Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7574

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201107274/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 mei 2011 heeft het college aan ProRail Randstad Noord (hierna: vergunninghouder) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van de bedrijfstijden naar 24 uur per dag op het Spoorwegemplacement "Lage Weide" aan de Atoomweg ongenummerd te Utrecht.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/392

Uitspraak

201107274/1/A4.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Knauf B.V. (hierna: Knauf), gevestigd te Utrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2011 heeft het college aan ProRail Randstad Noord (hierna: vergunninghouder) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van de bedrijfstijden naar 24 uur per dag op het Spoorwegemplacement "Lage Weide" aan de Atoomweg ongenummerd te Utrecht.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en Knauf beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2012, waar [appellant sub 1], bijgestaan door drs. C. van Oosten, Knauf, vertegenwoordigd door C.M.M. van Mourik en bijgestaan door mr. A.N. Broekhoven, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door ir. J.H.M. Kerp, mr. N.H. Verhaart, beiden werkzaam bij de gemeente, drs. A.M.M. Baggen en drs. R. Balkema, zijn verschenen. Ter zitting is vergunninghouder, vertegenwoordigd door drs. V.L. de Nijs-van Rijn, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

1. [appellant sub 1] en Knauf betogen dat het overgangsrecht van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) niet van toepassing is, omdat na 1 oktober 2010 een nieuwe aanvraag is ingediend.

1.1. Op 1 oktober 2010 is de Wabo in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Vergunninghouder heeft op 31 maart 2010 een aanvraag ingediend voor de wijziging van de bedrijfstijden van de inrichting. Deze aanvraag is vóór 1 oktober 2010 en derhalve voor de inwerkingtreding van de Wabo ingediend. Bij deze aanvraag was de railinzetplaats onjuist weergegeven. Naar aanleiding daarvan is de aanvraag op 8 november 2010 op dit punt aangepast. Dit maakt niet dat een nieuwe aanvraag is ingediend. Nu de aanvraag voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend, volgt uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

De beroepsgrond faalt.

Bevoegd gezag

2. [appellant sub 1] betoogt dat het college onbevoegd was het bestreden besluit te nemen. Daartoe voert hij aan dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht bevoegd was op de aanvraag te beslissen, omdat binnen de inrichting verontreinigd spoorwegballast wordt overgeslagen.

2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd op de aanvraag om een vergunning te beslissen, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid.

Ingevolge het tweede lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

Ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I van het Ivb is aangewezen.

Ingevolge categorie 28, onderdeel 28.4, aanhef en onder b, sub 2?, van bijlage I van het Ivb zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorend tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het overslaan van van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen.

2.2. Uit de aanvraag blijkt dat vergunning is gevraagd voor verruiming van de bedrijfstijden voor onder meer het overslaan van spoorwegballast met Euralcode 17 05 08. Euralcode 17 05 08 ziet op niet onder 17 05 07 vallend spoorwegballast. Euralcode 17 05 07 betreft spoorwegballast dat gevaarlijke stoffen bevat. Nu in de inrichting enkel spoorwegballast zonder gevaarlijke stoffen overgeslagen mag worden, was het college bevoegd op de aanvraag te beslissen.

De beroepsgrond faalt.

Beslistermijn

3. [appellant sub 1] en Knauf betogen dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), omdat het college de beslistermijn als bedoeld in artikel 3:18, eerste lid, van de Awb heeft overschreden.

3.1. Ingevolge artikel 3:18, eerste lid, van de Awb, neemt het bestuursorgaan, indien het een besluit op aanvraag betreft, het besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, indien de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft, alvorens een ontwerp ter inzage te leggen, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid bedoelde termijn met een redelijke termijn verlengen. Voordat het bestuursorgaan een besluit tot verlenging neemt, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.

3.2. Vast staat dat het college het bestreden besluit niet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag heeft genomen en dat de beslistermijn niet is verlengd. De overschrijding van deze termijn van orde tast op zich de rechtmatigheid van het besluit niet aan. Na het verlopen van de termijn blijft het college immers bevoegd en verplicht een besluit te nemen.

De beroepsgrond faalt.

Zienswijzen

4. [appellant sub 1] en Knauf betogen dat ten onrechte niet alle omwonenden die hun zienswijzen hebben ingediend een mondelinge toelichting daarop hebben mogen geven.

4.1. Ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Awb kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

4.2. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure voorziet niet in een recht voor degenen die zienswijzen hebben ingediend om te worden gehoord respectievelijk een nadere mondelinge toelichting op de zienswijze te geven. Dat de omwonenden in hun zienswijzen te kennen hebben gegeven dat zij graag een mondelinge toelichting op de zienswijzen wilden geven, brengt niet met zich dat het college gehouden was de omwonenden die gelegenheid te bieden.

De beroepsgrond faalt.

Algemeen toetsingskader

5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college beoordelingsvrijheid toe.

Geluid

6. [appellant sub 1] betoogt dat het college ten onrechte de circulaire 'Geluidhinder veroorzaakt door spoorwegemplacementen; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer' van 13 januari 1998 (hierna: de circulaire), noch het Uitvoeringsprogramma Geluid op Emplacementen (hierna: het UPGE) bij de vergunningverlening heeft betrokken.

6.1. De inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. De Wet geluidhinder is van toepassing op woningen die zijn gelegen binnen het gezoneerde industrieterrein. Het college heeft voor de maximale geluidniveaus de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt genomen. Het college was niet verplicht de circulaire of het UPGE toe te passen. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet de juiste regeling heeft toegepast.

De beroepsgrond faalt.

7. [appellant sub 1] vreest voor geluidsoverlast door de uitbreiding naar de avond- en nachtperiode. Daartoe voert hij aan dat het college onvoldoende heeft onderzocht of geluidsreducerende maatregelen toegepast konden worden.

7.1. Uit het op 1 november 2010 uitgebrachte rapport 'Akoestisch onderzoek Emplacement Lage Weide' dat in opdracht van vergunninghouder is opgesteld door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. (hierna: het akoestisch rapport) blijkt dat de bijdrage van de inrichting op de zonegrens en de geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone onder de grenswaarden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus uit de Wet geluidhinder voor de dag-, avond- en nachtperiode van onderscheidenlijk 50, 45 en 40 dB(A) blijft. Het college stelt dat het niet nodig is geluidsreducerende maatregelen te treffen, omdat aan de geldende geluidgrenswaarden van de Wet geluidhinder en de Handreiking kan worden voldaan. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

De beroepsgrond faalt.

8. [appellant sub 1] en Knauf betogen dat het college ten onrechte geen strengere geluidgrenswaarden voor de bedrijfswoningen aan de Uraniumweg 11, 13 en 17 heeft gesteld. Daartoe voert [appellant sub 1] aan dat de gestelde geluidgrenswaarden te hoog zijn en dat dit zal leiden tot aantasting van zijn bedrijfsvoering en woongenot. Knauf voert aan dat het college ten aanzien van bedrijfswoningen op een gezoneerd industrieterrein een plicht heeft geluidhinder te voorkomen.

8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 mei 2009 in zaak nr. 200803491/1) kan de geluidbelasting ter plaatse van een woning op een gezoneerd industrieterrein geen grond vormen voor weigering van een vergunning voor een inrichting op dat industrieterrein. Voor dergelijke inrichtingen is de geluidbelasting op de zone en de geluidbelasting op de gebouwen die binnen de zone, maar buiten het industrieterrein staan bepalend bij vergunningverlening. Wel kunnen voorschriften worden gesteld waardoor woningen op een gezoneerd industrieterrein een zekere bescherming wordt geboden zolang daardoor het speciale vestigingsklimaat voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein niet wordt aangetast.

Het college heeft op basis van het akoestisch rapport voorschriften gesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau ter plaatse van op het industrieterrein gelegen immissiepunten, waaronder de woningen aan de Uraniumweg 11 en 19. In hetgeen [appellant sub 1] en Knauf aanvoeren ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze voorschriften niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten.

De beroepsgronden falen.

9. Knauf betoogt dat het akoestisch rapport niet volledig is. Daartoe voert zij aan dat de vervoersbewegingen van de kraan die het ballastgrind overslaat en de watertankwagen die het nathouden van de spoorwegballast faciliteert bij de berekening van de geluidbelasting ontbreekt. Voorts voert zij aan dat het aantal vrachtwagenbewegingen is onderschat, omdat de kraan in de avondperiode vier uur en in de dag- en nachtperiode acht uur in gebruik is, maar het aantal vrachtwagenbewegingen gelijk blijft.

9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het rijden van de kraan zit verweven in de werkzaamheden en dat het wegrijden van de kraan en van de watertankwagens volledig ondergeschikt is aan de overige werkzaamheden zodat deze bewegingen akoestisch gezien niet relevant zijn. Verder stelt het college dat er wel een relatie is tussen de te storten ballast en het aantal vrachtwagenbewegingen. Tussen het gebruik van de kraan en het aantal vrachtwagenbewegingen bestaat geen directe relatie, omdat de kraan ook gebruikt wordt om ballast tot een of meer bergen op te werken om het terrein berijdbaar te houden. Dat de kraan in de avondperiode minder uren in gebruik is dan in de dag- en nachtperiode, heeft derhalve geen gevolgen voor het aantal vrachtwagenbewegingen.

Knauf heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de juistheid van deze standpunten van het college. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch rapport in zoverre niet volledig is en het college dat rapport in zoverre niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen.

De beroepsgrond faalt.

10. Knauf betoogt voorts dat het akoestisch rapport op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd. Daartoe voert zij aan dat uit het akoestisch rapport niet blijkt of bij alle metingen rekening is gehouden met een meethoogte van 5 m in verband met vrachtwagens en personenauto's die over de lengte van het spoorwegemplacement en direct naast de losplaats en de railinzetplaats op de aldaar gelegen parkeerplaatsen staan.

10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat in het akoestisch rapport de geluidbelasting van de inrichting niet is gemeten, maar berekend. Verder stelt het college dat in het akoestisch rapport alle geluidsbronnen en afschermende en verstrooiende objecten zijn gemodelleerd, dat de geluidbelasting is berekend conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 en dat de geluidbelasting wordt bepaald op rekenpunten op een hoogte van 5 m. In hetgeen Knauf heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel deze uitgangspunten in het akoestisch rapport onjuist te achten.

De beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

11. [appellant sub 1] en Knauf betogen dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de luchtkwaliteit. [appellant sub 1] voert daartoe aan dat het aantal vrachtwagenbewegingen wordt verdubbeld en dat geen rekening is gehouden met parkeerbewegingen van vrachtwagens en het stationair laten lopen van de motor. Verder voert [appellant sub 1] aan dat bij de berekening van de gevolgen voor de luchtkwaliteit ten onrechte geen rekening is gehouden met het stof dat vrijkomt bij het overslaan van spoorwegballast. Knauf voert aan dat geen rekening is gehouden met de uitstoot van uitlaatgassen van vrachtwagens met watertanks voor het nathouden van het te lossen spoorwegballast.

11.1. Uit artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, en het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, volgt dat bestuursorganen de bevoegdheid te beslissen op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.2 van de Wet milieubeheer, waarvan de uitoefening gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen uitoefenen in gevallen waarin aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen.

In voorschriften 2.1 en 4.1 van bijlage 2, bij de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10).

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), worden bij ministeriële regeling categorieën van gevallen aangewezen, waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), worden de in bijlage 1a genoemde categorieën van gevallen waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften betrekking heeft op een inrichting, krachtens artikel 4, eerste lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) aangewezen.

Ingevolge voorschrift 1a.2 van bijlage 1a, worden spoorwegemplacementen aangewezen, onder voorwaarde dat door de aanleg of uitbreiding daarvan of door een wijziging van de activiteiten op een spoorwegemplacement, de toename van het aantal dieseltractie-uren niet meer dan 7.500 uur op jaarbasis bedraagt.

11.2. Het college stelt dat de uitbreiding niet in betekenende mate zal bijdragen aan de luchtkwaliteit, omdat de toename van het aantal dieseltractie-uren niet meer dan 7.500 bedraagt. In de aanvraag, die onderdeel uitmaakt van de verleende vergunning, is vermeld dat binnen de inrichting maximaal 50% meer rangeerbewegingen plaatsvinden en dat een toename van 25% in de hoeveelheid te verplaatsen ballast wordt verwacht. Uit de aanvraag volgt dat dit een toename van 1.655 dieseltractie-uren per jaar betekent. Het totaal aantal dieseltractie-uren bedraagt 3.307 per jaar. [appellant sub 1] en Knauf hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist is. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitbreiding niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10). Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer staat derhalve niet aan vergunningverlening in de weg.

De beroepsgrond faalt.

Trillingen

12. Knauf betoogt dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met trillinghinder die als gevolg van de uitbreiding van de inrichting bij de bedrijfswoningen aan de Uraniumweg 13 en 17 optreedt. Voorts betoogt zij dat er ten onrechte geen trillingsonderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij verwijst zij naar een op 3 december 2009 uitgebracht rapport 'Inventarisatie lokale bedreigingen door toename van het spoorgoederenvervoer in de Provincie Overijssel Oost-Nederland' dat in opdracht van de provincies Gelderland en Overijssel is opgesteld door Witteveen+Bos waaruit zou blijken dat vergunninghouder maatregelen moet treffen om trillinghinder te beperken.

12.1. In de aanvraag is vermeld dat uit onderzoeken die aan de voor de inrichting verleende vergunning van 19 augustus 2008 ten grondslag zijn gelegd volgt dat het trillingsniveau, als gevolg van de activiteiten van de inrichting, onder de streefwaarde voor hinder blijven. Het college heeft ter zitting toegelicht dat op basis van de resultaten van deze onderzoeken, gelet op de beperkte uitbreiding van de inrichting en de omstandigheid dat geen installaties in de inrichting aanwezig zijn die dusdanig hoge trillingsniveaus veroorzaken dat hinder ontstaat, is geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om een nieuw onderzoek naar trillinghinder uit te voeren. Knauf heeft geen argumenten aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat dit oordeel onjuist is. Het door Knauf aangehaalde rapport heeft betrekking op een andere inrichting in een andere gemeente. Knauf heeft niet onderbouwd waarom dit rapport ook relevant is voor deze inrichting. Gelet op het voorstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met hinder als gevolg van trillingen.

De beroepsgrond faalt.

Verkeersveiligheid

13. [appellant sub 1] en Knauf betogen dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt doordat de spoorbaan niet wordt afgesloten door een talud, hekwerk of andersoortige afsluiting. Voorts voeren zij aan dat het wegverkeer hinder zal ondervinden door het aan- en afrijden van de vrachtwagens en het laden en lossen van spoorwegballast. Verder vreest Knauf dat door de uitbreiding de kans op het ontstaan van persoonlijk letsel door botsingen zal toenemen en dat de risico's voor het gewone wegverkeer zal worden vergroot.

13.1. Het belang van de verkeersveiligheid vindt bescherming in de Wegenverkeerswet en daarop gebaseerde regelgeving en kan geen rol spelen bij de beoordeling van een milieuvergunning. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en faalt reeds om deze reden.

Bodem

14. Knauf betoogt dat bij het bodemonderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van de voor de inrichting verleende vergunning van 19 augustus 2008 ten onrechte is uitgegaan van een onverdachte locatie, zodat voor de verlening van de onderhavige vergunning een nieuw bodemonderzoek uitgevoerd had moeten worden. Daartoe voert zij aan dat uit bodemonderzoeken in opdracht van Prorail in andere gemeenten volgt dat de grond ter plaatse van spoorwegemplacementen aldaar in meer of mindere mate vervuild is.

14.1. Ten behoeve van de voor de inrichting verleende vergunning van 19 augustus 2008 is een nul-situatieonderzoek uitgevoerd. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor een uitbreiding van de bedrijfstijden. De locatie waar de activiteiten plaats zullen vinden en de soort spoorwegballast die wordt overgeslagen worden niet gewijzigd. Reeds daarom heeft het college terecht geen aanleiding gezien een nieuw bodemonderzoek uit te voeren. Dat uit bodemonderzoeken in andere gemeenten volgt dat de grond ter plaatse van spoorwegemplacementen in meer of mindere mate vervuild is, maakt dit niet anders.

De beroepsgrond faalt.

Overige gronden

15. [appellant sub 1] betoogt dat de vergunning niet op een spoorwegemplacement ziet, omdat er slechts één vrije baan is. [appellant sub 1] betoogt voorts dat het college een andere, meer geschikte locatie had kunnen uitkiezen voor de activiteiten. [appellant sub 1] vreest voor vervuiling van de omgeving inclusief zijn eigen perceel omdat de betonplaten niet voldoen en niet meer vloeistofdicht zijn. [appellant sub 1] stelt verder dat niet de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast om verontreiniging van de bodem en water te voorkomen dan wel te beperken.

Knauf vreest dat de bluswatervoorzieningen langs het spoor ontoereikend zijn bij grote branden en dat het spoor slecht bereikbaar is voor nood- en hulpdiensten. Knauf stelt verder dat een andere loslocatie voor de hand had gelegen.

15.1. De Afdeling stelt vast dat deze beroepsgronden zien op activiteiten waarop de voor de inrichting verleende vergunning van 19 augustus 2008 betrekking heeft. Die vergunning staat in deze procedure niet ter beoordeling. De genoemde beroepsgronden richten zich niet tegen de bij het bestreden besluit vergunde uitbreiding van de bedrijfstijden en kunnen om die reden niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

De beroepsgronden falen.

16. [appellant sub 1] en Knauf vrezen dat de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden niet nageleefd zullen worden.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning, maar betreft de handhaving daarvan en kan om die reden niet slagen.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

17. De beroepen zijn ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

492-720.