het college er in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan dat deze in beginsel doelmatig is, omdat, zoals in het advies van Landco wordt bevestigd, de appels die op deze locatie worden geteeld alsdan op dezelfde locatie kunnen worden opgeslagen, gesorteerd en verwerkt en de appels en peren en de bijbehorende werkprocessen op deze manier gescheiden kunnen worden.

Gelet op de geringe afstand tussen de locaties aan de Middelweg en de Schuringsedijk en de aanwezigheid van twee dienstwoningen bij de locatie aan de Middelweg, is de Afdeling echter van oordeel dat het college er in redelijkheid niet van heeft kunnen uitgaan dat nieuwe bedrijfsbebouwing en een dienstwoning aan de Schuringsedijk onder de gegeven omstandigheden noodzakelijk is.

Voorts overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat de locatie Schuringsedijk kan worden aangemerkt als een zelfstandig agrarisch bedrijf. In dit verband overweegt de Afdeling dat volgens het advies van Landco sprake is van één fruitteeltbedrijf met twee locaties als gespecialiseerde eenheden, aan de Middelweg en de Schuringsedijk. Dat, zoals in het advies wordt gesteld, beide eenheden van volwaardige omvang zijn, doet hieraan niet af.

3.6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan tevens is vastgesteld in strijd met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Verordening Ruimte en artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro gelezen in samenhang met artikel 7, lid 23, van de voorschriften van het bestemmingsplan. Het betoog slaagt.

Geluid

4. [appellant] voert voorts aan dat ten onrechte niet is onderzocht of het wijzigingsplan voldoet aan de Wet geluidhinder (hierna: Wgh).

4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van de te realiseren woning aan de Wgh wordt voldaan. Het college verwijst hierbij naar artikel 7, lid 14, sub d, van de voorschriften van het bestemmingsplan, waaruit het afleidt dat de afstand van de woning tot de as van de - in dat voorschrift niet genoemde - Schuringsedijk 23 m moet bedragen, omdat deze weg volgens het college vergelijkbaar is met de daar wel genoemde Middelweg, waarvoor een afstand van ten minste 23 m moet worden aangehouden. De woning is volgens het college op ongeveer 40 m uit de as van de Schuringsedijk gesitueerd, terwijl de zonering van de weg op 34 m ligt. Nu de woning buiten de zonering is gesitueerd, wordt voldaan aan de eisen van de Wgh, aldus het college. Hierbij verwijst het college naar een akoestisch onderzoeksrapport van Sain milieuadvies van 15 oktober 2012 en een daarbij gevoegde situatietekening.

4.2. Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wgh heeft een weg een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot 250 m aan weerszijden van de weg als deze weg zich in buitenstedelijk gebied bevindt en uit een of twee rijstroken bestaat.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de Wgh worden bij de vaststelling van een wijzigingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen binnen die zone, de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh is behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel vanwege de weg 48 dB.

Op grond van artikel 77, eerste lid, Wgh wordt bij het voorbereiden van de vaststelling van een wijzigingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, vanwege het college van burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek ingesteld naar:

a. de geluidbelasting die door woningen binnen de zone, alsmede door andere geluidgevoelige gebouwen of door geluidgevoelige terreinen, vanwege de weg zou worden ondervonden zonder de invloed van maatregelen die de geluidbelasting beperken;

b. de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege de weg optredende geluidbelasting van de onder a bedoelde objecten de waarden die ingevolge artikel 82 of artikel 100 als ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt, te boven zou gaan.

4.3. Ingevolge artikel 7, lid 14, onder d, van de voorschriften van het bestemmingsplan bedraagt de afstand van de woning tot de as van de in dat lid genoemde wegen ten minste de daar genoemde afstanden; tot de Middelweg dient de afstand 23 m te bedragen.

4.4. Niet in geschil is dat bij de vaststelling van het onderhavige plan de ten hoogste toelaatbare waarden als bedoeld in artikel 82 en 100 van de Wgh in acht moeten worden genomen, nu de gronden waarop het plan betrekking heeft, behoren tot een zone als bedoeld in artikel 74 Wgh. Gelet op het bepaalde in artikel 77, gelezen in samenhang met artikel 74 van de Wgh, dient voorafgaand aan de vaststelling van een plan een akoestisch onderzoek plaats te vinden naar de geluidbelasting van geluidgevoelige objecten in de zone. Vast staat dat bij het voorbereiden van het plan geen akoestisch onderzoek is verricht.

4.5. Reeds hierom ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plan tevens is vastgesteld in strijd met artikel 77 van de Wgh.

4.6. Het college heeft hangende het beroep van [appellant] alsnog een akoestisch onderzoek laten verrichten. Uit het akoestisch onderzoeksrapport van Sain milieuadvies van 15 oktober 2012 blijkt dat een daarbij als bijlage 1 gevoegde situatietekening als uitgangspunt is genomen voor het onderzoek. Deze situatietekening heeft echter geen juridische betekenis en komt voorts niet overeen met de verbeelding of de regels van het wijzigingsplan.

Uit het onderzoek komt naar voren dat de geluidbelasting ten gevolge van de Schuringsedijk binnen het plangebied voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A), mits de te realiseren woning op minimaal 34 m uit de as van de weg wordt gebouwd. De situering van de woning op de situatietekening voldoet aan deze eis. Volgens Sain milieuadvies kan de woning worden gebouwd zonder verdere procedures in het kader van de Wgh, mits de woning op minimaal 34 m uit de as van de Schuringsedijk wordt gebouwd. Zoals de Afdeling heeft overwogen in 2.6. zijn de bebouwingsmogelijkheden die het wijzigingsplan biedt niet beperkt tot de bebouwing die [belanghebbende] blijkens de aanvraag om bouwvergunning wenst. In het wijzigingsplan is dan ook niet verzekerd dat de woning op minimaal 34 m uit de as van de Schuringsedijk wordt gerealiseerd. Ook met het akoestisch onderzoeksrapport van 15 oktober 2012 is derhalve niet aannemelijk gemaakt dat het wijzigingsplan voldoet aan de Wgh.

Zienswijzen ingelast

5. Voor het overige heeft [appellant] in het beroepschrift verwezen naar de inhoud van de zienswijze bij het ontwerpplan. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient gelet op hetgeen is overwogen in 2.6., 3.6. en 4.5., wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Verordening Ruimte, artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro gelezen in samenhang met artikel 7, lid 23, van de voorschriften van het bestemmingsplan, alsmede artikel 77 van de Wgh te worden vernietigd.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen van 5 juni 2012;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

271-780.