Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7578

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201113345/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied herziening [locatie 1]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/2595
NJB 2013/1451
ABkort 2013/152

Uitspraak

201113345/1/R3.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Etten-Leur, en anderen,

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te Etten-Leur (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]),

en

de raad van de gemeente Etten-Leur,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied herziening [locatie 1]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Varkensbedrijf Banken B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2012, waar [appellant sub 1] en anderen, in de persoon van [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door ing. J.B.M. Lauwerijssen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.P.J. Vissers en ing. G.M.J. van Peperstraten, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Banken B.V., vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. G.L.C.C. van den Waardenburg, advocaat te Nijmegen, als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een uitbreiding van een bestaande intensieve veehouderij op het perceel [locatie 1].

1.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en sub a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dit luidde ten tijde van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

1.2. De personen namens wie door [appellant sub 1] beroep is ingesteld wonen op allerlei afstanden tussen 80 m en 1.800 m van het plangebied.

De woningen van [11 personen] liggen op een dusdanige afstand tot de voorziene uitbreiding van de intensieve veehouderij dat niet aannemelijk is dat zij daar gevolgen van deze inrichting kunnen ondervinden. Zij zijn geen belanghebbende bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zodat het beroep, voor zover dat namens hen is ingesteld, niet-ontvankelijk is.

2. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen stellen dat een papieren versie van het landschappelijk inpassingsplan, noch gegevens met betrekking tot de retentievoorziening op het gemeentehuis met het ontwerpplan ter inzage zijn gelegd. Deze stukken zijn evenmin digitaal beschikbaar gesteld op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.

2.1. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage 9 bij de "Oplegnotitie Milieueffectrapport" van juli 2009 opgenomen. In de waterparagraaf in bijlage 32 bij het milieueffectrapport (hierna: MER) zijn de gegevens en de situering van de retentievijver opgenomen. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de landschappelijke inpassing als onderdeel van de Oplegnotitie en de gegevens van de retentievoorziening als onderdeel van het MER niet bij de papieren versie van het ontwerpplan op het gemeentehuis ter inzage zijn gelegd. Deze stukken zijn tevens op de gemeentelijke website digitaal beschikbaar gesteld. Het ontwerpplan is tevens digitaal beschikbaar gesteld op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Gelet hierop is voldaan aan de wettelijke verplichtingen. De betogen falen.

3. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen stellen dat, omdat het vooroverleg met het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant voor de discussie over de megastallen heeft plaatsgevonden, de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het college heeft ingestemd met het plan.

3.1. Als reactie op het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, heeft het college bij brief van 22 december 2009, opgenomen als bijlage 2 bij het bestemmingsplan, kenbaar gemaakt dat het voorontwerp geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich in zoverre ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het college zich kon vinden in het voorontwerp. Dat door verloop van tijd op basis van gewijzigde planologische inzichten andere provinciale beleidsuitgangspunten zijn gaan gelden, neemt niet weg dat het college, indien en voor zover het zich niet kon vinden in het (ontwerp)bestemmingsplan, in de fase na het vooroverleg mogelijkheden had om hiertegen op te treden. De betogen falen.

4. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad vooringenomen was bij de vaststelling van het plan. Hiertoe voeren zij aan dat, nu de overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente niet openbaar is, vast staat dat de belangen van omwonenden niet worden behartigd. Daar komt bij dat bij het doorlopen van de vaststellingsprocedure ten onrechte geen werk- of klankbordgroep is ingesteld overeenkomstig de door de raad vastgestelde procesgang voor ruimtelijke plannen.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de voorziene ontwikkeling het algemeen belang dient, gelet op de sanering van de varkenshouderij aan de [locatie 2] nabij stedelijk gebied. Omdat de procesgang voor ruimtelijke plannen geen rekening houdt met de situatie dat voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure een milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is gevolgd, is de procedure voor dit plan anders verlopen. In het kader van de m.e.r. is een begeleidingsgroep ingesteld. Deze groep is volgens de raad voldoende geïnformeerd en betrokken geweest bij de beoordeling van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken.

4.2. Dat de gemeente met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst heeft gesloten die niet openbaar is, betekent niet dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen onafhankelijke en zorgvuldige belangenafweging meer heeft kunnen verrichten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 maart 2011 in zaak nr. 201007248/1/R1) verplicht artikel 3:11 van de Awb niet tot de terinzagelegging van anterieure overeenkomsten. Overigens heeft de zakelijke beschrijving van deze overeenkomst overeenkomstig artikel 6.24 van de Wro wel ter inzage gelegen. Dat de raad geen aanleiding heeft gezien om een werk- of klankbordgroep in te stellen, is evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad vooringenomen zou hebben gehandeld. De gevolgde procedure acht de Afdeling niet onredelijk, nu in dit geval voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure een m.e.r. is gevolgd. Niet aannemelijk is gemaakt dat de raad bij de vaststelling van het plan heeft gehandeld in strijd met de in de Wro of de Awb gestelde procedurele eisen. De betogen falen.

5. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat de m.e.r. op onzorgvuldige wijze is verlopen, nu zij hierbij onvoldoende betrokken zijn geweest. Voorts heeft de raad zich bij de vaststelling van het plan ten onrechte gebaseerd op het MER, nu het MER op verscheidene punten gebreken of onjuistheden vertoont en er geen objectieve beoordeling van de gegevens in het MER heeft plaatsgevonden. Zo is het wegennet niet geschikt voor frequent gebruik ervan door vrachtwagens van en naar het bedrijf, nu de bestaande wegen, anders dan verwoord in het MER, geen volwaardige tweebaanswegen zijn. Voorts is de raad bij de keuze voor de in het MER te beschouwen alternatieven voor de verschillende typen luchtwassers ten onrechte uitgegaan van eenzelfde situering van de luchtwassers binnen de inrichting, in het midden van de stal. Volgens hen had ook een alternatief moeten worden bezien waarbij de emissiepunten van de inrichting aan de westzijde van het bouwvlak worden geprojecteerd. Zij voeren hiertoe aan dat de keuze voor de situering in het midden van de stal niet alleen op grond van welstandsoverwegingen had mogen worden gemaakt. Voorts betogen zij dat in het MER uitsluitend alternatieven zijn bezien waarvan op voorhand al vaststond dat deze niet haalbaar zouden zijn.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het MER uitgaat van de juiste gegevens en zorgvuldig tot stand is gekomen. De Haansberg is weliswaar geen volwaardige tweebaansweg, maar wel een bredere enkelbaansweg met in de bermstroken grasbetontegels waardoor een totale breedte van ongeveer 5 m bereikt wordt en twee vrachtwagens elkaar kunnen passeren.

5.2. Bij besluit van 23 november 2010 is aan de veehouderij een revisievergunning verleend. Ten behoeve van dit besluit is een MER gemaakt. Daarbij is ervoor gekozen in één document te voldoen aan de verplichting een MER te maken voor dat besluit en de verplichting een MER te maken voor het voorliggende plan. In de procedure omtrent de revisievergunning kon ook het MER worden aangevochten, hetgeen ook is gebeurd. Omdat met de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2012, in zaak nr. 201100615/1/A4, de vergunning onherroepelijk is geworden, kunnen de bezwaren omtrent de inhoud van het MER in relatie tot de revisievergunning niet meer aan de orde komen. Dit laat onverlet dat de raad het MER aan het plan ten grondslag heeft gelegd, zodat bezwaren omtrent de inhoud van het MER in relatie tot het plan kunnen worden beoordeeld. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij in de procedure omtrent de vaststelling van het plan onvoldoende op het MER hebben kunnen ingaan.

5.3. Niet in geschil is dat de voorziene uitbreiding leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het bedrijf aan de Bankenstraat en dat de voor het plangebied eventueel te gebruiken ontsluitingsweg Haansberg geen volwaardige tweebaansweg is. Hoewel het MER deze weg wel als een volwaardige tweebaansweg kwalificeert, leidt dit, gelet op het gestelde door de raad, niet tot het oordeel dat deze weg niet geschikt is voor het gebruik ervan door vrachtwagens en daarom niet zou zijn voorzien in een toereikende ontsluiting. De betogen falen.

5.4. De betogen over de keuzes voor de in het MER te beschouwen alternatieven betreffen aspecten die niet in het ruimtelijke plan worden geregeld en enkel een relatie hebben tot de revisievergunning. Deze zijn aan de orde geweest in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2012 en kunnen thans niet aan de orde komen. In hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen aanvoeren ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in relatie tot het bestemmingsplan andere alternatieven onderzocht hadden moeten worden. De betogen falen.

6. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat de voorziene uitbreiding negatieve effecten heeft op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden Hollands Diep en Ulvenhoutse Bos. Dat de raad de afname van de ammoniakdepositie als gevolg van de beëindiging van een intensieve veehouderij aan de [locatie 2] als mitigerende maatregel heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of significante effecten vanwege het plan zijn uitgesloten, achten zij onjuist, nu de veehouderij aan de [locatie 1] niet één inrichting vormt en geen verband houdt met de opgeheven veehouderij aan de [locatie 2]. In dit verband voert [appellant sub 2] aan dat beide inrichtingen op de genoemde locaties niet in eigendom zijn van dezelfde rechtspersoon.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de voorziene uitbreiding een onlosmakelijk gevolg is van de aankoop en de opheffing van de bedrijfsvoering aan de [locatie 2]. De in het MER beschreven inrichtingsalternatieven leiden zonder saldering tot een zeer geringe toename van de berekende ammoniakdepositie op de op ruime afstand gelegen Natura 2000-gebieden Hollands Diep en Ulvenhoutsebos.

6.2. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge artikel 19j, tweede lid, maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

Ingevolge het vierde lid maakt de passende beoordeling van deze plannen deel uit van de ter zake van die plannen voorgeschreven milieueffectrapportage.

6.3. In het MER staat dat de initiatiefnemer van het plan zowel aan de [locatie 1] als aan de [locatie 2] een veehouderij heeft. Zoals ter zitting door Banken B.V. is toegelicht, is [bedrijf]eigenaar van beide locaties en is [directeur] directeur van deze holding. Gelet hierop behoren de inrichtingen op voornoemde locaties, anders dan [appellant sub 2] stelt, bij dezelfde rechtspersoon.

Het perceel [locatie 2] ligt in de nabijheid van de bebouwde kom van Etten-Leur. Vanwege een voorgenomen uitbreiding van de bebouwde kom komt de continuïteit van de veehouderij aan de [locatie 2] in het gedrang. De initiatiefnemer is daarom met het gemeentebestuur overeengekomen het bedrijf aan de [locatie 2] te beëindigen en voort te zetten op de uit te breiden locatie aan de [locatie 1]. Hiertoe heeft de gemeente het perceel [locatie 2] aangekocht en is het voorliggende plan opgesteld, dat de bouw van een nieuwe stal en een bedrijfswoning aan de [locatie 1] mogelijk maakt. De raad heeft te kennen gegeven dat de bedrijfsgebouwen op het perceel [locatie 2] inmiddels zijn gesloopt en dat aan het perceel in het ter plaatse in voorbereiding zijnde bestemmingsplan niet meer de aanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend. Voorts is niet in geschil dat de milieuvergunning voor dit perceel in januari 2010 is ingetrokken.

Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de Afdeling een zodanige directe samenhang tussen de voorziene uitbreiding en de beëindiging van het bedrijf aan de [locatie 2], dat de raad de beëindiging van dat bedrijf heeft mogen aanmerken als mitigerende maatregel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat door de intrekking van de vergunning is gewaarborgd dat de activiteiten op het bedrijf aan de [locatie 2] niet worden hervat.

De locaties [locatie 2] en [locatie 1] liggen beide op meer dan 10 km afstand van de Natura 2000-gebieden Ulvenhoutse Bos en Hollands Diep.

Aangezien mitigerende maatregelen kunnen worden betrokken bij de ingevolge artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 te verrichten passende beoordeling, die in het MER is verwerkt, heeft de raad bij het bestreden besluit de gevolgen van de beëindiging van het bedrijf aan de [locatie 2] mogen betrekken. Gelet op de afname van de ammoniakdepositie waartoe de voorziene uitbreiding, bezien in samenhang met de beëindiging van het bedrijf aan de [locatie 2], leidt en op de grote afstand tot de Natura 2000-gebieden, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad op grond van de uitgevoerde passende beoordeling zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij de zekerheid heeft gekregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorziene uitbreiding niet zullen worden aangetast.

De betogen falen.

7. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat de voorziene uitbreiding negatieve effecten heeft op de omgeving. Zo lijden ondernemers in de omgeving als gevolg van deze uitbreiding vanwege de toename van ammoniak en zwevende deeltjes aan inkomstenderving, zijn de percelen Haansberg 63 en 67, gelegen in glastuinbouwontwikkelingsgebied, niet meer geschikt voor verdere uitbreiding en is het gebied tussen Haansberg en Bankenstraat als gevolg van de keuze van de situering van de luchtwassers minder geschikt als ontwikkelingslocatie voor glastuinbouw. Deze aspecten komen in het MER niet of nauwelijks aan bod. Voorts leidt de voorziene uitbreiding tot gezondheidsrisico's en leidt de hoge frequentie van vrachtwagenbewegingen tot gevaarlijke situaties en schade aan de huidige wegenstructuur.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat als gevolg van de voorziene uitbreiding, gelet op het gebruik van gecombineerde luchtwassers, een verbetering optreedt ten opzichte van de oude situatie, waardoor zich geen nadelige effecten op de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende glastuinbouwbedrijven zullen voordoen. Het glastuinbouwbedrijf aan de Haansberg 67 valt bovendien buiten het gemeentelijk glastuinbouwvestigingsgebied, maar behoudt de mogelijkheid om uit te breiden.

Het vrachtverkeer wordt zoveel mogelijk afgewikkeld via de Haansberg. Gelet op de als gevolg van de nieuwe vergunde situatie zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen per week en de maximale snelheid op deze weg van 60 km/h, is de verkeersveiligheid volgens de raad niet in het geding.

7.2. Volgens het MER is de planlocatie niet gelegen binnen een volgens de Wet ammoniak en veehouderij gedefinieerd (zeer) kwetsbaar gebied, noch binnen een zone van 250 m van een betreffend gebied. Voorts bevinden zich binnen een straal van 50 m onderscheidenlijk 25 m van de stallen geen gevoelige planten of bomen onderscheidenlijk minder gevoelige planten zoals bedoeld in het rapport "Stallucht en planten" uit 1981. In het MER is per onderzocht alternatief tevens de ammoniakschade belicht. Conclusie van het MER is dat er als gevolg van de voorziene uitbreiding geen ammoniakschade zal optreden.

In het rapport "Onderzoek luchtkwaliteit", dat als bijlage 27 bij het MER is opgenomen, staat dat er als gevolg van de voorziene uitbreiding geen overschrijdingen optreden van de jaargemiddelde concentratie en van het aantal toegestane overschrijdingsdagen voor zwevende deeltjes op of buiten de inrichting. Vanwege het opheffen van de intensieve veehouderij aan de [locatie 2] en het voorzien van alle stallen van gecombineerde luchtwassers verbetert de luchtkwaliteit.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het MER geen rekening houdt met mogelijke ammoniakschade en een mogelijke verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van de voorziene ontwikkeling. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben bovenstaande conclusies uit het MER en het rapport "Onderzoek Luchtkwaliteit" niet bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de eventuele schade in de vorm van inkomstenderving door verminderde gewasopbrengsten vanwege de uitstoot van ammoniak en zwevende deeltjes zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan worden gediend.

De betogen falen.

7.3. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen geen grond voor het oordeel dat de raad vanuit het aspect van volksgezondheid geen aanleiding heeft moeten zien om de uitbreiding van de bestaande inrichting, in samenhang met de beëindiging van een andere inrichting, niet toe te staan. De bestrijding van besmettelijke dierziekten is primair in andere regelgeving gewaarborgd en het advies van de GGD Brabant/Zeeland behoeft niet tot een andere conclusie te leiden. De betogen falen.

7.4. De Afdeling ziet, gelet op de beperkte toename van het totaal aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan, geen aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot verkeersonveilige situaties. Evenmin ziet de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.3 is overwogen, aanleiding voor het oordeel dat de schade aan de bestaande wegen als gevolg van het vrachtverkeer van en naar de inrichting - wat daar ook van zij - zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan worden gediend. De betogen falen.

8. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat, anders dan de conclusie van het akoestisch onderzoek, de geluidsnormen op verscheidene momenten van de dag worden overschreden. Hiertoe voeren zij aan dat in de plantoelichting een groter aantal vrachtwagenbewegingen wordt genoemd dan in het MER, het aantal verkeersbewegingen niet zal afnemen wanneer de bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] is gebouwd en er in de berekeningen geen rekening is gehouden met de klinkerbestrating van de Bankenstraat en de afvoer van kadavers buiten de inrichting. Daarbij is volgens hen bij de beoordeling van geluidhinder door verkeersbewegingen van en naar de inrichting van belang dat ingevolge de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting: beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire) tussen 19.00 en 23.00 en 23.00 en 07.00 een overschrijding van de grenswaarden van 40 dB(A) onderscheidenlijk 35 dB(A) niet is toegestaan.

8.1. In bijlage 31 bij het MER is een verkeersoverzicht van het aantal verkeersbewegingen van en naar het bedrijf opgenomen. Hieruit volgt dat de voorgenomen activiteit leidt tot in totaal 38 vrachtwagenbewegingen per week, hetgeen een toename betekent van ongeveer drie vrachtwagenbewegingen per dag. Het in de plantoelichting genoemde totaal aantal verkeersbewegingen wordt door [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen ten onrechte vergeleken met het in het MER genoemde totaal aantal vrachtwagenbewegingen.

In het door G&O Consult uitgevoerde akoestisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 26 maart 2009 dat als bijlage 26 bij het MER is opgenomen (hierna: het geluidrapport), is de geluidbelasting als gevolg van de afvoer van kadavers niet bij de berekening van de geluidbelasting vanwege de activiteiten binnen de inrichting, maar bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting meegenomen. De conclusie van het geluidrapport is dat de geluidbelasting als gevolg van het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting voldoet aan de in de Circulaire opgenomen voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde, waarbij is gerekend met het wegdektype referentieasfalt en waarbij geen rekening is gehouden met de eventuele afname van het aantal transportbewegingen in een week als gevolg van de bouw van de bedrijfswoning op het perceel [locatie 1]. Dat hierbij had moeten worden getoetst aan de door [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen genoemde grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de avond- en nachtperiode van 40 dB(A) onderscheidenlijk 35 dB(A), berust op een onjuist uitgangspunt, nu deze grenswaarden van toepassing zijn op geluidbelasting vanwege de activiteiten binnen de inrichting. In hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet op de conclusie van het geluidrapport mocht baseren. Dat op de Bankenstraat klinkerbestrating aanwezig is leidt niet tot een ander oordeel, nu [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de geluidbelasting ter plaatse van de maatgevende woning aan de Bankenstraat 41 ook met toepassing van de wegdekcorrectiefactor voor klinkerbestrating niet voldoet aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.

De betogen falen.

9. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat de uitbreiding van het totale oppervlak aan bedrijfsbebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij tot 1 ha in strijd is met het gemeentelijke beleid zoals dat was opgenomen in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1998". Voorts heeft het agrarische bestemmingsvlak een oppervlakte van ruim 2 ha, zodat niet is uitgesloten dat de omvang van het toegestane totale oppervlak aan bedrijfsbebouwing nog groter kan worden. Tevens dient de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 3] met een oppervlakte van 0,5 ha, waarvan de initiatiefnemer tevens exploitant is, met de voorgestane ontwikkeling te worden meegenomen.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat, gelet op de sanering van het veehouderijbedrijf aan de [locatie 2] en de samenvoeging op de locatie [locatie 1], maatwerk is geleverd. De initiatiefnemer is geen exploitant van de inrichting aan de [locatie 3], maar voert slechts tijdelijk toezicht uit.

9.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, aanhef en onder b en onder 1, van de planregels, mogen op de voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" aangewezen gronden bedrijfsgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht ter plaatse van het op de verbeelding aangegeven bouwvlak, waarbij de oppervlakte van bedrijfsgebouwen ten hoogste 10.000 m² mag bedragen.

Ingevolge artikel 6, aanhef en onder d, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van de bepalingen in deze planregels ten aanzien van het afwijken van de voorgeschreven maatvoeringen met ten hoogste 10%, met dien verstande dat deze afwijkingsregel niet geldt voor de oppervlakte van bedrijfsgebouwen.

9.3. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

In het vorige bestemmingsplan hadden de gronden van het plangebied ook een agrarische bestemming, specifiek aangeduid als intensieve veehouderij. Op basis van de bij deze bestemming behorende voorschriften was een bouwblok van 1 ha mogelijk waarbinnen 0,5 ha aan bedrijfsgebouwen mocht worden gebouwd. In het voorliggende plan is een totale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 1 ha toegestaan, waarbij de raad terecht geen rekening heeft gehouden met de intensieve veehouderij op de [locatie 3]. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat deze intensieve veehouderij, reeds gelet op de tussengelegen afstand van ongeveer 900 m en de tussengelegen percelen van derden, niet als onderdeel van de veehouderij op het perceel [locatie 1] kan worden aangemerkt. De raad heeft als gevolg van de gewenste stedelijke ontwikkeling in de nabijheid van het veehouderijbedrijf op de locatie [locatie 2], de voorliggende uitbreiding van een bestaand veehouderijbedrijf op de planlocatie op grotere afstand van de kern Etten-Leur willen toestaan. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het belang bij de ontwikkeling van het plan zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen bij het behoud van de huidige situatie. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat gevolgen hiervan voor omwonenden, gelet op hetgeen hiervoor onder 7.2, 7.3 en 7.4 is overwogen, beperkt zullen zijn.

De betogen falen.

10. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat het door Econsultancy B.V. uitgevoerde flora en fauna onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Quickscan Flora en fauna" van 27 maart 2009 (hierna: quickscan) zonder het uitvoeren van een gedegen en recentelijk jaarrond onderzoek ontoereikend is om te concluderen of een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) nodig is of niet.

10.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

10.2. Volgens de quickscan, die als bijlage 4 bij het MER is opgenomen, zijn mogelijke negatieve effecten voor broedvogels volledig te mitigeren door de bestaande jonge houtwal niet tijdens het broedseizoen te betreden. Voorts zijn geen indicaties aanwezig die erop duiden dat het plangebied wordt gebruikt of kan worden gebruikt door vogelsoorten waarvan het leefgebied of het nest jaarrond is beschermd. Vernieling, beschadiging of verstoring van de andere beschermde planten of voortplantings- of rustplaatsen van beschermde dieren is volgens de conclusie van de quickscan niet aan de orde, zodat een nader ecologisch onderzoek alsmede een ontheffingsaanvraag niet noodzakelijk is.

[appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd als gevolg waarvan de conclusie van de quickscan onjuist zou zijn. De enkele stelling dat in de omgeving nog andere beschermde diersoorten zijn aangetroffen, is daartoe onvoldoende. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

De betogen falen.

11. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat de uitbreidingslocatie ten onrechte als een specifieke locatie intensieve veehouderij als bedoeld in artikel 9.7, tweede lid, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011) is aangemerkt. Hiertoe voeren zij aan dat provinciale staten van Noord-Brabant op basis van onvolledige informatie hebben besloten dat de locatie [locatie 1] als uitzonderingslocatie in de Verordening 2011 kon worden opgenomen, hetgeen duidt op willekeur.

Voorts betogen zij dat niet artikel 9.3, maar artikel 9.5 van de Verordening 2011 van toepassing is op het plan, nu het gaat om een te verplaatsen locatie. Volgens hen wordt niet voldaan aan de hierin opgenomen voorwaarden dat een bouwblok voor intensieve veehouderij, gelegen buiten een verwevingsgebied, planologisch en juridisch wordt opgeheven en dat 20% van het bouwblok wordt aangewend voor de landschappelijke inpassing van de bedrijfsgebouwen, nu de landschappelijke inpassing niet binnen, maar buiten het bouwvlak plaatsvindt. Bovendien is de vereiste houtsingel met een oppervlakte van 2.035 m², gelet op het totale oppervlak van de aanduiding "houtsingel" en de daarop in mindering gebrachte retentievoorziening, sloten en obstakelvrije onderhoudsstrook, niet inpasbaar. Overigens ontbreekt een landschappelijk inpassingsplan in overeenstemming met de verbeelding en de in de plantoelichting opgenomen afbeeldingen.

Het perceel is volgens hen evenmin aan te merken als een duurzame locatie als bedoeld in artikel 9.3, eerste lid, onder d, van de Verordening 2011, nu de voorziene uitbreiding afbreuk doet aan het kleinschalige landschap, het perceel is aangewezen als glastuinbouwontwikkelingsgebied en een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) hieromtrent ontbreekt. Bovendien wordt het plangebied gekenmerkt door een stapeling van waarden en is de afweging in het MER niet gebaseerd op alle af te wegen aspecten.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel voldoet aan alle criteria voor een duurzame locatie als bedoeld in artikel 9.3 van de Verordening 2011. Het plan voorziet met de aanduiding "houtsingel", daaronder niet begrepen het erf bij de bedrijfswoning en de strook aan de voorzijde, in een landschappelijke inpassing van ongeveer 0,33 ha, waarmee volgens de raad ruim wordt voldaan aan de vereiste landschappelijke inpassing van 10% van het bouwblok.

11.2. Ingevolge artikel 1.1, onder 19, van de Verordening 2011, wordt onder bouwblok verstaan: aaneengesloten terrein, waarbinnen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een zelfde bestemming worden geconcentreerd.

Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied dat bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha mogen uitbreiden op een duurzame locatie.

Ingevolge het bepaalde onder e bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied dat ingeval van uitbreiding op grond van het bepaalde onder d ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

Ingevolge het tweede lid blijkt uit de toelichting bij een bestemmingsplan ten aanzien van een duurzame locatie, als bedoeld in het eerste lid, onder d, dat:

a. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot uitbreiding ter plaatse;

b. zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte;

c. de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is.

Ingevolge artikel 9.5, eerste lid en onder a, kan het college van gedeputeerde staten, mits de daartoe strekkende aanvraag voor een ontheffing voor 1 januari 2011 is ingediend, in het geval van een verplaatsing van een intensieve veehouderij ontheffing verlenen van artikel 9.3, eerste lid, onder d, voor een bestemmingsplan dat voorziet in de uitbreiding van een bouwblok tot ten hoogste 2,5 ha in een verwevingsgebied.

Ingevolge het tweede lid, onder d, bevatten de bij de aanvraag om ontheffing behorende stukken tevens een beschrijving van de wijze waarop wordt verzekerd dat ten minste 20% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

Ingevolge artikel 9.7, tweede lid, is in afwijking van artikel 9.3, eerste lid, onder d, op een daarvoor specifiek vastgelegde locatie in gemeente Etten-Leur uitbreiding van het bouwblok voor intensieve veehouderij tot 2 ha toegestaan. Vast staat dat deze locatie het perceel [locatie 1] betreft.

11.3. De Afdeling overweegt dat artikel 9.7, tweede lid, in samenhang met artikel 9.3 van de Verordening 2011 een algemeen verbindend voorschrift is. Ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift. Dit betekent echter niet dat het besluit tot het aanmerken van de locatie [locatie 1] als uitzonderingslocatie als bedoeld in artikel 9.7, tweede lid, van de Verordening 2011 in het geheel niet kan worden getoetst. Artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb, staat niet in de weg aan de mogelijkheid van exceptieve toetsing.

Aan een algemeen verbindend voorschrift kan verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Vast staat dat artikel 9.7, tweede lid, van de Verordening 2011 een overgangsrechtelijke bepaling is voor een lopend verplaatsingstraject ten tijde van het besluit tot vaststelling van dit artikel. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten het besluit om de locatie [locatie 1] als uitzonderingslocatie aan te merken niet op een afdoende feitelijke grondslag hebben gebaseerd, dan wel dat zij na afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot dat besluit hebben kunnen komen. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 9.7, tweede lid, van de Verordening 2011 in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

De betogen falen.

11.4. Gelet op de tekst van artikel 9.7, tweede lid, van de Verordening 2011 en de feitelijke situatie voorziet het plan voor [locatie 1] in een uitbreiding op een bestaande locatie als bedoeld in artikel 9.7, tweede lid, in samenhang met artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2011. Gelet hierop is artikel 9.5 van de Verordening 2011, dat betrekking heeft op verplaatsing van intensieve veehouderijen, niet van toepassing. Dat de uitbreiding is bedoeld voor activiteiten die voorheen plaatsvonden op de locatie [locatie 2] maakt dat niet anders. De betogen falen.

11.5. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor de ontwikkeling en instandhouding van het leefgebied van struweelvogels en tevens voor:

uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering ten behoeve van agrarische bedrijven, voor zover aangegeven op de verbeelding met de aanduiding "intensieve veehouderij" voor intensieve veehouderijen, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, agrarische bedrijfswoning, bouwwerken geen gebouwen zijnde, erven en voorzieningen ten behoeve van de waterretentie;

instandhouding van afschermende landschapselementen voor zover aangegeven op de verbeelding met de aanduiding "houtsingel".

Ingevolge het bepaalde in lid 3.3, onder a, wordt onder verboden gebruik in ieder geval verstaan:

1. het gebruik van de gronden ter plaatse van de aanduiding "houtsingel" anders dan voor afschermende landschapselementen of beplanting en voorzieningen ten behoeve van de retentie van (hemel)water. Deze afschermende landschapselementen mogen niet worden verwijderd, tenzij deze worden vervangen door een visueel minimaal gelijkwaardig landschapselement;

2. het gebruik van de gronden gelegen buiten de aanduiding "bouwvlak" voor het aanbrengen van verhardingen, behoudens voor zover deze verhardingen ten dienste staan van de waterberging dan wel de landschappelijke inpassing.

11.6. Het bouwblok voor een bestaande intensieve veehouderij in een verwevingsgebied mag in dit geval, gelet op artikel 9.7, tweede lid, van de Verordening 2011 tot een omvang van 2 ha worden uitgebreid, mits de locatie kan worden aangemerkt als duurzaam en ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing, zoals bepaald in artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d en e, in samenhang met het tweede lid, van de Verordening 2011.

In hoofdstuk 12 van het MER is een omgevingstoets opgenomen, waarbij is ingegaan op een aantal thema’s ter beantwoording van de vraag of de planlocatie kan worden aangemerkt als duurzaam. Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.3, 7.2 en 7.3 is overwogen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de in het MER opgenomen omgevingstoets onvolledig is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ten gevolge van schaalvergroting in de landbouw de percelering grootschaliger is geworden, waardoor de continuïteit van het agrarisch bedrijf is gewaarborgd. Voorts schrijft de Verordening 2011 geen verplichting voor tot het vragen van advies aan de AAB. Door [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen is evenmin aannemelijk gemaakt dat het plangebied wordt gekenmerkt door zeer hoge cultuurhistorische, aardkundige en landschappelijke waarden en dat de voorziene uitbreiding invloed heeft op de karakteristieke eigenschappen waarvoor dit gebied is aangewezen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het perceel als duurzame locatie als bedoeld in artikel 9.3, tweede lid, van de Verordening 2011 kan worden aangemerkt.

De betogen falen.

11.7. Op de verbeelding is een bouwvlak van ongeveer 1,6 ha opgenomen binnen het bestemmingsvlak van ongeveer 2,03 ha. De afschermende landschapselementen zijn, met uitzondering van de voorzijde en het erf bij de bedrijfswoning, voorzien op de gronden buiten het bouwvlak met de aanduiding "houtsingel" en hebben een totale oppervlakte van ongeveer 0,33 ha. Ingevolge artikel 3, lid 3.3, onder c, van de planregels dient binnen het plangebied een retentievoorziening te zijn met een bergingscapaciteit van ten minste 394 m3 / 985 m2. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de onderhoudsstrook binnen de gronden met de aanduiding "houtsingel" is voorzien. Dat binnen deze gronden wel een retentievoorziening met een oppervlakte van ten minste 985 m² is voorzien, neemt niet weg dat, gelet op de planregels en het landschappelijk inpassingsplan, de landschapselementen en de instandhouding daarvan in dit plan voldoende zijn gewaarborgd. Nu de raad, zoals ter zitting is toegelicht, echter is uitgegaan van de landschappelijke inpassing binnen het bestemmingsvlak en de gronden met de aanduiding "houtsingel" buiten het bouwvlak zijn gelegen, voldoet het plan niet aan het in artikel 9.3, eerste lid, onder e, van de Verordening 2011 opgenomen vereiste van landschappelijke inpassing van 10% binnen het bouwvlak, gelijk aan het bouwblok in de Verordening 2011. De betogen slagen.

12. In hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 9.3, eerste lid, onder e, van de Verordening 2011. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 9.3, eerste lid, onder e, van de Verordening 2011 te worden vernietigd.

De Afdeling ziet evenwel aanleiding om te bezien of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de provinciale regels omtrent de inhoud van een bestemmingsplan, zoals opgenomen in de Verordening 2011 mogelijk maken dat een bestemmingsplan voor dit perceel een bouwvlak tot 2 ha bevat, waarbinnen een landschappelijke inpassing is vereist van 0,2 ha. Het plan voorziet in een bouwvlak van kleinere omvang dan op grond van artikel 9.7, tweede lid, van de Verordening 2011 in dit geval zou zijn toegestaan, waarbinnen op grond van de planregels maximaal één ha aan bedrijfsbebouwing is toegestaan. Voorts is in het plan verzekerd dat de bebouwing, gelet op de omliggende gronden buiten het bouwvlak met de aanduiding "houtsingel" met een omvang van ongeveer 0,33 ha, zal worden ingepast. Bovendien is het in artikel 9.3 van de Verordening 2011 opgenomen vereiste dat ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2012 niet gewijzigd. Gelet op het voorgaande en nu de overige betogen falen, ziet de Afdeling in dit geval aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van de raad tot vaststelling van het plan in stand te laten.

13. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ingesteld namens [11 personen], niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] en anderen, voor zover ontvankelijk, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Etten-Leur van 14 november 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied herziening [locatie 1]";

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Etten-Leur tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Etten-Leur aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellanten sub 2], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

350-709.