Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7547

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201205830/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Honselerdijk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201205830/1/R4.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, wonend te Honselersdijk, gemeente Westland,

2. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Honselersdijk, gemeente Westland,

en

de raad van de gemeente Westland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Honselerdijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2013, waar [appellant sub 2], bij monde van [appellant sub 2 B], en de raad, vertegenwoordigd door E.J. den Hollander, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan heeft betrekking op het woongebied van Honselersdijk. Het plan voorziet - voor zover hier van belang - op het perceel op de hoek van de Endeldijk, de Burgemeester Hoogenboomstraat en de Van Poeljestraat in de bouw van 30 appartementen.

Ontvankelijkheid

2. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat luidde ten tijde van belang en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Geen rechtvaardiging is gelegen in de door [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] gestelde omstandigheid dat zij, na bezwaar te hebben gemaakt tegen de omgevingsvergunning betreffende de locatie, de kennisgeving van het ontwerpplan hebben gemist.

Het beroep is derhalve slechts ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de wijzigingen die ten opzichte van het ontwerpplan zijn aangebracht, waarbij het aannemelijk is dat [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hierdoor in een ongunstiger positie zijn geraakt. Deze wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan omvatten, voor zover hier van belang:

- de maximaal toegestane bouwhoogte binnen het maatvoeringsvlak is verhoogd van 18 meter naar 18,5 meter;

- de maximaal toegestane bouwhoogte buiten het maatvoeringsvlak is verhoogd van 15 meter naar 15,5 meter;

- het bouwvlak is met 3,5 meter verbreed.

Hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd inzake de economische uitvoerbaarheid, de strijd met het bestaande bestemmingsplan en de overlegreactie van het Stadsgewest Haaglanden zien niet op de hiervoor beschreven wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan en moeten derhalve buiten beschouwing blijven.

Procedureel

3. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de ingediende zienswijzen niet hebben geleid tot wijzigingen in het plan. Verder heeft de raad ten onrechte niet opnieuw de wettelijke procedure doorlopen na het aanbrengen van een aantal wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan. Volgens [appellant sub 2] is door de gewijzigde vaststelling van het plan een extra bouwlaag mogelijk geworden.

3.1. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de door anderen ingediende zienswijzen niet tot wijzigingen in het plan hebben geleid, overweegt de Afdeling dat noch uit de Awb noch uit de Wro volgt dat de raad gehouden is een zienswijze te volgen en het ontwerpplan overeenkomstig de zienswijze te wijzigen.

Het betoog faalt.

3.2. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dat het plan bij de vaststelling zodanige wijzigingen heeft ondergaan dat de in de Wro vervatte procedure opnieuw had moeten worden gevolgd, faalt eveneens. De raad kan bij de vaststelling van het besluit wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp daarvan. Slechts indien een plan bij de vaststelling zodanig wordt gewijzigd dat sprake is van een wezenlijk ander plan, dient genoemde procedure opnieuw gevolgd te worden. Uit het vaststellingsbesluit volgt dat ambtshalve en naar aanleiding van ingediende zienswijzen in de verbeelding en de planregels enkele wijzigingen zijn aangebracht, welke, voor zover relevant, zijn weergegeven onder 2. Deze wijzigingen betreffen ondergeschikte wijzigingen die geen aanleiding geven voor het oordeel dat sprake is van een wezenlijk ander plan ten opzichte van het ontwerpplan. Het betoog faalt.

Inhoudelijk

4. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] stellen dat het appartementencomplex niet past binnen het straatbeeld en de historische achtergrond van de Endeldijk-Mariëndijk.

Voorts betogen zij dat de raad de belangen van omwonenden onvoldoende heeft betrokken bij de belangenafweging, nu er geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd door het voorziene complex. Zij wijzen hierbij op de afname van de bezonning op hun percelen. Ook menen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dat zij schade lijden door het voorziene complex, nu de waarde van hun woningen zal dalen.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Endeldijk-Mariëndijk een geringe bouwhistorische waarde heeft door diverse bouwkundige ingrepen in het verleden, waaronder nieuwbouw op braakliggende percelen. Ook is de Endeldijk-Mariëndijk niet aangewezen als een beschermenswaardig gebied in het Beeldkwaliteitsplan Honselersdijk. Volgens de raad zorgt het onderhavige plan voor een overgang tussen de bestaande bebouwing aan de Endeldijk-Mariëndijk en de nieuwbouw aan de rand van het dorp Honselersdijk. De raad betoogt voorts dat voor de vaststelling van het plan een stedenbouwkundige afweging heeft plaatsgevonden, waarbij de raad van oordeel is dat het appartementencomplex past binnen de omgeving.

Volgens de raad zijn de belangen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] voldoende betrokken in de belangenafweging. Uit het verrichte bezonningsonderzoek blijkt volgens de raad dat het voorziene appartementencomplex geen gevolgen heeft voor de bezonning op de percelen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2]. De raad betwist voorts dat er sprake is van schade bij [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2].

4.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op reeds aanwezige nieuwbouw en gelet op het feit dat het gebied Endeldijk-Mariëndijk niet is aangewezen als beschermenswaardig gebied, het appartementencomplex, ook na de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan, past binnen de omgeving.

Het betoog faalt

4.3. De uitgevoerde bezonningstudie toont aan dat de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan geen gevolgen hebben voor de bezonning op de percelen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2]. Zij hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat de resultaten van de studie of de uitgangspunten die ten grondslag lagen aan het onderzoek onjuist zijn. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gewijzigde plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de bezonning op de percelen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2].

Wat de eventuele nadelige invloed van de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan op de waarde van de woonhuizen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betreft, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad hieraan in deze procedure in redelijkheid een groot gewicht had moeten toekennen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad aan de belangen van omwonenden onvoldoende gewicht heeft toegekend. Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

5. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling, mede gelet op de beperkte wijzigingen waarop de beroepen betrekking kunnen hebben, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

6. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen, voor zover deze zijn gericht tegen de planonderdelen die niet bij de vaststelling van het plan zijn gewijzigd, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Postma

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

539-767.