Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7569

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201208554/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 9 december 2010 heeft het college aan [appellant] medegedeeld dat een bouwvergunning van rechtswege is verleend voor het gedeeltelijk verbouwen van drie zomerwoningen tot twee zomerwoningen op het perceel aan de [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/482

Uitspraak

201208554/1/A1.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Schagen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 19 juli 2012 in zaak nr. 11/1718 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zijpe, thans gemeente Schagen.

Procesverloop

Bij brief van 9 december 2010 heeft het college aan [appellant] medegedeeld dat een bouwvergunning van rechtswege is verleend voor het gedeeltelijk verbouwen van drie zomerwoningen tot twee zomerwoningen op het perceel aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 9 juni 2011, aangevuld bij besluit van 17 augustus 2011, heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de van rechtswege verleende bouwvergunning herroepen en geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk verbouwen van drie zomerwoningen tot een zomerwoning en een woning op het perceel.

Bij uitspraak van 19 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2013, waar [appellant], bijgestaan door Th.L. de Fouw, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. M. Mooij en P. Visser, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door ing. M.J.H. van den Berg, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" heeft het perceel de bestemming "Agrarische bebouwingsvakken, Ab".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor de bedrijfsvoering van grondgebonden agrarische bedrijven en de bedrijfsvoering van niet-grondgebonden agrarische bedrijven.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, mag een bouwwerk, dat op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerp van dit plan bestond of in uitvoering was, dan wel is of kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend en dat afwijkt van het in dit plan - behoudens in dit artikellid - bepaalde ten aanzien van de toelaatbaarheid van bebouwing, mits de bestaande afwijkingen ook naar hun aard niet worden vergroot en behoudens onteigening:

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits dit geen algehele vernieuwing of verandering van het in de aanhef bedoelde bouwwerk tot gevolg heeft;

b. uitsluitend indien het bouwwerk door een calamiteit is teniet gegaan, geheel worden vernieuwd, met inachtneming van de grenzen welke ten aanzien van het bouwen ter plaatse bij het plan - behoudens in dit artikellid - zijn bepaald tenzij herbouw hierdoor niet zou zijn toegestaan, en mits de aanvraag tot bouwvergunning is ingediend binnen drie jaar nadat het bouwwerk teniet is gegaan;

c. tot niet meer dan 115% van de oppervlakte van het in de aanhef bedoelde bouwwerk worden uitgebreid, met inachtneming van de grenzen welke ten aanzien van het bouwen ter plaatse bij het plan - behoudens in dit artikellid - zijn bepaald.

2. Het toenmalige college heeft in 1979 vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van drie afzonderlijke, aan elkaar geschakelde zomerwoningen op het perceel. Niet in geschil is dat [appellant] in 1985 twee zomerwoningen heeft samengevoegd tot één zomerwoning en vast staat dat het toenmalige college daarvoor geen bouwvergunning heeft verleend. Voorts is niet in geschil dat [appellant] de zomerwoning permanent bewoont. Nadat het ontwerpbestemmingsplan in 1989 ter visie is gelegd en het bestemmingsplan van kracht is geworden, heeft [appellant] de woning verder verbouwd.

Op 14 januari 2008 heeft [appellant] een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor het gedeeltelijk veranderen van drie zomerwoningen in één zomerwoning en één woning. Volgens het aanvraagformulier bestaan de werkzaamheden uit het wijzigen van de indeling, het verhogen van de kap, het plaatsen van een dakopbouw achter en een dakkapel op het voordakvlak. Op de bouwtekening van 12 januari 2008 staat de aanbouw van een berging. Voorts is sprake van een serre. Bij brief van 3 december 2008 heeft het college aan [appellant] medegedeeld dat het aangevraagde in strijd is met het bestemmingsplan, maar dat het college in principe bereid is om medewerking te verlenen aan het veranderen van drie zomerwoningen in twee zomerwoningen. Het college heeft [appellant] vervolgens in de gelegenheid gesteld de aanvraag in te trekken of te wijzigen en een aanvraag in te dienen voor een persoons- en object gebonden vrijstelling voor de permanente bewoning van de zomerwoning. Omstreeks juni 2010 heeft [appellant] de aanvraag gewijzigd in het gedeeltelijk veranderen van drie zomerwoningen in twee zomerwoningen, met dezelfde omschrijving van de werkzaamheden als in de aanvraag van 14 januari 2008. Vast staat dat zowel de aanvraag van 14 januari 2008 als de wijziging van de aanvraag van juni 2010 in strijd is met artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, nu deze niet voorzien in het bouwen ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven of de bedrijfsvoering van niet-grondgebonden agrarische bedrijven.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich in het besluit op bezwaar van 9 juni 2011 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gewijzigde aanvraag van juni 2010 van niet-ondergeschikte aard is. Daartoe voert hij aan dat de wijziging niet planologisch relevant is.

3.1. De vraag of zich een wijziging van ondergeschikte aard voordoet, dient per concreet geval te worden beantwoord. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 april 2012 in zaak nr. 201108770/1/A1), dient, indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, daarvoor een nieuwe aanvraag te worden ingediend.

Niet in geschil is dat de omvang en de verschijningsvorm van de zomerwoningen, zoals die zijn beoogd met de aanvraag van 14 januari 2008, door de wijziging van de aanvraag in juni 2010 niet veranderen. De ruimtelijke gevolgen van het gebruik van één van de gebouwen als woning zijn naar het oordeel van de Afdeling echter dusdanig anders dan de ruimtelijke gevolgen van het gebruik als zomerwoning, dat niet meer van dezelfde aanvraag kan worden gesproken. De rechtbank heeft daarom met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de wijziging van de aanvraag in juni 2010 een planologisch relevante wijziging van het bouwplan betreft, die niet van ondergeschikte aard is. Nu de wijziging van de aanvraag niet van ondergeschikte aard is, kon die wijziging niet in de lopende procedure over de aanvraag van 14 januari 2008 worden betrokken.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college gehouden was voor de aanvraag van 14 januari 2008 een bouwvergunning te verlenen. Daartoe voert hij aan dat het veranderen van drie zomerwoningen in één zomerwoning en één woning in overeenstemming is met de overgangsbepalingen van het bestemmingsplan.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat artikel 47, eerste lid, van de planvoorschriften slechts betrekking heeft op verbouwingen die ná de peildatum, als vermeld in dat artikel zouden moeten plaatsvinden. Vast staat dat een aanzienlijk deel van de aangevraagde bouwkundige voorzieningen zonder bouwvergunning is gerealiseerd vóór de tervisielegging van het ontwerp van het bestemmingsplan, zodat artikel 47, eerste lid, van de planvoorschriften niet kan strekken tot legalisering van die voorzieningen.

Hoewel voor de voorzieningen die ná de peildatum zijn gerealiseerd, op zichzelf een geslaagd beroep op artikel 47, eerste lid, van de planvoorschriften zou kunnen worden gedaan, kan daarvoor geen bouwvergunning worden verleend. De rechtbank heeft in dat verband terecht overwogen dat splitsing van de aanvraag niet mogelijk is, vanwege de bouwkundige en functionele verbondenheid van de aangevraagde werkzaamheden. De Afdeling komt dan ook niet meer toe aan bespreking van de vraag of de aanvraag ziet op een vergroting van de zomerwoningen van meer dan 115%. Nu het aangevraagde in strijd is met artikel 6, eerste lid, en met artikel 47, eerste lid, van de planvoorschriften, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het veranderen van drie zomerwoningen in één zomerwoning en één woning in strijd is met het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen voor de wijziging van drie zomerwoningen in een woning en een zomerwoning. Daartoe voert hij aan dat het huidige gebruik van een zomerwoning voor permanente bewoning reeds beperkingen oplevert voor de naastgelegen agrarische bedrijven.

5.1. De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort in dit geval tot de bevoegdheden van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen. De rechter moet zich beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te weigeren heeft kunnen komen.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het veel waarde hecht aan het behoud van de agrarische bedrijvigheid in het buitengebied en voorts dat vergroting van de niet-agrarische functies dient te worden voorkomen. In dat verband heeft het college gesteld dat het mogelijk is dat het perceel in de toekomst overeenkomstig de bestemming gebruikt zal worden. Voorts acht het college het verlenen van vrijstelling voor een woonfunctie in strijd met een goede ruimtelijke ordening, omdat op minder dan 25 m afstand agrarische bedrijven zijn gelegen en het verlenen van vrijstelling zou betekenen dat deze bedrijven definitief niet meer kunnen uitbreiden richting de woning. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen weigeren om vrijstelling te verlenen. Dat het college naar gesteld jarenlang van de bestaande situatie op de hoogte is, brengt niet met zich dat het college reeds daarom is gehouden om mee te werken aan het verzoek om vrijstelling.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

414-672.