Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7540

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201203533/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2011 heeft het dagelijks bestuur aan Ymere G&PO ontheffing en reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw, gezondheidscentrum en ondergrondse parkeergarage aan de percelen Vrolikstraat 181-193 en Derde Oosterparkstraat 4-14 te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201203533/1/A1.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2012 in zaak nr. 11/5276 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2011 heeft het dagelijks bestuur aan Ymere G&PO ontheffing en reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw, gezondheidscentrum en ondergrondse parkeergarage aan de percelen Vrolikstraat 181-193 en Derde Oosterparkstraat 4-14 te Amsterdam.

Bij uitspraak van 29 maart 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak

is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2013, waar [appellant], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. S.F.M. Heijsen en G.J.H. van Amerongen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Ymere, vertegenwoordigd door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hiertoe voert hij aan dat hij tijdig beroep heeft ingesteld, door vóór afloop van de beroepstermijn het beroepschrift per fax toe te sturen. Voorts voert [appellant] aan dat een mogelijke termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, omdat hij geen exemplaar van het besluit van 19 september 2011 heeft ontvangen en het op internet gepubliceerde besluit voor hem niet toegankelijk is.

1.1. De met ontheffing verleende bouwvergunning is op 19 september 2011 bekendgemaakt door het dagelijks bestuur. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aangevangen op 20 september 2011 en, gelet op artikel 6:7 van de Awb, geëindigd op 31 oktober 2011. Het staat vast dat [appellant] op 1 november 2011 een beroepschrift ter griffie van de rechtbank Amsterdam heeft bezorgd. Nu [appellant] niet met stukken onderbouwd heeft weerlegd dat hij tijdig, per faxbericht, beroep heeft ingesteld, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het beroepschrift is ontvangen buiten de in artikel 6:7 van de Awb vermelde termijn van zes weken. Het betoog faalt in zoverre.

1.2. De rechtbank heeft, mede gezien hetgeen is overwogen onder 1.1, voorts terecht overwogen dat van omstandigheden als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb op grond waarvan het niet tijdig indienen van het beroepschrift van [appellant] verschoonbaar moet worden geacht, niet is gebleken. Dat het dagelijks bestuur [appellant] geen exemplaar van het besluit van 19 september 2011 heeft toegezonden als bedoeld in de artikelen 3:43, eerste lid, en 3:44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, leidt niet tot een ander oordeel. Vast staat dat het dagelijks bestuur op 28 september 2011 de bekendmaking van het besluit van 19 september 2011 heeft gepubliceerd in het stadsblad en de stadsdeelkrant. Niet gebleken is dat [appellant] niet van de publicatie op de hoogte was dan wel dat die publicatie onvoldoende was. Hij kon derhalve tijdig, voor het einde van de beroepstermijn, beroep instellen. Dat de kennisgeving via internet niet voor [appellant] toegankelijk was, leidt niet tot een ander oordeel, nu het dagelijks bestuur ingevolge de vereisten van artikel 3:12, eerste lid, van de Awb op geschikte wijze kennis heeft gegeven van het besluit.

Het betoog faalt.

2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

374-771.