Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201113433/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2011 heeft het college krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) aan [vergunninghouder] een vergunning verleend.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Natuurbeschermingswet 1998 19da
Natuurbeschermingswet 1998 19db
Natuurbeschermingswet 1998 19e
Natuurbeschermingswet 1998 19f
Natuurbeschermingswet 1998 19g
Natuurbeschermingswet 1998 19h
Natuurbeschermingswet 1998 19i
Natuurbeschermingswet 1998 19ia
Natuurbeschermingswet 1998 19j
Natuurbeschermingswet 1998 19k
Natuurbeschermingswet 1998 19ka
Natuurbeschermingswet 1998 19kb
Natuurbeschermingswet 1998 19kc
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2013/71 met annotatie van mr. J.M.I.J. Zijlmans
Milieurecht Totaal 2013/2599
BR 2013/93

Uitspraak

201113433/1/A4.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Vereniging ABC Milieugroep, gevestigd te Baarle-Nassau, en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg (hierna: de milieugroep en de milieufederatie),

2. [appellanten sub 2], allen wonend te Alphen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2011 heeft het college krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) aan [vergunninghouder] een vergunning verleend.

Tegen dit besluit hebben de milieugroep en de milieufederatie en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2], het college, de milieugroep en de milieufederatie en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2012, waar de milieugroep en de milieufederatie, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Uittenbosch en V. Bax, zijn verschenen. Verder is daar [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Wingens, advocaat te Nijmegen, gehoord.

Overwegingen

Verleende vergunning

1. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het uitbreiden van een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Voor deze veehouderij is bij besluit van 9 december 1986 krachtens de Hinderwet een vergunning verleend. Op ongeveer 2 km afstand van de veehouderij ligt het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag. Dit Natura 2000-gebied is op 7 december 2004 op de lijst van gebieden van communautair belang als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de habitatrichtlijn) geplaatst.

2. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden om zonder vergunning projecten te realiseren en andere handelingen te verrichten, die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren.

3. Uit hetgeen de Afdeling in haar uitspraak van 31 maart 2010 in zaak nr. 200903784/1/R2 heeft overwogen, moet worden afgeleid dat artikel 19d van de Nbw 1998 een vergunningplicht in het leven roept wanneer het gaat om een veehouderij waarvoor, zoals in dit geval, nog niet eerder krachtens de Nbw 1998 vergunning is verleend en niet kan worden uitgesloten dat de totale veehouderij de kwaliteit van habitats in een Natura 2000-gebied zou kunnen verslechteren.

In deze uitspraak heeft de Afdeling verder uiteengezet op welke wijze een aanvraag om een dergelijke vergunning moet worden beoordeeld.

Deze uiteenzetting houdt, kort samengevat, in dat significante gevolgen voor het betrokken Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten wanneer de wijziging of uitbreiding van de veehouderij niet leidt tot een verhoging van de ammoniakdepositie ten opzichte van de krachtens de Hinderwet of de Wet milieubeheer vergunde situatie op het moment dat artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn op het betrokken gebied van toepassing werd (in dit geval: 7 december 2004, hierna: de referentiedatum). In een dergelijk geval bestaat geen verplichting om op grond van artikel 19f van de Nbw 1998 een passende beoordeling te maken. In een dergelijk geval geldt als enig vereiste voor de beoordeling van de vergunningaanvraag, dat overeenkomstig artikel 19e van de Nbw 1998 met de in dat artikel genoemde aspecten rekening wordt gehouden.

4. Op zichzelf is niet in geschil dat voor de veehouderij niet eerder krachtens de Nbw 1998 een vergunning is verleend en dat de exploitatie van de volledige veehouderij na de wijziging de kwaliteit van habitats in het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag kan verslechteren. Gezien de onder 3 weergegeven uitleg van de Nbw 1998, is voor deze wijziging ingevolge artikel 19d van de Nbw 1998 een vergunning vereist.

Passende beoordeling

5. Zowel [appellant sub 2] als de milieugroep en de milieufederatie betogen in de kern dat het college de vergunningverlening ten onrechte niet heeft gebaseerd op een passende beoordeling. [appellant sub 2] betoogt in dit verband dat artikel 19kd van de Nbw 1998 buiten toepassing had moeten blijven. De milieugroep en de milieufederatie betogen in dit verband dat de jurisprudentie van de Afdeling over de noodzaak om een passende beoordeling te maken in strijd met de habitatrichtlijn is.

6. Op zichzelf is niet in geschil dat de veehouderij na de wijziging minder ammoniakemissie (en daarmee minder mogelijk negatieve gevolgen voor habitats) veroorzaakt dan mogelijk is op grond van de op de referentiedatum geldende, in 1986 verleende, vergunning. Uit de uitleg van de Afdeling van de Nbw 1998, zoals onder 3 weergegeven, volgt dat in zo’n geval bij vergunningverlening geen passende beoordeling hoeft te worden gemaakt.

6.1. De milieugroep en de milieufederatie betogen, zo begrijpt de Afdeling hun beroep, dat deze uitleg van de Nbw 1998 mede gezien het arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2010, C-226/08, Papenburg (www.curia.europa.eu), in strijd is met artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn. In de kern betogen zij dat telkens wanneer een in het verleden gerealiseerd project op een onderdeel wordt gewijzigd, voor de toepassing van de habitatrichtlijn het ongewijzigde deel van het gerealiseerde project en de te realiseren wijziging samen als het realiseren van een volledig nieuw project moeten worden beschouwd, dat volledig opnieuw moet worden vergund. Daarom zou in de hiervoor weergegeven uitleg van de Afdeling van de Nbw 1998 over de vraag wanneer een passende beoordeling noodzakelijk is, ten onrechte rekening worden gehouden met eerder al vergunde situaties.

6.2. Artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor bepaalde projecten een voorafgaande toestemming (hier: vergunning) is vereist. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 31 maart 2010 heeft uiteengezet, volgt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie dat het begrip 'project' in de habitatrichtlijn moet worden uitgelegd overeenkomstig de betekenis die aan dit begrip in (thans) richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 026, blz. 1 - hierna: de mer-richtlijn) is toegekend.

In artikel 1, tweede lid, onder a, van de mer-richtlijn is een project gedefinieerd als:

- de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken, en

- andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten.

Kort weergegeven is een project dus het uitvoeren of totstandbrengen van fysieke ingrepen, zoals bouwwerken.

6.3. Het door de milieugroep en de milieufederatie genoemde arrest Papenburg heeft onder meer betrekking op de vraag wanneer een aantal in de tijd opeenvolgende fysieke ingrepen (in dat geval: periodieke baggerwerkzaamheden in een vaargeul) moeten worden beschouwd als onderdeel van één samenhangende ingreep en daarmee als één project (in dat geval: het op diepte houden van de vaargeul) en wanneer deze ingrepen als afzonderlijke projecten moeten worden beschouwd. Dit arrest heeft op dit punt geen betrekking op de in de huidige zaak door de milieugroep en de milieufederatie naar voren gebrachte stelling, namelijk dat een wijziging van een al volledig gerealiseerd en vergund project - een veehouderij - niet op zichzelf beschouwd een project is, maar dat de wijziging en de ongewijzigde delen samen het project zijn.

6.4. De milieugroep en de milieufederatie bepleiten een uitleg van het begrip ‘project’ die meebrengt dat bij iedere wijziging van een bestaande situatie voor de toepassing van de mer- en de habitatrichtlijn moet worden uitgegaan van de fictie dat het project nog niet bestaat en in zijn geheel nog zal worden gerealiseerd. Alleen al uit de mer-richtlijn blijkt dat een dergelijke uitleg niet juist is. In de bijlagen I en II bij de richtlijn zijn projecten omschreven waarop de bepalingen van de mer-richtlijn van toepassing kunnen zijn. In beide bijlagen (onder 24 respectievelijk 13.a) wordt de wijziging van projecten genoemd als een afzonderlijk project. Verder blijkt ook uit onder meer het arrest van het Hof van Justitie van 11 augustus 1995, C-431/92, Commissie/Duitsland (www.curia.europa.eu), dat een wijziging van een gerealiseerd project (in dat geval: de wijziging van een bestaande thermische centrale door uitbreiding ervan met een blok met een warmtevermogen van 500 MW) kan worden beschouwd als een zelfstandig project.

Gelet hierop moet - anders dan de milieugroep en de milieufederatie hebben aangevoerd - het wijzigen van een veehouderij, bestaande uit het uitvoeren van (gewijzigde) bouwwerken en het totstandbrengen van andere installaties of werken, als een afzonderlijk project worden aangemerkt. In dit betoog van de milieugroep en de milieufederatie vindt de Afdeling dan ook geen aanleiding terug te komen van haar onder 3 weergegeven uitleg van de Nbw 1998.

De beroepsgronden van de milieugroep en de milieufederatie falen.

7. Zoals onder 6 al is geconcludeerd, heeft het college gelet op die uitleg terecht geconcludeerd dat in dit geval geen passende beoordeling hoefde te worden gemaakt. Gelet hierop kan in het midden blijven of - zoals door [appellant sub 2] is bestreden - ook uit toepassing van artikel 19kd van de Nbw 1998 zou voortvloeien dat geen passende beoordeling hoeft te worden gemaakt.

De desbetreffende beroepsgronden van [appellant sub 2] falen.

Overige beroepsgronden

8. De milieugroep en de milieufederatie betogen dat onvoldoende rekening is gehouden met mogelijke gevolgen voor in België gelegen Natura 2000-gebieden.

Het college heeft gesteld dat gezien de afstand van de veehouderij tot de grens met België vaststaat dat geen enkele invloed is te verwachten op natuurgebieden in België. De milieugroep en de milieufederatie hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is.

Deze beroepsgrond faalt.

9. [appellant sub 2] betoogt dat aan de vergunning ten onrechte niet het voorschrift is verbonden dat de aanvraag deel uitmaakt van de verleende vergunning.

Hierover heeft het college in het verweerschrift opgemerkt dat de met de aangevraagde bedrijfsvoering overeenkomende stikstofbelasting van het Natura 2000-gebied in de vergunning is vastgelegd en dat het opnemen van andere onderdelen van de aanvraag in de vergunningvoorschriften geen toegevoegde waarde heeft.

Naar het oordeel van de Afdeling kan het college zich in redelijkheid op dit standpunt stellen.

De beroepsgrond faalt.

10. [appellant sub 2] betoogt tot slot dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 2, waarin is bepaald dat een logboek aanwezig moet zijn, ten onrechte niet bepaalt met welke intervallen het logboek moet worden bijgehouden.

Hierover heeft het college in het verweerschrift opgemerkt, kort weergegeven, dat uit de aard van het voorschrift volgt dat het logboek moet worden bijgehouden steeds zodra een te registreren gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Dit standpunt acht de Afdeling juist.

Ook deze beroepsgrond faalt.

Conclusie

11. De beroepen zijn ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van der Zijpp

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

262.