Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7553

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201207911/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Het Plaatje" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 163
Wet geluidhinder 164
Wet geluidhinder 40
Wet geluidhinder 48
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.2a
Besluit milieueffectrapportage
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2013/84 met annotatie van F. Arents en G.A.J.M. Hoevenaars

Uitspraak

201207911/1/R4.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting Nationaal baggermuseum, gevestigd te Sliedrecht, en anderen (hierna: tezamen en in enkelvoud: de Stichting),

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te Sliedrecht, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2])

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Reno Sliedrecht Onroerend Goed B.V. gevestigd te Sliedrecht, [appellant sub 3], wonend te Sliedrecht, en anderen (hierna: [appellant sub 3] en anderen),

en

de raad van de gemeente Sliedrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Het Plaatje" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Stichting, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2012, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, A. Struik, K. d’Angremond en G.C. de Bruin; [appellant sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door mr. R.Th.J. van ’t Zelfde en mr. I.L van Groningen, advocaten te Breda, en de raad; vertegenwoordigd door mr. R.C. van Wamel, advocaat te Dordrecht, mr. drs. M.C. Lammens en mr. J.C. van der Meer, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord Scheepwerf Boer B.V. en L.J. Boer Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen en L. van Andel.

Overwegingen

Intrekking

1. Ter zitting hebben [appellant sub 3] en anderen hun beroepsgrond over de voorheen geldende bestemmingsplannen ingetrokken.

Het plan

2. Het plan voorziet in een planologisch-juridische regeling voor de locatie Het Plaatje, welke locatie onderdeel uitmaakt van het industrieterrein "Molendijk-Industrieweg". Het plan bestemt bestaande bedrijfsactiviteiten en voorziet in enkele nieuwe ontwikkelingen, waaronder de nieuwvestiging van watergebonden bedrijven en de uitbreiding van de bebouwing van IHC Sliedrecht BV. Daarnaast voorziet het plan in een wijziging van de westelijke grens van de geluidzone voor het industrieterrein "Molendijk-Industrieweg".

Ontvankelijkheid beroep tegen bestemmingsplan

3. De raad wijst erop dat Reno Sliedrecht Onroerend goed BV is gevestigd op ongeveer 1 kilometer van het plangebied en dat haar activiteiten hoofdzakelijk bestaan uit het beleggen in en de koop en verkoop van onroerende zaken. Zij heeft volgens de raad geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Het beroep van [appellant sub 3] en anderen, voor zover ingesteld door Reno Sliedrecht, moet niet ontvankelijk worden verklaard, aldus de raad.

3.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dit luidde ten tijde van belang, kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.2. Reno Sliedrecht is gevestigd aan de Lelystraat 24 te Sliedrecht, op ongeveer 1 kilometer afstand van het plangebied. Haar activiteiten bestaan uit het beleggen in, de koop en verkoop van en bemiddeling in onroerende zaken alsmede de financiering, exploitatie, het beheren en administreren van deze zaken. Niet is gebleken dat Reno Sliedrecht wordt geraakt in een belang dat rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Zij kan dan ook niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep van [appellant sub 3] en anderen, voor zover ingesteld door Reno Sliedrecht, is derhalve niet ontvankelijk.

Ontvankelijkheid beroep tegen exploitatieplan

4. [appellant sub 3] en anderen betogen dat ten onrechte geen exploitatieplan is vastgesteld, nu het kostenverhaal ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan (nog) niet was verzekerd.

4.1. Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wro, stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad, in afwijking van het eerste lid, bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is.

4.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder h, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan. Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

4.3. Het beroep van [appellant sub 3] en anderen is in zoverre gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Indien het college in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zouden [appellant sub 3] en anderen niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de desbetreffende onderdelen van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat [appellant sub 3] en anderen geen eigenaars zijn van gronden in het exploitatiegebied en evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [appellant sub 3] en anderen die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de genoemde onderdelen van een exploitatieplan, kunnen zij evenmin worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Het beroep van [appellant sub 3] en anderen is in zoverre niet-ontvankelijk.

Het beroep van de Stichting

5. De Stichting betoogt dat onvoldoende rekening is gehouden met haar belang als exploitant van het baggermuseum. Zij wijst in dit verband op haar belang bij een solide verbinding van de tuin van haar museum tot de nieuwe ligplaats van de stoombaggermolen. Volgens haar is de aanleg van deze verbinding namens de raad toegezegd. De Stichting voert aan dat het plan weliswaar in de gewenste verbinding voorziet, maar dat onzeker is of het plan in zoverre kan worden uitgevoerd. De dubbelbestemming "Waterstaat-Waterkering" staat volgens haar aan de uitvoering van de loopbrug in de weg. Ook zijn er volgens haar nog enkele privaatrechtelijke kwesties die aan de uitvoering in de weg staan. De Stichting vreest voorts dat de nieuwe ligplaats voor de baggermolen niet geschikt zal zijn vanwege de golfslag die wordt veroorzaakt door het passerende scheepvaartverkeer.

5.1. De raad betwist niet dat hij de aanleg van een verbinding tussen het museum en de nieuwe ligplaats van de stoombaggermolen heeft toegezegd. Hij ontkent evenwel dat hij heeft toegezegd dat de verbinding in de door de stichting gewenste vorm zal worden uitgevoerd. Volgens de raad vindt over de precieze uitvoering van de verbinding regelmatig overleg plaats, waarbij afstemming plaatsvindt met het waterschap in verband met de veiligheidsnormen die gelden voor de waterkering. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat niet hoeft te worden gevreesd voor golfslag ter plaatse van de nieuwe ligplaats voor de baggermolen.

5.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder j, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - 2" tevens bestemd voor een looproute en activiteiten ten behoeve van het baggermuseum.

Ingevolge artikel 8, lid 8.2, van de planregels mogen op gronden die als "Verkeer-Verblijfsgebied" zijn bestemd bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, alsmede gebouwen in de vorm van een overdekte en van wanden voorziene loopbrug met lift.

Ingevolge artikel 11, lid 11.2, onder c, mag op gronden met de dubbelbestemming "Waterstaat-Waterkering", niet worden gebouwd. Ingevolge artikel 11, lid 11.3, kan het bevoegd gezag hiervan bij omgevingsvergunning afwijken, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning wint het college van burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering.

5.3. De Stichting exploiteert een museum in de panden aan de Molendijk 204 en 208 te Sliedrecht, die zij in eigendom heeft. Tot haar collectie behoort de historische stoombaggermolen "Friesland", die momenteel ligplaats heeft in de haven aan de Beneden Merwede. Als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen aan de westzijde van de locatie "Het Plaatje", zal de stoombaggermolen een andere ligplaats moeten krijgen. De beoogde nieuwe ligplaats bevindt zich ten westen van de als "Bedrijf" bestemde percelen. Het plan voorziet gelet op artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder j, en artikel 8, lid 8.2, van de planregels in een verbinding tussen het museum en de nieuwe ligplaats van de stoombaggermolen over gronden met de bestemming "Verkeer- en Verblijfsgebied" en de dubbelbestemming "Waterstaat-Waterkering" en gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - 2". De raad is voornemens om deze verbinding aan te leggen en heeft hier, naar hij ter zitting heeft toegelicht, ook een bedrag van € 200.000,- voor gereserveerd. Dat de verbinding er zal komen is niet onzeker, maar er is wel onzekerheid over de vormgeving van de verbinding omdat hierover tussen partijen nog discussie bestaat. Hoe de verbinding moet worden vormgegeven, is een kwestie van uitvoering die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Van belang is evenwel dat de door de Stichting gewenste vormgeving van de verbinding, een loopbrug voorzien van wanden en een overkapping, ook een optie is die door het plan mogelijk wordt gemaakt.

5.4. Dat de aanleg van de verbinding ter plaatse van de voor "Verkeer - Verblijfsgebied" en "Waterstaat - Waterkering" bestemde gronden niet bij recht mogelijk is gemaakt, maar eerst een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan dient te worden verleend, acht de Afdeling in dit geval niet onredelijk. In verband met de veiligheid van de waterkering is het van belang dat het waterschap over de vormgeving van de verbinding wordt geraadpleegd. De Stichting heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de privaatrechtelijke belemmeringen waar zij op heeft gewezen, niet binnen de planperiode zullen worden weggenomen.

5.5. Haar vrees voor golfslag door het passerende scheepvaartverkeer ter hoogte van de nieuwe ligplaats van de stoombaggermolen heeft de Stichting niet met een rapport of andere objectief verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Mocht desondanks daardoor golfslag optreden die schade aan de baggermolen kan veroorzaken, dan zullen maatregelen worden genomen die deze schade voorkomen, zo heeft de raad ter zitting te kennen gegeven.

5.6. Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de Stichting.

De beroepen van [appellant sub 2] en van [appellant sub 3] en anderen

Vooroverleg

6. [appellant sub 3] en anderen betogen dat geen vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) heeft plaatsgevonden. Met het toezenden van een ontwerp van het bestemmingsplan aan het waterschap Rivierenland, de VROM-inspectie regio Zuid-west en de provincie Zuid-Holland is volgens hen niet aan de overlegverplichting voldaan. Bovendien heeft het vooroverleg ten onrechte slechts betrekking gehad op het voorliggende plan en niet op het overkoepelende project "Shipping Valley", aldus [appellant sub 3] en anderen.

6.1. Ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

6.2. Volgens pagina 30 van de notitie inspraak en overleg, welke als bijlage bij het bestemmingsplan is gevoegd, is een voorontwerp van het bestemmingsplan voorgelegd aan onder meer de VROM-inspectie Regio Zuidwest, de provincie Zuid-Holland, Rijkswaterstaat, directie Zuid-Holland en waterschap Rivierenland. Zoals nader is toegelicht door de raad, is dit geschied door toezending van het voorontwerp. Alle genoemde diensten hebben een reactie gegeven. De reacties zijn ook in de notitie inspraak en overleg opgenomen. Anders dan [appellant sub 3] en anderen betogen, volgt uit artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro niet dat het toezenden van het voorontwerp niet voldoende is om als overleg te worden aangemerkt. Blijkens de artikelsgewijze toelichting uit de nota van toelichting wordt aan de praktijk overgelaten hoe het overleg wordt gevoerd. Artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro verplicht, anders dan [appellant sub 3] en anderen kennelijk veronderstellen, voorts slechts tot overleg over het aan de orde zijnde bestemmingsplan.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro.

Kennisgeving

7. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de omschrijving van de inhoud van het plan in de kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan in de Staatscourant van 15 juli 2010 ten aanzien van de westelijke plangrens incorrect is geweest. De omschrijving van de zakelijke inhoud van de kennisgeving is volgens hen voorts ontoereikend, nu daaruit onvoldoende blijkt welke nieuwe bedrijven in het plangebied mogen worden gevestigd, dat de woning ter plaatse van Baanhoek 24 wordt gesloopt, dat ter plaatse van de Baanhoek 38 een nieuwe woning wordt gerealiseerd en dat het plan in een uitbreiding van het baggermuseum voorziet. Verder kan uit de omschrijving volgens hen ten onrechte niet worden opgemaakt dat het plan onderdeel uitmaakt van het omvangrijke project Shipping Valley.

7.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro in samenhang met artikel 3:12 van de Awb, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging kennis van het ontwerp in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen en in de Staatscourant. Daarbij kan worden volstaan met het vermelden van de zakelijke inhoud.

7.2. In de Staatscourant van 15 juli 2010, nr. 11312, is kennisgeving gedaan van het ontwerp van het bestemmingsplan. In de kennisgeving staat vermeld:

"Het plangebied van het bestemmingsplan "Het Plaatje" bestaat uit het buitendijks gelegen industrieterrein Het Plaatje. Het terrein ligt op de noordelijke oever van de Merwede. In het oosten wordt het plangebied begrensd door het bedrijventerrein Kerkerak. De noordelijke grens wordt gevormd door de waterkering, de zuidelijke grens door de Beneden Merwede. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de te wijzigen geluidcontour.

Het bestemmingsplan "Het Plaatje" bevat een planologisch-juridische regeling voor het industrieterrein "Het Plaatje" en actualiseert het bestaande verouderderde bestemmingsplan Westwijk II 1969. Het plan bestemt de bestaande bedrijfsactiviteiten van IHC Sliedrecht BV, de vestiging van watergebonden bedrijven en een beperkte uitbreiding van de bebouwing van IHC. Verder voorziet het bestemmingsplan in de aanleg van een dok in de haven en wordt de zuidelijke landtong deels ingepolderd en vervolgens voorzien van een aanlegsteiger/kade. Tenslotte voorziet dit bestemmingsplan in een nieuwe ontsluiting aan de westzijde van het terrein die direct aansluit op de Deltalaan."

7.3. In de kennisgeving is het plangebied aangeduid, door de grenzen van dit gebied aan te geven. Het betoog van [appellant sub 3] en anderen dat de in de kennisgeving vermelde westelijke plangrens niet overeenstemt met de daadwerkelijke westelijke grens van het plangebied, mist feitelijke grondslag. Op de verbeelding is - overeenkomstig hetgeen in de kennisgeving is vermeld - te zien dat de met de aanduiding "geluidzone - industrie" weergegeven geluidzone tot aan de westelijke plangrens reikt. In de kennisgeving wordt verder een opsomming gegeven van de ontwikkelingen waarin het plan voorziet. [appellant sub 3] en anderen hebben voorts niet aannemelijk gemaakt, dat de door hen genoemde ontwikkelingen van dusdanig groot belang waren, dat zij in de omschrijving van de zakelijke inhoud hadden moeten worden opgenomen. Het vorenstaande in aanmerking genomen, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de kennisgeving in de Staatscourant de zakelijke inhoud van het plan weergeeft. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de kennisgeving niet voldoet aan het bepaalde in artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro in samenhang met artikel 3:12 van de Awb.

Plangrens

Baggermuseum

8. [appellant sub 3] en anderen richten zich tegen de plangrens door te stellen dat een deel van de beoogde uitbreiding van het baggermuseum ten onrechte niet in dit plan is voorzien.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen onlosmakelijke samenhang tussen het museum en de in het plan voorziene verbinding ten behoeve van het museum bestaat.

8.2. Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad in beginsel beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat [appellant sub 3] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een dusdanige samenhang met overige ontwikkelingen op het perceel waarop het museum is gevestigd dat dit perceel niet buiten het onderhavige plan mocht worden gelaten.

Baanhoek

9. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de locatie Baanhoek 75-81 ten onrechte niet in dit plan is opgenomen. Deze locatie is volgens hen namelijk onlosmakelijk verbonden met het plangebied, onder meer omdat deze locatie in de geluidzone van het in het plan opgenomen industrieterrein ligt.

9.1. De raad brengt naar voren dat in het bestemmingsplan voor de locatie Baanhoek 75-81, welke is vastgesteld vóór dit bestemmingsplan, rekening is gehouden met de in dit plan voorziene ontwikkelingen.

9.2. Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

De locatie Baanhoek 75-81 wordt omgeven door de gronden van het plangebied. Voor deze locatie is op 26 april 2011 het bestemmingsplan "Baanhoek 75-81" vastgesteld, waarin is voorzien in de ontwikkeling van een appartementencomplex aan de Baanhoek 77-81 en de uitbreiding van het bedrijfspand van Baan Hofman aan de Baanhoek 75 te Sliedrecht. Deze ontwikkelingen houden geen direct verband met de in dit plan voorziene ontwikkelingen zoals omschreven in r.o. 2, behoudens wat betreft de geluidzone. De locatie Baanhoek 75-81 komt als gevolg van de in dit plan voorziene uitbreiding in de geluidzone van het industrieterrein "Het Plaatje" te liggen. Omdat reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan Baanhoek 75-81 bekend was dat deze situatie zich zou voordoen, is - anticiperend op de uitbreiding van het industrieterrein - aan de locatie Baanhoek 75-81 de aanduiding "geluidzone-industrie" toegekend. Als gevolg daarvan is de locatie in een geluidzone rond een industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder komen te liggen. De in het bestemmingsplan Baanhoek 75-81 opgenomen bestemmingsregeling was ten tijde van de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan reeds onherroepelijk en geldt ook nog na inwerkingtreding van het voorliggende bestemmingsplan. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor een planbegrenzing waarbij de locatie Baanhoek 75-81 buiten het plangebied is gelaten.

Plantoelichting

10. [appellant sub 3] en anderen betogen dat een gedegen plantoelichting, zoals volgens hen vereist in artikel 3.1.6, eerste lid, van het Bro, ten onrechte ontbreekt. Zij wijzen daarbij in het bijzonder op de aspecten als vermeld onder a, b en e van dit artikellid. Verder wijzen zij op enkele onduidelijkheden en onjuistheden in de plantoelichting.

10.1. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Bro gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting waarin zijn neergelegd: een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen; een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding en een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken.

10.2. In hoofdstuk 5 van de plantoelichting wordt ingegaan op de achtergrond van de juridische regeling, waarbij de planvorm wordt verantwoord en wordt ingegaan op de verschillende toegekende bestemmingen. In paragraaf 4.13 is een waterparagraaf opgenomen, waarin de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding worden besproken. In paragraaf 6.2 van de plantoelichting is vermeld dat voor belanghebbenden en omwonenden een inspraakavond is georganiseerd en dat een ieder mondeling of schriftelijk een reactie op het ontwerpplan heeft kunnen geven. [appellant sub 3] en anderen hebben hun standpunt dat een gedegen toelichting op het plan ontbreekt niet nader onderbouwd, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat niet aan voornoemde onderdelen van artikel 3.1.6 van het Bro wordt voldaan.

Voor zover [appellant sub 3] en anderen zich richten tegen de tekst van de plantoelichting zelf, overweegt de Afdeling dat daartegen in beroep niet kan worden opgekomen. Deze toelichting is namelijk geen juridisch bindend onderdeel van het bestemmingsplan.

Beleid

11. [appellant sub 3] en anderen voeren aan dat het bestemmingsplan in strijd is met enkele uitgangspunten van de Nota Ruimte, de provinciale Structuurvisie en Verordening Ruimte. Daarnaast is het bestemmingsplan volgens hen niet in overeenstemming met de regionale Realisatiestrategie Ruimte van 19 maart 2008 en de transformatievisie Merwedezone die is vastgesteld op 8 mei 2009. Ook is het bestemmingsplan vastgesteld in strijd met de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid dat is verwoord in de structuurvisie van 27 februari 2006 en de nota parkeerbeleid uit 2008.

11.1. De raad verwijst naar hetgeen in hoofdstuk 3 van de plantoelichting is vermeld over het door [appellant sub 3] en anderen aangehaalde beleid en stelt zich op het standpunt dat het plan niet met dit beleid in strijd is.

11.2. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan rijks-, provinciaal of regionaal beleid gebonden. Wel dient het daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In hoofdstuk 3 van de plantoelichting wordt een beschouwing van het rijks-, provinciaal en regionaal beleid gegeven in het licht van de in het plan voorziene ontwikkelingen. Het is de Afdeling niet gebleken dat de raad daarbij van de verkeerde beleidsdocumenten is uitgegaan. Gelet hierop is aannemelijk dat de raad voornoemd beleid in de belangenafweging heeft betrokken.

11.3. Nu [appellant sub 3] en anderen hun betoog dat het bestemmingsplan in strijd is met de provinciale Verordening Ruimte niet met concrete gegevens hebben onderbouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met enig artikel van deze verordening.

11.4. In 2006 heeft de raad de Gemeentelijke structuurvisie "De wèreld tusse Wengerde en ’t waoter" vastgesteld. In deze structuurvisie is een besliskader gegeven voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente. Bedrijvigheid langs de rivier wordt volgens de structuurvisie als een kracht en een belangrijk kenmerk van de lokale economie beschouwd, die moet worden gekoesterd en waarvoor de ruimte moet worden geboden. In de structuurvisie staat dat dit inhoudt dat waar een locatie vrijkomt door vertrek of beëindiging van een bedrijf, deze locatie beschikbaar wordt gehouden voor een bedrijf dat vergelijkbare eisen aan haar vestigingsplaats stelt. Anders dan [appellant sub 3] en anderen veronderstellen, is hiermee niet onverenigbaar dat in een plan ook ruimte wordt geboden voor uitbreiding en nieuwvestiging van bedrijven. Gelet hierop en nu [appellant sub 3] en anderen niet hebben onderbouwd met welk onderdeel van de nota parkeerbeleid het bestemmingsplan niet in overeenstemming zou zijn, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid.

Milieueffectrapportage

12. [appellant sub 3] en anderen betogen dat voorafgaande aan dit bestemmingsplan ten onrechte geen milieueffectrapportage (hierna: mer) is opgesteld. Zij wijzen er in dit verband op dat het industrieterrein "Het Plaatje" grenst aan het industrieterrein "Kerkerak" en dat de in het plan voorziene ontwikkelingen onderdeel uitmaken van het veel grotere project Shipping Valley en betogen dat deze omstandigheden ten onrechte niet zijn betrokken in de toets aan de drempelwaarden als genoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit mer). Daarnaast bestaat er volgens hen een mer-plicht, omdat significante gevolgen voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied de Biesbosch moeten worden verwacht vanwege verontreiniging door de scheepvaart.

12.1. De raad brengt naar voren dat alleen met dit plan in nieuwe industrie wordt voorzien. Het aangrenzende bedrijventerrein is volgens de raad reeds met bedrijven ingevuld. Nu significante gevolgen op het Natura 2000-gebied de Biesbosch zijn uitgesloten, is geen passende beoordeling vereist en hoeft geen mer te worden verricht, aldus de raad.

12.2. Over het betoog dat een mer nodig was vanwege de omvang van het project, overweegt de Afdeling als volgt.

12.2.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Ingevolge het vierde lid worden ter zake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 van de Wet milieubeheer moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit mer) worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

De Afdeling stelt vast dat de activiteit als voorzien in dit plan, niet in onderdeel C van de bijlage voorkomt, zodat in ieder geval geen directe mer-plicht voor het plan geldt. Mogelijk geldt wel een mer-beoordelingsplicht. Ingevolge categorie 11.3, kolommen 1 en 2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer, dat ziet op activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de Wet milieubeheer van toepassing is, is als mer-beoordelingsplichtige activiteit aangewezen de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. In kolom 3 zijn als plannen onder meer aangewezen de plannen bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wro.

12.2.2. In het licht van het vorenstaande vat de Afdeling het betoog van [appellant sub 3] en anderen in zoverre aldus op, dat zij betogen dat ten onrechte geen mer-beoordeling is verricht. Vast staat dat het plan op zichzelf beschouwd de hiervoor genoemde drempelwaarde voor een mer-beoordelingsplicht van 75 hectare niet overschrijdt. Omdat het aangrenzende industrieterrein "Kerkerak" al volledig is ingevuld met bedrijvigheid, behoefde dit terrein, anders dan [appellant sub 3] en anderen stellen, niet in de toets aan de drempelwaarde te worden betrokken. Voorts is geenszins gebleken dat tussen de in het plan voorziene uitbreiding en het project "Shipping Valley" een dusdanig nauwe samenhang bestaat dat deze tezamen als één activiteit als bedoeld in het Besluit mer moesten worden aangemerkt.

12.2.3. Wat betreft het eerst ter zitting gevoerde betoog dat de voorziene ontwikkelingen onder categorie 4 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer vallen, overweegt de Afdeling dat in het plan niet is voorzien in de aanleg van een haven als bedoeld in categorie 4. Omdat het plan voorts niet voorziet in de aanleg, wijziging of uitbreiding van kustverdedigingswerken is, anders dan door [appellant sub 3] en anderen is gesteld, evenmin sprake van een activiteit die valt onder categorie 12 van onderdeel D van de bijlage.

12.3. Over het betoog dat een mer vereist was vanwege mogelijke significante gevolgen voor de Biesbosch, overweegt de Afdeling als volgt.

12.3.1. Ingevolge artikel 7.2a van de Wet milieubeheer wordt een milieueffectrapport gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998).

Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge artikel 19j, tweede lid, maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

12.3.2. In paragraaf 4.14 van de plantoelichting wordt geconcludeerd dat significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied de Biesbosch kunnen worden uitgesloten, nu het plangebied op ongeveer een kilometer afstand ligt. [appellant sub 3] en anderen hebben geen concrete gegevens aangevoerd op grond waarvan aan de juistheid van deze conclusie moet worden getwijfeld. Gelet hierop verplichtte artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 niet tot het opstellen van een passende beoordeling. Anders dan [appellant sub 3] en anderen betogen, verplichtte artikel 7.2a van de Wet milieubeheer derhalve niet tot het opstellen van een mer.

12.4. Het aangevoerde geeft ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte heeft nagelaten om voor dit plan een mer te verrichten.

Beeldkwaliteit

13. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de in het plan voorziene nieuwvestiging van bedrijven een verslechtering van de beeldkwaliteit met zich zullen brengen. Door plaatsing van nieuwe bedrijfsgebouwen en bouwwerken zal het aanzicht op het plangebied worden aangetast. Daarnaast wijzen zij op de negatieve effecten voor de beeldkwaliteit als gevolg van de in het plan voorziene verbinding tussen het Baggermuseum en de nieuwe ligplaats voor haar stoombaggermolen. Verder voeren [appellant sub 3] en anderen aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de cultuurhistorische bebouwing in en nabij het plangebied. [appellant sub 2] vreest daarnaast voor het verlies van rechtstreeks uitzicht op de Merwede vanuit zijn eigen woning aan de [locatie 1] te Sliedrecht.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen onaanvaardbare aantasting van de beeldkwaliteit zal optreden. In dit verband wijst hij erop dat het plangebied in het voorheen geldende bestemmingsplan ook voor bedrijfsdoeleinden was bestemd. Verder brengt de raad naar voren dat de nieuwbouw zal worden vormgegeven conform het document "Het Plaatje Sliedrecht. Quickscan kwaliteitsverbetering annex Beelkwaliteitsplan Het Plaatje". De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de verandering van het uitzicht van [appellant sub 2] geen strijd met een goede ruimtelijke ordening oplevert.

13.2. In paragraaf 2.3 van de plantoelichting staat vermeld dat het plangebied deel uitmaakt van de op de rivierdijk georiënteerde en historische bebouwingslinten Baanhoek en Molendijk. Door de veelal grotere en individuele bebouwing vormen de buitendijkse havengebieden een barrière in de beleving tussen het oude lint en de rivier. De beeldkwaliteitswaarde van bebouwing in de havengebieden is in het algemeen niet groot, aldus de plantoelichting. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende oog heeft gehad voor de cultuurhistorische bebouwing in de omgeving. De plantoelichting vervolgt door te vermelden dat de nieuwe bedrijfsgebouwen zodanig worden gepositioneerd, dat de impact daarvan zoveel mogelijk is beperkt. Uit de verbeelding volgt dat de nieuwe bedrijfsgebouwen ten zuiden van de dijk mogen worden opgericht, waardoor volgens de plantoelichting een deel van het zicht op de nieuwbouw wordt weggenomen. De bouwvlakken grenzen direct aan de nieuwe ontsluitingsweg ten zuiden van de dijk, zodat aan die zijde van de gebouwen geen ruimte voor opslag van materialen meer beschikbaar is. Hierdoor wordt volgens de plantoelichting een rommelige aanblik van het plangebied aanzienlijk verminderd. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat als gevolg van het plan geen onaanvaardbare aantasting van de beeldkwaliteit optreedt. Gelet op het voorgaande, en in aanmerking genomen dat in het algemeen geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht, heeft de raad het zicht van [appellant sub 2] na de planontwikkeling ook in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten.

13.3. Voor zover [appellant sub 3] en anderen in dit verband voorts nog betogen dat niet aan de welstandseisen wordt voldaan, overweegt de Afdeling dat dit betoog in deze procedure over het bestemmingsplan niet aan de orde kan komen.

Geluidzone

14. [appellant sub 3] en anderen betogen dat het plan onvoldoende duidelijkheid biedt over de voor het industrieterrein "Molendijk-Industrieweg" geldende geluidzone. In dit verband voeren zij aan dat ten onrechte slechts is voorzien in een gedeeltelijke wijziging van de geluidzone voor het industrieterrein "Molendijk-Industrieweg". Nu is volgens [appellant sub 3] en anderen onvoldoende duidelijk waar de grenzen van de geluidzone liggen. Verder brengen zij naar voren dat het zonebeheerplan ten onrechte geen onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het andere deel van de geluidzone voor het industrieterrein "Molendijk-Industrieweg" is vastgelegd in andere bestemmingsplannen. Verder stelt hij dat het wijzigen van het deel van de zonegrens aan de noordzijde van het industrieterrein geen verband houdt met de in het plan voorziene bedrijfsontwikkeling.

14.2. Rondom het industrieterrein "Molendijk-Industrieweg", waarvan de locatie "Het Plaatje" onderdeel uitmaakt, ligt een geluidzone. Het voorliggende plan voorziet in een wijziging van de westelijke grens van de geluidzone in verband met de in het plan voorziene nieuwvestiging van bedrijven. Anders dan [appellant sub 3] en anderen veronderstellen, nopen de in het plan voorziene ontwikkelingen niet tot wijziging van de noordelijke buitengrens van de geluidzone. De noordelijke grens van de geluidzone zal, naar ter zitting is toegelicht, worden gewijzigd in een afzonderlijk bestemmingsplan in verband met de autonome ontwikkeling van de bestaande bedrijvigheid op het andere deel van het industrieterrein "Molendijk-Industrieweg", het industrieterrein "Kerkerak".

14.3. De ligging van het bij dit plan gewijzigde deel van de geluidzone wordt op de verbeelding aangegeven door de aanduiding "geluidzone-industrie". Dit deel van de geluidzone sluit aan bij het deel van de geluidzone buiten het plangebied dat is vastgelegd in bestemmingsplannen die reeds in werking zijn getreden en onherroepelijk zijn. Het plan wijzigt dit laatstgenoemde deel van de geluidzone verder niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in haar uitspraak van 6 juli 2005 in zaak nr. 200408416/1 (www.raadvanstate.nl), verzet de Wet geluidhinder zich er niet tegen dat slechts de geluidzone in het bestemmingsplan wordt opgenomen voor zover deze in het plangebied ligt, zodat in dit geval kon worden volstaan met het opnemen van de geluidzone voor zover deze is gewijzigd. Onder voornoemde omstandigheden ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de rechtszekerheid zich hiertegen verzet.

14.4. Voor zover [appellant sub 3] en anderen betogen dat het zonebeheerplan als onderdeel van het bestemmingsplan had moeten worden vastgesteld, overweegt de Afdeling dat noch de Wro, noch de Wet geluidhinder, noch enige andere rechtsregel hiertoe verplicht.

Woon- en leefklimaat

Algemeen

15. [appellant sub 3] en anderen vrezen dat het woon- en leefklimaat van de omwonenden zal verslechteren als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen. In dit verband voeren zij aan dat niet wordt voldaan aan de luchtkwaliteitseisen zoals voorgeschreven in titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Daarnaast betogen [appellant sub 3] en anderen dat het onderzoek naar het aspect externe veiligheid onvoldoende is geweest omdat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg ten onrechte niet in het onderzoek is betrokken. Voorts stellen zij dat in het onderzoek ten aanzien van het bedrijf Dupont Nemours, gevestigd op een nabijgelegen industrieterrein, van onjuiste gegevens is uitgegaan.

15.1. Onder verwijzing naar het in het kader van de voorbereiding van het plan verrichte luchtkwaliteitsonderzoek stelt de raad zich op het standpunt dat de planontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de relevante concentraties stikstofdioxide en (NO2) en fijn stof (PM10). Op het onderzoek naar de externe veiligheid baseert de raad zijn standpunt dat de externe veiligheid niet aan het vaststellen van het bestemmingsplan in de weg stond.

15.2. In het kader van de voorbereiding van dit bestemmingsplan heeft de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid onderzoek gedaan naar de effecten van de in het plan voorziene ontwikkelingen op de luchtkwaliteit. Dit onderzoek is neergelegd in het rapport "Luchtkwaliteitonderzoek het Plaatje Sliedrecht" van 12 december 2011. In dit onderzoek is getoetst aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof (PM10). Gelet op de aard van de activiteiten die ter plaatse na de planontwikkeling kunnen plaatsvinden en de hoogte van de grenswaarden voor de andere stoffen waarvoor ingevolge titel 5.2 in grenswaarden is voorzien, heeft de raad uitgesloten kunnen achten dat de grenswaarden voor deze andere stoffen als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen zullen worden overschreden. Anders dan [appellant sub 3] en anderen betogen, bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit niet in redelijkheid tot de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof (PM10) had mogen worden beperkt.

Het onderzoek concludeert dat de in het plan voorziene ontwikkelingen niet in betekenende mate zullen bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide en fijn stof (PM10), als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer. [appellant sub 3] en anderen hebben niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist is. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat titel 5.2 van de Wet milieubeheer aan vaststelling van het plan in de weg stond.

15.3. In het kader van de voorbereiding van het plan heeft de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid tevens onderzoek verricht naar het aspect externe veiligheid. Dit onderzoek is neergelegd in het rapport "Onderzoek externe veiligheid bestemmingsplan het Plaatje" van 16 december 2011. In dit onderzoek is, anders dan [appellant sub 3] en anderen veronderstellen, aandacht besteed aan de risico’s, zowel vanwege risicovolle inrichtingen als vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen. De conclusie van het onderzoek is dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de planontwikkelingen. Gezien de bedrijven die ter plaatse mogen worden gevestigd, zal er geen relevant risico van vervoer van gevaarlijke stoffen zijn. Aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico wordt voldaan en de voorziene ontwikkelingen hebben niet of nauwelijks gevolgen voor de hoogte van het groepsrisico. [appellant sub 3] en anderen hebben verder niets aangevoerd op grond waarvan aan de juistheid van de conclusie van het onderzoek moet worden getwijfeld. Het bedrijf Dupont Nemours is niet in het onderzoek betrokken, naar ter zitting door de raad is toegelicht, omdat geconstateerd is dat het plangebied buiten de invloedssfeer van dit bedrijf ligt. [appellant sub 3] en anderen hebben niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat deze constatering onjuist is. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan vanwege het aspect externe veiligheid niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Uitbreiding van het industrieterrein

16. [appellant sub 3] en anderen vrezen dat de in het plan voorziene bedrijvigheid voor milieuhinder zal zorgen. Zij achten de ter plaatse toegestane milieucategorieën onverantwoord hoog, zeker nu de richtafstanden van de bedrijven tot aan de woonbebouwing niet worden gehaald. [appellant sub 3] en anderen vrezen in het bijzonder voor overlast van de emissie van vuil- en verfdeeltjes vanwege de bedrijfsactiviteiten van de nieuw te vestigen bedrijven.

16.1. De raad betwist de stelling dat de richtafstanden niet worden gehaald en stelt in dit verband dat [appellant sub 3] van de verkeerde richtafstanden uitgaat. Het gaat hier gelet op de aanwezigheid van bedrijven in de woonomgeving volgens de raad om een gemengd gebied, waarvoor andere richtafstanden gelden. Verder stelt de raad dat geen onaanvaardbare overlast van vuil- en verfdeeltjes voor omwonenden zal optreden.

16.2. De nieuw te vestigen bedrijven zijn voorzien in het westelijke gedeelte van het plangebied. Aan de gronden aldaar is de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" toegekend. Gelet op artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn ter plaatse bedrijfsactiviteiten uit ten hoogste categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "gezoneerd industrieterrein" toegestaan. Aan de meest westelijk gelegen gronden is de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" toegekend, waardoor gelet op artikel 3, lid 3.1, ter plaatse bedrijfsactiviteiten tot ten hoogste categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "gezoneerd industrieterrein" zijn toegestaan.

In de als bijlage bij de planregels gevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten "gezoneerd industrieterrein" zijn tussen de bedrijfspercelen en milieugevoelige functies aan te houden richtafstanden gegeven. De in deze Staat van Bedrijfsactiviteiten gegeven milieuzonering heeft betrekking op de aspecten geur, stof en gevaar, maar niet op het aspect geluid. Ten aanzien van het aspect geluid is het zonebeheerplan van belang. Voor bedrijvigheid met de milieucategorie 3.1 zijn in de Staat van Bedrijfsactiviteiten richtafstanden vermeld van 50 meter in een rustige woonwijk en 30 meter in een gemengd gebied. Voor bedrijvigheid met de milieucategorie 3.2 zijn richtafstanden vermeld van 100 meter tot een rustige woonwijk en 50 meter tot een gemengd gebied. Tussen partijen is in geschil welke richtafstanden in dit geval van toepassing zijn, nu zij van mening verschillen over het antwoord op de vraag of het gebied met milieugevoelige functies moet worden aangemerkt als gemengd gebied of een rustige woonwijk. Hieromtrent overweegt de Afdeling dat in het gebied naast woningen ook bedrijfsgebouwen aanwezig zijn. Gelet hierop heeft de raad er bij het toetsen aan de richtafstanden naar haar oordeel vanuit mogen gaan dat het om een gemengd gebied gaat. De Afdeling stelt vast dat ten aanzien van de nieuw te vestigen bedrijven aan de richtafstanden wordt voldaan. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen onaanvaardbare overlast van vuil- en verfdeeltjes voor omwonenden optreedt.

16.3. Naast de nieuwvestiging van bedrijven, voorziet het plan ook in uitbreiding van IHC, een categorie 4.1 bedrijf. Niet in geschil is dat de afstand tussen dit bedrijf en de dichtstbijzijnde woning, gelegen aan de noordzijde van het bedrijf, 40 meter bedraagt. Hiermee wordt, zoals [appellant sub 3] en anderen terecht stellen, niet aan de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten "gezoneerd industrieterrein" voorgeschreven richtafstand van 100 meter tot een gemengd gebied voldaan. Het betreft hier evenwel een situatie die reeds onder het voorheen geldende plan bestond. De uitbreiding van IHC is voorzien op het zuidelijke deel van haar terrein en in de haven, op ten minste 200 meter afstand van milieugevoelige functies. Onder deze omstandigheden heeft de raad geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen aan de belangen van de bewoner van de desbetreffende woning ten aanzien van zijn woon- en leefklimaat.

Nieuwe ontsluitingsweg

17. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen vrezen voor verkeersoverlast als gevolg van het verkeer dat gebruik maakt van de nieuwe ontsluitingsweg die de Baanhoek en de Deltalaan met het industrieterrein verbindt. [appellant sub 3] en anderen brengen daarbij naar voren dat de Baanhoek niet geschikt is voor de afwikkeling van vrachtverkeer dat afkomstig is van het industrieterrein.

17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat verkeersproblemen juist worden voorkomen door de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg. De toekomstige verkeersintensiteiten zijn voorts goed af te wikkelen via het bestaande wegennet, aldus de raad.

17.2. In het plan is voorzien in een nieuwe weg, die het industrieterrein met de Deltalaan zal verbinden. In het kader van het akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai van 12 december 2011 is berekend dat de extra verkeersintensiteit op de nieuwe ontsluitingsweg als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen in het worst case scenario 357 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. De Afdeling acht het niet waarschijnlijk dat, zoals [appellant sub 3] en anderen vrezen, het vrachtverkeer dat van de ontsluitingsweg gebruikt maakt, linksaf zal slaan richting de Baanhoek in plaats van rechtsaf richting de Deltalaan. Naar ter zitting door de raad is toegelicht, zal in het kader van de uitvoering van het plan bovendien een verkeersbesluit worden genomen, waardoor de Baanhoek zal worden afgesloten voor vrachtverkeer afkomstig van de nieuwe ontsluitingsweg.

In hetgeen [appellant sub 3] en anderen naar voren hebben gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de raad dat de verkeerstoename nog is af te wikkelen via het bestaande wegennet. De raad heeft er dan ook vanuit mogen gaan dat geen onaanvaardbare verkeersoverlast voor omwonenden zal ontstaan.

18. Voor zover [appellant sub 2] in dit verband nog aanvoert dat de raad bij de beoordeling van de verkeersoverlast ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat de maximumsnelheid op de bestaande wegen veelvuldig wordt overschreden, overweegt de Afdeling dat hiertoe voor de raad geen noodzaak bestond. Dit betreft namelijk een handhavingsaspect, dat in een bestemmingsplanprocedure niet aan de orde kan komen.

19. Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen erop wijzen dat de bebouwing aan de Baanhoek 24 zal moeten worden gesloopt ten behoeve van de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg voor het industrieterrein en dat dit overlast voor omwonenden met zich brengt, overweegt de Afdeling dat dit een uitvoeringsaspect is. Uitvoeringsaspecten kunnen niet aan de orde komen in een bestemmingsplanprocedure.

Scheepvaartverkeer

20. [appellant sub 3] en anderen betogen dat het extra scheepvaartverkeer dat na de in het plan voorziene uitbreiding op het industriële haventerrein zal afkomen, voor overlast zal zorgen, maar hebben nagelaten dit betoog nader te onderbouwen. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat als gevolg van dit scheepvaartverkeer onaanvaardbare overlast voor omwonenden zal ontstaan.

Baggermuseum

21. Voor zover [appellant sub 3] en anderen betogen dat de verbinding ten behoeve van het Baggermuseum onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van omwonenden, overweegt de Afdeling dat zij dit betoog van geen enkele onderbouwing hebben voorzien. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat de door [appellant sub 3] en anderen genoemde gevolgen intreden.

Archeologie

22. Voor zover [appellant sub 3] en anderen betogen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied, overweegt de Afdeling als volgt.

Uit paragraaf 4.15 van de plantoelichting volgt dat bij het onderzoek naar archeologische waarden in het plangebied de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zuid-Holland is betrokken. Volgens deze waardenkaart bestaat in het plangebied een kleine kans op het aantreffen van archeologische sporen. Gelet hierop en nu [appellant sub 3] en anderen hun betoog niet nader hebben onderbouwd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad nader onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied had moeten verrichten.

Recreatieve voorzieningen

23. Voor zover [appellant sub 3] en anderen betogen dat als gevolg van het plan ligplaatsen voor recreatieve vaartuigen verloren zullen gaan, overweegt de Afdeling dat aan een deel van het water aan de westzijde van het plangebied, langs de dijk aan de Baanhoek, de aanduiding "ligplaats" is toegekend. Ingevolge artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn ter plaatse van deze aanduiding ligplaatsen ten behoeve van pleziervaartuigen en bijbehorende voorzieningen zoals steigers toegestaan. Het betoog van [appellant sub 3] en anderen mist derhalve feitelijke grondslag.

Watertoets

24. [appellant sub 3] en anderen betogen dat er als gevolg van het plan negatieve effecten op het duurzame waterbeheer zullen optreden. Volgens hen is ten onrechte niet onderzocht welke invloed de nieuwe bedrijvigheid heeft op de kwaliteit van het water. Daarnaast vrezen zij voor effecten van het plan op de stabiliteit van de waterkering, mede als gevolg van het uitbaggeren van de havenkom. Voorts wijzen [appellant sub 3] en anderen erop dat als gevolg van het plan het waterbergend vermogen van het gebied afneemt. In dit verband wordt niet aan de compensatie-eis uit het beleid van het Waterschap voldaan, aldus [appellant sub 3] en anderen.

24.1. Onder verwijzing naar de plantoelichting en de daarin vermelde onderzoeken, stelt de raad zich op het standpunt dat niet voor negatieve effecten op het duurzame waterbeheer hoeft te worden gevreesd.

24.2. In paragraaf 4.13 van de plantoelichting is aandacht besteed aan de mogelijke effecten van de planontwikkelingen op het duurzame waterbeheer. In dit verband is in de eerste plaats ingegaan op het Europese, nationale, provinciale, waterschaps- en gemeentelijke beleid op dit punt. Verderop in de paragraaf wordt de situatie na de planontwikkeling geschetst:

"In de huidige havenkom wordt de bestaande kade aan de rivierzijde uitgebreid, waardoor op deze uitgebreide laaggelegen kade (3.500 m2) activiteiten mogelijk zijn. Langs de verlengde kade komt een steiger te liggen. In de havenkom komt een drijvend dok te liggen met bijbehorende steigers. Hiervoor is het noodzakelijk dat de havenkom wordt uitgebaggerd."

Uit de plantoelichting volgt voorts dat geen verslechtering van de waterkwaliteit als gevolg van de planontwikkeling zelf wordt verwacht. Er zullen volgens de plantoelichting maatregelen worden genomen om verontreiniging tijdens de uitvoering te voorkomen. Voor zover [appellant sub 3] en anderen vrezen voor verslechtering van de waterkwaliteit als gevolg van lozingen van de te vestigen bedrijven, overweegt de Afdeling dat nadere regulering van dergelijke lozingen plaatsvindt op basis van vergunningen krachtens de Waterwet.

Door middel van een geotechnische analyse, uitgevoerd door Fugro GeoServices BV, zijn de effecten van het plan op de waterkering en de stijghoogte en kwel binnendijks onderzocht. De analyse is neergelegd in het rapport "Geotechnische analyses haventje Het Plaatje te Sliedrecht" van 15 november 2011. In het rapport wordt geconcludeerd dat de planontwikkeling geen negatief effect heeft op de stabiliteit van de waterkering en dat het effect op de stijghoogte en kwel binnendijks verwaarloosbaar klein is.

Naar de rivierkundige effecten van de in het plan voorziene ontwikkelingen, waaronder de effecten op het waterbergend vermogen, is in opdracht van de raad onderzoek gedaan door Royal Haskoning. Dit onderzoek is neergelegd in het rapport "Rivierkundige effecten voorgenomen ingrepen haven ’t Plaatje te Sliedrecht" van 12 april 2010. Uit het onderzoek volgt dat de hydraulische effecten ten gevolge van de planontwikkeling gering zijn. Ondanks het feit dat het waterbergend vermogen van de haven formeel afneemt met 1.200 m2, blijkt uit het onderzoek dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterstand. Op de meeste plaatsen in en rond de haven is, zelfs bij doorgerekende extreme omstandigheden, sprake van een waterstanddaling.

24.3. [appellant sub 3] hebben niet met een tegenrapport of andere objectief verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de bovenvermelde onderzoeksresultaten omtrent het waterbeheer onjuist zijn. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet hoeft te worden gevreesd voor negatieve effecten op het duurzame waterbeheer als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen.

Uitvoerbaarheid plan

Flora- en fauna

25. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de herontwikkeling van het plangebied zal leiden tot een aantasting van beschermde dier- en plantensoorten. Zeker voor de nesten van kraaiachtigen en spechten vormt het plan een bedreiging, aldus [appellant sub 3] en anderen.

25.1. De raad erkent dat de herontwikkeling voor een aantal beschermde soorten gevolgen met zich kan brengen. Het plan blijft volgens de raad desondanks uitvoerbaar, omdat voor deze soorten een vrijstelling van de verboden van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) geldt of een ontheffing van deze verboden kan worden verleend.

25.2. De vraag of een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komt in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. De beroepsgronden die [appellant sub 3] en anderen hieromtrent hebben aangevoerd, kunnen hier dan ook niet worden besproken. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In dit verband overweegt de Afdeling dat de raad in het kader van de voorbereiding van het plan onderzoek heeft gedaan naar de aanwezigheid van beschermde flora- en fauna aan de hand van algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen. Op basis van dit onderzoek, dat is neergelegd in paragraaf 4.14 van de plantoelichting, wordt geconcludeerd dat voor een aantal soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Ffw geldt. Voor een aantal vogels zal ontheffing van de verbodsbepalingen worden aangevraagd. [appellant sub 3] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze ontheffing niet kan worden verleend. De raad heeft aanvullend onderzoek laten uitvoeren naar de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen en vissen door Adviesbureau Mertens BV, welk onderzoek is neergelegd in het rapport "Vleermuizen en vissen in het plangebied en directe omgeving van bestemmingsplan Het Plaatje te Sliedrecht" van september 2009. Uit dit onderzoek volgt dat geen beschermde vissen voorkomen in het plangebied en dat het plangebied geen vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen biedt.

25.3. [appellant sub 3] en anderen hebben geen tegenrapport of andere objectief verifieerbare gegevens naar voren gebracht, op grond waarvan moet worden getwijfeld aan voormelde onderzoeksresultaten. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Bodemverontreiniging

26. [appellant sub 3] en anderen twijfelen voorts aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan vanwege de bodemkwaliteit van de gronden in het plangebied. Zij betogen dat de raad er niet zonder meer vanuit heeft mogen gaan dat de bodemkwaliteit voldoende is voor het beoogde gebruik nu de gronden meer dan tien jaar geleden zijn gesaneerd. Volgens [appellant sub 3] en anderen had de raad nieuw onderzoek naar de bodemkwaliteit dienen te verrichten.

26.1. Onder verwijzing naar paragraaf 4.12 van de plantoelichting stelt de raad zich op het standpunt dat het aspect van de bodemkwaliteit niet aan de uitvoering van het bestemmingsplan in de weg staat.

26.2. Zoals is toegelicht in paragraaf 4.12 van de plantoelichting, volgt uit gegevens van het Bodemloket dat in 1999 een bodemsanering heeft plaatsgevonden. In deze paragraaf staat verder dat nadien ter plaatse geen bodemverontreinigende activiteiten hebben plaatsgevonden. [appellant sub 3] en anderen hebben geen concrete gegevens aangevoerd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van deze bevinding. Gelet hierop heeft de raad nader onderzoek naar de bodemkwaliteit van de gronden in het plangebied niet noodzakelijk hoeven achten en heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten aanzien van de bodemkwaliteit niet aan de uitvoerbaarheid van het plan behoeft te worden getwijfeld.

Financiële uitvoerbaarheid

27. [appellant sub 3] en anderen betwijfelen of het plan nog uitvoerbaar is vanwege de aanhoudende economische crisis. In het bijzonder vrezen zij dat de ontwikkelaar van het plangebied, de Regionale OntwikkelingsMaatschappij Drechtsteden, de kosten van de ontwikkeling hierdoor niet zal kunnen opbrengen.

27.1. Volgens de raad behoeft niet te worden getwijfeld aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan. In dit verband brengt hij naar voren dat drie bedrijven interesse hebben in vestiging in het plangebied en dat deze bedrijven in dit verband reeds intentieverklaringen hebben ondertekend.

27.2. Gelet op hetgeen in paragraaf 6.1 over de financiële uitvoerbaarheid van het plan is vermeld en nu [appellant sub 3] en anderen hun beroepsgrond niet met objectief verifieerbare gegevens hebben onderbouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan financieel uitvoerbaar is.

Conclusie

28. In hetgeen de Stichting, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen, voor zover ontvankelijk, zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

29. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Reno Sliedrecht Onroerend Goed B.V., [appellant sub 3] en anderen, niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Reno Sliedrecht Onroerend Goed B.V. en voor zover het is gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan;

II. verklaart de beroepen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Binnema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

589.