Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7533

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201111026/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2009 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen om vaststelling van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor de inrichting van Timmer- en Trappenfabriek VIOS B.V. (hierna: VIOS) aan het Hoogeind 70 te Driebruggen, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Activiteitenbesluit milieubeheer
Activiteitenbesluit milieubeheer 2.17
Activiteitenbesluit milieubeheer 2.20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/475
JOM 2013/399

Uitspraak

201111026/1/A4.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellante B] en [appellant C] (hierna: [appellant] en anderen), allen wonend te Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 september 2011 in zaak nr. AWB 11/186 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk, voorheen: het college van burgemeester en wethouders van Reeuwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2009 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen om vaststelling van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor de inrichting van Timmer- en Trappenfabriek VIOS B.V. (hierna: VIOS) aan het Hoogeind 70 te Driebruggen, afgewezen.

Bij besluit van 12 november 2010 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 september 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2013, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. G.G.M. Johannes, en het college, vertegenwoordigd door drs. E.M. Herben en ing. S. Haghighat, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst Midden-Holland, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen afzien van het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Volgens hen is het karakter van de omgeving van de inrichting zodanig dat daaraan meer bescherming tegen geluidhinder toe dient te komen dan wordt geboden met de grenswaarden in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit verband wijzen zij er op dat de Afdeling bij uitspraak van 24 mei 1995 in zaak nr. E03.94.0405 voorschriften met lagere grenswaarden dan thans gelden op grond van artikel 2.17 heeft verbonden aan een voor de inrichting op 18 januari 1994 krachtens de Hinderwet verleende vergunning. [appellant] en anderen voeren voorts, onder verwijzing naar een in opdracht van VIOS opgesteld akoestisch rapport van Peutz van 6 mei 2009, aan dat de inrichting de geluidruimte die de grenswaarden in artikel 2.17 bieden met de huidige bedrijfsvoering niet nodig heeft. Verder voeren zij aan dat het college voor andere bedrijven in de omgeving wel maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer heeft vastgesteld.

1.1. Ingevolge artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag, in afwijking van de waarden, bedoeld in artikel 2.17, bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau vaststellen.

Ingevolge het vijfde lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen teneinde aan geldende geluidnormen te voldoen.

1.2. Het college komt beleidsvrijheid toe bij de beantwoording van de vraag of het gebruik zal maken van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen en dient daarbij een belangenafweging te maken.

1.3. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het stellen van maatwerkvoorschriften niet noodzakelijk is. Dat de omgeving van de inrichting, ook volgens het college, als een rustige omgeving met een laag referentieniveau kan worden aangemerkt, brengt niet mee dat het college gehouden was gebruik te maken van de bevoegdheid om bij maatwerkvoorschrift lagere geluidgrenswaarden te stellen dan de grenswaarden in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet een bijzonder geval oplevert dat noopt tot een afwijking van de algemene regels in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de inrichting met de huidige bedrijfsvoering mogelijk niet de volledige geluidruimte nodig heeft die de in artikel 2.17 opgenomen grenswaarden bieden. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat met toepassing van artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer middelvoorschriften gesteld hadden moeten worden, overweegt de Afdeling dat niet in geschil is dat de inrichting kan voldoen aan de grenswaarden in artikel 2.17, zodat geen noodzaak bestond om voorzieningen of gedragsregels voor te schrijven teneinde aan die waarden te voldoen. Het college heeft verder toegelicht dat de situatie van de inrichting verschilt van de situatie van de door [appellant] en anderen genoemde bedrijven waarvoor wel maatwerkvoorschriften zijn gesteld. Het betreft volgens het college andersoortige bedrijven, die tot voor kort nog vergunningplichtig waren en waarover veel klachten bij de gemeente zijn binnengekomen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door voor de inrichting geen maatwerkvoorschriften te stellen.

2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. T.C. van Sloten en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

462.