Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7529

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201111092/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 september 2011 heeft het college vastgesteld dat zich op het perceel [locatie] te [plaats] een geval van ernstige verontreiniging voordoet, waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 29
Wet bodembescherming 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/400

Uitspraak

201111092/1/A4.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2011 heeft het college vastgesteld dat zich op het perceel [locatie] te [plaats] een geval van ernstige verontreiniging voordoet, waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2013, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door ir. M.W. Veldhuizen en mr. G.R.G. van Thiel, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Riad B.V., vertegenwoordigd door ing. J.B. Levels-Vermeer en A. Vloemans, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Wet bodembescherming stellen gedeputeerde staten naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, of een nader onderzoek in een beschikking vast of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, stellen gedeputeerde staten in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, waarbij zij vaststellen dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, tevens vast of het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging leiden tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

2. [appellant] betoogt dat aan het bestreden besluit onvoldoende onderzoek ten grondslag ligt en dat het besluit op onvoldoende en deels onjuiste gegevens is gebaseerd. Daartoe stelt hij dat in de "Briefrapportage nader onderzoek" van de stichting Adviescentrum Metaal van 18 januari 2011 (hierna: het rapport van 18 januari 2011) de locaties van de peilbuizen niet juist zijn weergegeven en dat in het stroomgebied van het grondwater meer metingen hadden moeten worden uitgevoerd.

2.1. Het college heeft het bestreden besluit genomen nadat in november 2010 een aanvullend bodemonderzoek had plaatsgevonden. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 18 januari 2011. Uit bijlage 1 van dat rapport blijkt dat op verschillende locaties peilbuizen zijn geplaatst. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de aanduiding van de locaties op de bijlage dermate afwijkt van de werkelijke situatie, dat op grond daarvan een goede beoordeling van de verontreinigingssituatie niet mogelijk zou zijn. Verder is bij het bepalen van deze locaties rekening gehouden met de stroming van het grondwater in noord-noordwestelijke richting; ten noorden en ten westen van het perceel [locatie] zijn diverse peilbuizen geplaatst. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het aantal geplaatste peilbuizen onvoldoende is, dan wel dat onvoldoende metingen zijn uitgevoerd. Het betoog van [appellant] biedt daarom geen grond om het rapport van 18 januari 2011 en het bodemonderzoek dat daaraan ten grondslag ligt in zoverre onzorgvuldig of onvolledig te achten.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt dat de percelen [3 locaties] deel hadden moeten uitmaken van het geval van verontreiniging omdat deze in de stroomrichting van het grondwater liggen en daarom gevaar lopen.

3.1. Blijkens de plattegrondtekening van 24 augustus 2011 die bij het bestreden besluit is gevoegd, is het geval van verontreiniging afgebakend aan de hand van de interventiewaardecontour en de streefwaardecontour. Niet is gesteld dat deze afbakening op onjuiste gegevens berust. Uit de tekening blijkt dat de streefwaardecontour zich niet uitstrekt tot de percelen [3 locaties]. Gelet op de mate van verontreiniging van deze percelen heeft het college deze terecht niet betrokken bij de vaststelling van het geval van verontreiniging.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat uit diverse onderzoeksrapporten blijkt dat het geval van verontreiniging niet in omvang is afgenomen. Volgens hem is de omvang van het geval van verontreiniging eerder toegenomen. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat volgens [appellant] onaanvaardbare risico’s van verspreiding van verontreiniging bestaan.

4.1. Het college heeft de spoedeisendheid van sanering beoordeeld aan de hand van de Circulaire bodemsanering 2009 van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: Infrastructuur en Milieu). In deze circulaire is vermeld dat in een onbeheersbare situatie onaanvaardbare risico's van verspreiding van verontreiniging bestaan. Voor zover hier van belang, doet een onbeheersbare situatie zich voor wanneer het bodemvolume dat wordt ingesloten door de interventiewaardecontour in het grondwater groter is dan 6.000 m3.

4.2. Het college heeft overwogen dat blijkens onderzoek het bodemvolume dat wordt ingesloten door de interventiewaardecontour in het grondwater 4.200 m3 is, en dus kleiner dan 6.000 m3. [appellant] heeft deze volumeomvang niet bestreden. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen onaanvaardbare risico’s van verspreiding van verontreiniging bestaan en dat spoedige sanering daarom in zoverre niet noodzakelijk is.

Het betoog faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff,

ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

190-732.