Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7561

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201205100/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2010 heeft het CBR geweigerd ten behoeve van [appellante] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van categorie B in het rijbewijzenregister te registreren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201205100/1/A3.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 april 2012 in zaak nr. 11/8929 in het geding tussen:

[appellante]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (thans: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2010 heeft het CBR geweigerd ten behoeve van [appellante] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van categorie B in het rijbewijzenregister te registreren.

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 februari 2011 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 juni 2010 vernietigd en bepaald dat het CBR een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Bij besluit van 17 oktober 2011 heeft het CBR het door [appellante] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 3 februari 2010 herroepen. Voorts heeft het een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van categorie B geregistreerd voor één jaar.

Bij uitspraak van 4 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2013, waar [appellante], bijgestaan door mr. J. Biemond, advocaat Den Haag, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. Y.M. Wolvekamp, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement), zoals dit luidde ten tijde van belang, worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, registreert het CBR, indien de aanvrager naar zijn oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge het tweede lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, registreert het CBR, indien naar zijn oordeel redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 voorziene geldigheidsduur, die termijn in het rijbewijzenregister binnen de in het eerste lid aangegeven termijn.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.8, getiteld ‘misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)’ vermeld dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2. Aan het besluit van 28 juni 2010 heeft het CBR een rapport van psychiater E.F. van Ittersum van 5 januari 2010 ten grondslag gelegd. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 14 december 2009. Van Ittersum heeft geconcludeerd dat aanwijzingen bestaan voor alcohol- en drugsmisbruik in het verleden. Voorts bestaan geen aanwijzingen voor alcohol- of drugsmisbruik, maar wel aanwijzingen voor drugsgebruik in de vorm van THC en methadon. Uit laboratoriumonderzoek blijkt verder dat [appellante] positief is getest voor cannabis, methadon en opiaten. Ten slotte bestaan op grond van de DSM-IV-TR classificatie momenteel nog steeds aanwijzingen voor drugsmisbruik, aldus het rapport.

3. De rechtbank heeft het besluit van 28 juni 2010 vernietigd, omdat naar haar oordeel het rapport van Van Ittersum innerlijk tegenstrijdig althans niet voldoende concludent lijkt. Daartoe heeft zij overwogen dat, nu de verschillende onderdelen van het onderzoek als deelconclusie hebben dat er geen of deels aanwijzingen zijn voor drugsmisbruik en geen van de deelconclusies, noch de DSM-IV-TR diagnose zonder meer ‘drugsmisbruik’ inhoudt, niet duidelijk is waarom de eindconclusie luidt dat bij [appellante] sprake is van drugsmisbruik. Zonder nadere verduidelijking hierover te vragen aan de psychiater had het CBR zich naar het oordeel van de rechtbank niet op dit rapport mogen baseren.

4. Aan het besluit van 17 oktober 2011 heeft het CBR een keuringsrapport van arts L.N. van Dijk en psychiater I. Hernandez-Dwarkasing ten grondslag gelegd. Het tweede onderzoek heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2011. In het rapport is geconcludeerd tot alcoholafhankelijkheid, cocaïnemisbruik, cannabismisbruik en misbruik van opioïde, alle in remissie sinds december 2009. Voorts heeft Van Ittersum bij brief van 19 maart 2011 zijn diagnose drugsmisbruik nader gemotiveerd en heeft ziekenhuisapotheker dr. D.J. Touw bij mailbericht van 17 juni 2011 op verzoek van het CBR nadere informatie gegeven. Aangezien [appellante] ten tijde van het onderzoek op 6 augustus 2011 een jaar recidiefvrij was, heeft het CBR op grond van de nieuwe gegevens een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor één jaar wegens drugsmisbruik in remissie.

De rechtbank heeft overwogen dat het CBR gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van 11 februari 2011. Gelet op de nadere verduidelijking in de vorm van het nader standpunt van 19 maart 2011, het mailbericht van 17 juni 2011 en de bevestiging van Hernandez-Dwarkasing dat sprake was van langdurig misbruik in 2009 is de conclusie dat aanwijzingen bestaan voor drugsafhankelijkheid, en daarmee van drugsmisbruik ten tijde van het onderzoek op 14 december 2009 naar het oordeel van de rechtbank voldoende concludent en nader gemotiveerd.

5. [appellante] betoogt dat de uitspraak van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd. Zij voert aan dat uit het rapport van Hernandez-Dwarkasing niet de conclusie drugsmisbruik in remissie kan worden getrokken. Nu uit het rapport niet volgt aan welke DSM-IV-TR-criteria is voldaan, kon niet tot misbruik worden geconcludeerd en daardoor evenmin de recidiefvrije periode worden vastgesteld, aldus [appellante].

5.1. Bij brief van 19 maart 2011 heeft Van Ittersum een nadere verduidelijking gegeven van zijn rapport. In deze brief geeft hij te kennen dat, gelet op de laboratoriumuitslagen en het drugsverleden van [appellante], aanwijzingen bestonden voor drugsmisbruik ten tijde van het onderzoek op 14 december 2009. Uit het mailbericht van Touw van 17 juni 2011 volgt dat methadon in het algemeen geen positieve reactie geeft op de opiatentest. Voorts volgt uit het rapport van Hernandez-Dwarkasing dat [appellante] vanaf december 2009 geen drugs meer gebruikt en in de twaalf maanden voorafgaand aan het tweede onderzoek op 6 augustus 2011 geen van de DSM-IV-TR-criteria van toepassing was, zodat ten tijde van dit onderzoek sprake was van een recidiefvrije periode van een jaar. Daarmee bevestigt zij de door Van Ittersum gestelde diagnose drugsmisbruik. Nu [appellante] geen stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat aan de bevindingen van Hernandez-Dwarkasing moet worden getwijfeld, bestaat geen grond voor het oordeel dat het CBR zich niet mocht baseren op dit rapport. Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2008 in zaak nr. 200802335/1 wordt de door het CBR gehanteerde vuistregel dat een persoon na een recidiefvrije periode van één jaar eerst geschikt wordt geacht voor een periode van een jaar, gelet op de beoordelingsruimte die het CBR ingevolge artikel 103, tweede lid, van het Reglement toekomt en op de strekking van paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling, in het algemeen niet onredelijk geacht. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het CBR bij het besluit van 17 oktober 2011 voldoende zorgvuldigheid heeft betracht en de eerder bestaande onduidelijkheid heeft weggenomen.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

317-697.