Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7555

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201205489/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2011 heeft het college een aanvraag van [appellant] om afgifte van een exploitatievergunning voor een elektrisch aangedreven open reddingssloep afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205489/1/A3.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2012 in zaak nr. 11/3989 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2011 heeft het college een aanvraag van [appellant] om afgifte van een exploitatievergunning voor een elektrisch aangedreven open reddingssloep afgewezen.

Bij uitspraak van 24 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2013, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Drijftholt, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het door hem ingediende beroepschrift prematuur was. Hij voert aan dat het besluit van 22 juli 2011 geen bezwaarclausule bevatte, zodat hem niets anders restte dan naar de bestuursrechter te gaan.

1.1. Op 17 augustus 2011 heeft [appellant] een beroepschrift ingediend bij de rechtbank, alwaar het is ingekomen op 18 augustus 2011. In hoger beroep is niet in geschil dat dit beroepschrift is gericht tegen het besluit van het college van 22 juli 2011.

1.2. Bij e-mail van 18 augustus 2011 heeft [appellant] te kennen gegeven zich niet met het in het besluit van 22 juli 2011 neergelegde standpunt te kunnen verenigen en heeft hij verzocht zijn aanvraag alsnog in behandeling te nemen. Deze e-mail is verzonden naar het e-mailadres dat in het besluit van 22 juli 2011 is vermeld. De e-mail heeft als onderwerp "Beroep op uw kenmerk 11.026636", waarbij dit kenmerk overeenkomt met het kenmerk van het besluit van 22 juli 2011. Op 22 september 2011 heeft [appellant] naar hetzelfde e-mailadres een e-mail gestuurd met de volgende tekst: "Ik heb nog geen antwoord mogen ontvangen op onderstaand beroep. Graag ontvang ik binnen de wettelijke termijn hier een antwoord op." Vervolgens heeft het college de e-mail van 18 augustus 2011 in behandeling genomen als bezwaar tegen het besluit van 22 juli 2011. Nadien is een hoorzitting over het bezwaar gehouden en heeft het college een besluit genomen op het bezwaar.

1.3. Uit het voorgaande volgt dat het ontbreken van een bezwaarclausule er niet aan in de weg heeft gestaan dat [appellant] tijdig bij het college tegen het besluit van 22 juli 2011 is opgekomen. Reeds hierom kan hij niet worden gevolgd in zijn stelling dat door het ontbreken van een bezwaarclausule slechts een gang naar de bestuursrechter restte.

1.4. In het voorliggende geval kon ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht slechts beroep worden ingesteld tegen een besluit op bezwaar. Dat [appellant] op de dag van ontvangst van zijn beroepschrift door de rechtbank tevens bij het college tegen het besluit van 22 juli 2011 is opgekomen, laat onverlet dat ten tijde van het indienen van het beroepschrift nog geen besluit op bezwaar was genomen en [appellant] ook niet redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. De rechtbank heeft het door [appellant] ingestelde beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog faalt.

2. Het hoger beroep is ongegrond. Nu de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, kan niet worden toegekomen aan inhoudelijke behandeling van hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd, aangezien dat ziet op de inhoud van het besluit van 22 juli 2011 en de in dat verband relevante regelgeving. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Herweijer

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

640.