Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7532

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201300513/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 27 december 2012, in zaak nr. 201106777/1/R4 (www.raadvanstate.nl), heeft de Afdeling onder meer het beroep van [verzoekster] tegen het besluit van 31 maart 2011 waarbij de raad het bestemmingsplan "Vlinderstrik", voor zover betrekking hebbend op het grondgebied van de gemeente Lansingerland, heeft vastgesteld, ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201300513/1/R4.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoekster], wonend te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,

verzoekster,

om herziening (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2012, in zaak nr. 201106777/1/R4.

Procesverloop

Bij uitspraak van 27 december 2012, in zaak nr. 201106777/1/R4 (www.raadvanstate.nl), heeft de Afdeling onder meer het beroep van [verzoekster] tegen het besluit van 31 maart 2011 waarbij de raad het bestemmingsplan "Vlinderstrik", voor zover betrekking hebbend op het grondgebied van de gemeente Lansingerland, heeft vastgesteld, ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2013, heeft [verzoekster] de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 maart 2013, waar [verzoekster] en de raad, vertegenwoordigd door mr. B. Nikerk, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3. [verzoekster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat het lijkt alsof de Afdeling het Regionaal Groenblauw Structuurplan 2 en het streek- en structuurplan Regionaal Plan Rotterdam 2020 van nul en generlei waarde acht.

Voorts heeft [verzoekster] aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat in de uitspraak is miskend dat de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) aan de vaststelling van het plan in de weg staat, aangezien de geluidoverlast, die nu al de bovengrens van de Wgh overschrijdt, in totaliteit onaanvaardbaar zal toenemen. Ook is volgens [verzoekster] miskend dat het recreatief concentratiepunt wel degelijk een onevenredige aantasting van haar woon- en leefklimaat zal opleveren, en dat de gekozen situering van het recreatief concentratiepunt niet zwaarder mag wegen dan de belangen van direct omwonenden bij een andere situering, nu zij reeds te maken hebben met bovenwettelijke geluidoverlast, die alleen maar erger zal worden. Hiertoe voert [verzoekster] aan dat het in de uitspraak aangehaalde akoestisch rapport "Akoestisch onderzoek Bestemmingsplan Vlinderstrik Reconstructieonderzoek Landscheiding" van dS+V van 24 december 2008 (hierna: het akoestisch rapport), waarop de raad zich heeft gebaseerd, uitsluitend geluidhinder vanwege de Landscheidingsweg betreft en niet de in het beroepschrift tevens genoemde geluidhinder vanwege het recreatief concentratiepunt met bijbehorende 136 parkeerplaatsen. Verder voert [verzoekster] aan dat in de uitspraak voorbij wordt gegaan aan haar betoog dat het recreatief concentratiepunt een "ander geluidsgevoelig gebouw" of "geluidsgevoelig terrein" in de zin van artikel 1 van de Wet geluidhinder is. Voorts betoogt [verzoekster] dat de in de uitspraak weergegeven stelling van de raad dat het autoverkeer via een nieuwe aansluiting naar de Landscheiding wordt geleid, niet juist kan zijn.

Verder voert [verzoekster] aan dat in de uitspraak standpunten van de raad worden vermeld die de raad niet ter zitting of in het verweerschrift naar voren heeft gebracht. Op grond hiervan vraagt zij zich af of de Afdeling na de zitting de raad nog heeft gehoord dan wel de situatie ter plaatse met de raad heeft opgenomen, in welk geval het beginsel van hoor en wederhoor zou zijn geschonden.

3.1. De Afdeling stelt voorop dat bij de beoordeling van een verzoek om herziening uitsluitend wordt bezien of sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Het belang van een goede procesorde en het bijzondere karakter van het rechtsmiddel herziening brengen met zich dat bij de beslissing om een verzoek om herziening slechts rekening wordt gehouden met nader gebleken feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden voor de uitspraak en die de verzoeker in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, redelijkerwijs niet naar voren heeft kunnen brengen. Het rechtsmiddel herziening is niet gegeven om een partij de gelegenheid te bieden het debat te heropenen, nadat is gebleken dat eerder aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.

3.2. Hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd zijn geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Daarbij overweegt de Afdeling ten aanzien van hetgeen [verzoekster] ter zitting in het bijzonder naar voren heeft gebracht over een nieuwe aansluiting naar de Landscheiding, dat deze aansluiting op pagina 7 van het akoestisch rapport en pagina 22 van de zienswijzennota wordt genoemd, zodat het door [verzoekster] naar voren gebrachte geen omstandigheid betreft die bij haar vóór de uitspraak redelijkerwijs niet bekend kon zijn. Het bijzondere rechtsmiddel van herziening strekt er niet toe de juistheid van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht anders dan naar aanleiding van zodanige feiten of omstandigheden aan de orde te stellen.

4. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

271.