Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7570

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201209190/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2012 heeft de burgemeester [appellant] gelast de woning aan de [locatie] te Huizen onmiddellijk te verlaten en deze woning van 31 juli 2012 om 17.00 uur tot 10 augustus 2012 om 17.00 uur niet te betreden noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden en hem verboden in die periode contact op te nemen met de in voormelde woning wonende dan wel anders dan incidenteel verblijvende [vrouw].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201209190/1/A3.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Huizen,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2012 in zaak nrs. 523065/KG ZA 12-1018 en 523063/FA RK 12-6346 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Huizen.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2012 heeft de burgemeester [appellant] gelast de woning aan de [locatie] te Huizen onmiddellijk te verlaten en deze woning van 31 juli 2012 om 17.00 uur tot 10 augustus 2012 om 17.00 uur niet te betreden noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden en hem verboden in die periode contact op te nemen met de in voormelde woning wonende dan wel anders dan incidenteel verblijvende [vrouw].

Bij mondelinge uitspraak van 8 augustus 2012, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 13 augustus 2012, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2013, waar [appellant, vertegenwoordigd door mr. A.F. Hof, advocaat te Amersfoort, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet tijdelijk huisverbod wordt in deze wet onder huisverbod verstaan: beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, eerste volzin, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Ingevolge artikel 6, derde lid, betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend de in de bijlage bij dit besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

Ingevolge het tweede lid hebben de in het eerste lid bedoelde feiten en omstandigheden betrekking op:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

2. De burgemeester heeft aan het besluit van 31 juli 2012 een ingevuld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) ten grondslag gelegd. De directe aanleiding voor de oplegging van het huisverbod was een incident op 30 juli 2012, waarbij [appellant] en [vrouw] ruzie hadden en [appellant] verbaal en fysiek geweld gebruikte.

3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester zich ten tijde van de oplegging van het huisverbod op het standpunt mocht stellen dat ten minste een ernstig vermoeden bestond dat zijn aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van [vrouw]. Hij voert aan dat niet is gebleken van recidive, het RiHG gebreken vertoont en uit de dossierstukken niet kan worden opgemaakt dat [vrouw] voorafgaand aan de oplegging van het huisverbod is gehoord.

Voorts heeft de voorzieningenrechter volgens [appellant] ten onrechte nagelaten te beoordelen of het gevaar dan wel het ernstige vermoeden daarvan zich ten tijde van de uitspraak nog voordeed en of overigens aanleiding bestond het huisverbod op te heffen. Daarbij wijst hij op hetgeen hij ter zitting bij de voorzieningenrechter heeft aangevoerd over het alcoholgebruik van zijn vrouw en de verwaarlozing van zijn honden.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 februari 2012 in zaak nr. 201102246/1/A3) is het opleggen van een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen. Indien dat het geval is, dient de burgemeester zorgvuldig te overwegen of aanwending van de bevoegdheid aangewezen is. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden van dien aard waren dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot oplegging van een huisverbod bestond. Indien dat het geval is, wordt de afweging van de burgemeester terughoudend getoetst.

3.2. Het incident dat de directe aanleiding vormde voor het opleggen van het huisverbod, is - buiten diensttijd - waargenomen door politieambtenaar B.T. Smit tezamen met haar vriendin. In het besluit van 31 juli 2012 en in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van dezelfde datum is neergelegd dat zij hebben waargenomen dat [appellant] en [vrouw] hevige ruzie hadden, [appellant] zijn stem verhief en een dreigende houding aannam naar [vrouw], hij haar een klap op haar hoofd gaf, haar gezicht blauw en paars van kleur was en hij haar vervolgens stevig in de nek vastpakte en met kracht een schop tegen haar bovenbeen of billen gaf. [appellant] maakte een agressieve indruk en [vrouw] maakte een zeer angstige indruk op beiden. Volgens een proces-verbaal van bevindingen van 30 juli 2012 van politieambtenaar I.D. van der Deen, die na melding van het incident door beide getuigen tezamen met politieambtenaar B. den Boer ter plaatse kwam, had [vrouw] ook rode vlekken in haar nek en begon zij te huilen toen Van der Deen over het geweld begon. Volgens een dagrapport van de politie, hebben beide politieambtenaren [appellant] en [vrouw] apart van elkaar gevraagd naar een verklaring voor het blauwe en paarse gezicht van [vrouw]. Volgens het dagrapport heeft [vrouw] verklaard dat zij was aangereden door een racefietser en heeft [appellant] verklaard dat zij van de trap was gevallen toen hij niet thuis was. Nadat beide politieambtenaren [vrouw] met de tegenstrijdige verklaringen hadden geconfronteerd, heeft zij verklaard dat zij bang was voor [appellant], dat zij geen aangifte wilde doen, maar dat [appellant] wel agressief was tegen haar en geweld tegen haar gebruikte. Ter zitting bij de voorzieningenrechter heeft [appellant] verklaard dat hij zich kan voorstellen dat [vrouw] soms bang voor hem is en heeft hij erkend dat hij haar op 30 juli 2012 bij haar nek heeft gepakt en heeft geschopt.

3.3. Met de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester zich op grond van deze feiten en omstandigheden op het standpunt mocht stellen dat voldoende grond bestond om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat de aanwezigheid van [appellant] een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van [vrouw]. Gezien de aard en het verloop van het incident op 30 juli 2012, waarbij meermalen geweld is gebruikt, doet daar niet aan af dat de voorhanden zijnde gegevens niet wijzen op eerdere incidenten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat over de aard en het verloop van het incident van 30 juli 2012 voldoende zekerheid bestaat, nu niet slechts de verklaringen van [appellant] en [vrouw] beschikbaar zijn, maar ook de meer objectieve getuigenissen van Smit en haar vriendin en de gegevens over het letsel bij [vrouw]. Voor zover [appellant] erop wijst dat de voorzieningenrechter heeft overwogen dat niet is gemotiveerd waarom in het RiHG is aangekruist dat de frequentie van geweld is toegenomen en dat [vrouw] vreest voor toekomstig geweld, wordt overwogen dat dit niet afdoet aan de juistheid van voormelde feiten en omstandigheden, die voldoende zijn om het standpunt van de burgemeester te kunnen dragen. Voor zover [appellant] voorts stelt dat uit de dossierstukken niet kan worden opgemaakt dat [vrouw] is gehoord, wordt overwogen dat in voormeld dagrapport een verklaring van [vrouw] is opgenomen en dat zowel in een proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie als in het RiHG is vermeld dat [vrouw] in reactie op het voornemen om een huisverbod op te leggen heeft gezegd te begrijpen dat het huisverbod van belang is om hulpverlening op gang te brengen.

3.4. Gelet op het voorgaande bestond op 31 juli 2012 een bevoegdheid tot oplegging van een huisverbod. Zoals ook in het besluit van die datum is vermeld, bleek destijds niet dat bijzondere belangen van [appellant] zich tegen oplegging van het huisverbod verzetten. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, heeft de burgemeester het belang van de veiligheid van [vrouw] en het creëren van een periode waarin hulpverlening op gang kon worden gebracht, in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van [appellant] bij ongestoord genot van de woning en contact met de achterblijver.

3.5. Ter zitting bij de voorzieningenrechter heeft [appellant] zorgen geuit over het gebruik van alcohol door [vrouw] en over verwaarlozing van zijn honden. Aldaar heeft hij gesteld terug te willen naar de woning om voor [vrouw] en voor zijn honden te zorgen. De voorzieningenrechter heeft in deze omstandigheden terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het gevaar voor de veiligheid van [vrouw] dan wel het ernstige vermoeden daarvan zich ten tijde van zijn uitspraak niet langer voordeed. Voorts heeft de voorzieningenrechter deze omstandigheden terecht niet voldoende zwaarwegend geacht om te komen tot het oordeel dat het belang van [appellant] bij opheffing van het huisverbod zwaarder woog dan het belang van [vrouw] bij het voortduren van het huisverbod.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Herweijer

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

640.