Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7548

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201208609/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "De Hoogt III" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201208609/1/R3.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Loon op Zand,

2. [appellant sub 2], wonend te Loon op Zand,

en

de raad van de gemeente Loon op Zand,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "De Hoogt III" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid E.B.M. Beleggingsmaatschappij B.V. een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2013, waar [appellant sub 2], [appellant sub 1], bijgestaan door mr. S.N. Altuntas, en de raad, vertegenwoordigd door J.W.P. Hooning, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. [appellant sub 2] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals dit luidde ten tijde van belang, en artikel 6:13 van de Awb kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 2] is dan ook niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk

2. Het plan voorziet in een uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein "De Hoogt" aan de westelijke rand van de kern Loon op Zand. Het plangebied ligt tussen twee bestaande delen van het bedrijventerrein en de provinciale weg N261 (Tilburg-Waalwijk).

3. Ter zitting heeft [appellant sub 1] zijn beroepsgrond dat het plan vestiging van detailhandel ten onrechte niet uitsluit, ingetrokken.

4. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen het plan, voor zover niet is voorzien in een tweede ontsluiting. Hij betoogt dat met het plan de ontsluitingsmogelijkheden van het bedrijventerrein verslechteren, terwijl dat in omvang toeneemt. Ten onrechte is niet aangegeven waarom een tweede ontsluiting slechts wenselijk en niet noodzakelijk is. [appellant sub 1] voert aan dat het plan ten onrechte een wijziging inhoudt ten opzichte van de in het bestemmingsplan "De Hoogt II" opgenomen wijzigingsbevoegdheid, waarin de voorwaarde is opgenomen dat het terrein bij wijziging van de als "Gebied met wijzigingsbevoegdheid" aangeduide gronden in de bestemming "Bedijfsdoeleinden" en "Verkeersdoeleinden" door middel van een tweede ontsluitingsweg op de Hoge Steenweg wordt ontsloten.

Voorts wijst [appellant sub 1] erop dat het plan door slechts één ontsluitingsmogelijkheid te bieden een onveilige situatie creëert voor de brandweer die ook op het bedrijventerrein is gevestigd. Hij vreest dat de brandweer, ingeval zich een blokkade van die ontsluiting voordoet, niet zal kunnen uitrukken.

4.1. De raad heeft het aanvaardbaar geacht het bedrijventerrein uit te breiden zonder direct te voorzien in een extra ontsluiting. Het plan voorziet in een geringe uitbreiding van het bedrijventerrein en dat de tweede ontsluiting zal worden gerealiseerd gelijktijdig met of kort na de ombouw van de N261 en de aanleg van een aansluiting daarop. Voorts ziet de raad niet in dat de relatief geringe uitbreiding van het bedrijventerrein de verkeersveiligheid en de hulpverlening door de brandweer negatief zal beïnvloeden.

4.2. Op het plangebied rust grotendeels de bestemming "Bedrijventerrein".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de als "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven in categorie 2 tot en met 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van Bevi-plichtige inrichtingen.

4.3. De Afdeling stelt vast dat het bestaande bedrijventerrein ongeveer 6 ha beslaat en dat het plan voorziet in een uitbreiding hiervan met ongeveer 1 ha. In de huidige situatie is er één ontsluiting voor het bedrijventerrein, te weten via de Hoge Steenweg ter hoogte van De Hoogt. Uit artikel 10 van het bestemmingsplan "De Hoogt II" volgt dat, voor zover thans van belang, bij wijziging van gronden aangeduid als "Gebied met wijzigingsbevoegdheid" in de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" het terrein door middel van een tweede ontsluitingsweg op de Hoge Steenweg moet worden ontsloten. Van deze wijzigingsbevoegdheid is echter geen gebruik gemaakt. De raad heeft voor deze gronden een nieuw bestemmingsplan vastgesteld zonder een tweede ontsluiting. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, houdt het plan dan ook geen wijziging op grond van de in het bestemmingsplan "De Hoogt II" opgenomen wijzigingsbevoegdheid in.

De raad heeft aangegeven dat in verband met de ombouw van de N261 en het in zuidelijke richting verplaatsen van de aansluiting van die weg op de kern van Loon op Zand de verkeersstructuur in Loon op Zand moet worden aangepast. Met deze aanpassing hangt samen de aanleg van een tweede, meer zuidelijk gelegen, ontsluiting van het bedrijventerrein via de Bergstraat en de Heideweg. De raad heeft aangegeven dat de mogelijke aanleg van een tweede ontsluiting in een afzonderlijke planologische procedure zal worden geregeld en gelijktijdig maar in ieder geval zo spoedig mogelijk na de ombouw van de N261 zal worden gerealiseerd. Tot dat moment bestaat er voor het bedrijventerrein één ontsluiting. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat deze omstandigheid, nu het plan voorziet in een relatief kleine uitbreiding van het bedrijventerrein, niet leidt tot een onaanvaardbare verkeerskundige situatie.

Over het betoog van [appellant sub 1] dat het bestaan van één ontsluitingsmogelijkheid een onveilige situatie creëert voor de brandweer die ook op het bedrijventerrein is gevestigd, overweegt de Afdeling dat uit de toelichting op het plan blijkt dat onderzoek is gedaan naar de ontsluiting bij calamiteiten waarbij de brandweer moet uitrukken. Daaruit is af te leiden dat hulpverlening, behalve over de ontsluiting via de Hoge Steenweg ter hoogte van De Hoogt, zowel over het perceel Hoge Steenweg 85 als, na het zo nodig geschikt maken daarvan voor zwaar materieel, over het Lijkpad kan plaatsvinden. [appellant sub 1] wordt dan ook niet gevolgd in zijn betoog dat het plan de verkeersveiligheid en de hulpverlening door de brandweer in negatieve zin beïnvloedt.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat het plan op een relatief kleine uitbreiding van ongeveer 1 ha op het bedrijventerrein van ongeveer 6 ha ziet, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat het feit dat tijdelijk slechts sprake is van één ontsluiting voor het bedrijventerrein geen onaanvaardbare verkeerssituatie oplevert, niet onredelijk.

5. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Ramrattansing

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

459-408.