Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7528

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201110253/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juli 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen en voor het in werking hebben na die verandering van een varkenshouderij aan de [locatie] te Moergestel.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.2
Besluit milieueffectrapportage
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/397

Uitspraak

201110253/1/A4.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Behoud leefbaarheid Molenakkers en omgeving (hierna: de Stichting), gevestigd te Moergestel, gemeente Oisterwijk,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen en voor het in werking hebben na die verandering van een varkenshouderij aan de [locatie] te Moergestel.

Tegen dit besluit heeft de Stichting beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2013, waar het college, vertegenwoordigd door drs. M.F.H.T. Hordijk en ing. D.M.J.M. Dekkers, is verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum en ing. J.J.M. Schellekens, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om verlening van de vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

2. De Stichting voert aan dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat geen milieueffectrapport (hierna: mer) hoefde te worden opgesteld. In dit verband stelt zij dat het college ten onrechte niet is uitgegaan van de drempelwaarden in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage, zoals dat sinds 1 april 2011 geldt. Bovendien had het college volgens haar, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 15 oktober 2009, C-255/08, Commissie tegen Nederland, (www.curia.europa.eu), rekening moeten houden met andere factoren die worden genoemd in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG die aanleiding kunnen geven voor het opstellen van een mer. Zij wijst in dit verband op de, volgens haar, grote ammoniakemissie en geurhinder ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting, de in de omgeving van de inrichting liggende beschermde natuurgebieden, alsmede op artikel 3, vierde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav).

2.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van belang, worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden ondernomen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het vierde lid, zoals dat luidde ten tijde van belang, worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.8b of 7.8d moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een mer moet worden gemaakt.

2.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 14 november 2012 in zaak nr. 201105329/1/A4 is met artikel IV van het Besluit van 21 februari 2011, in werking getreden op 1 april 2011, tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht niet beoogd het Besluit mer (nieuw) onmiddellijke werking te laten hebben voor gevallen waarin de activiteit waarvoor een aanvraag om milieuvergunning is ingediend vóór 1 april 2011 door het bevoegd gezag niet was aangemerkt als mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig, omdat de drempelwaarden niet waren overschreden. De aanvraag is ingediend vóór 1 april 2011, zodat het college terecht is uitgegaan van het voor die datum geldende recht.

2.3. In categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer, zoals dit gold ten tijde van het indienen van de aanvraag, is onder meer aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor het fokken, mesten of houden van varkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met 2.200 of meer plaatsen voor mestvarkens. De Stichting heeft niet bestreden dat die drempelwaarde in de aangevraagde situatie niet wordt overschreden. In zoverre ontbreekt de verplichting tot het beoordelen of een mer moest worden opgesteld.

Dit laat echter onverlet dat, zoals de Afdeling eerder in haar uitspraak van 21 september 2011 in zaak nr. 201004411/1/M2 heeft overwogen, het bevoegd gezag, gelet op het onder 2 genoemd arrest van het Hof van Justitie, moet kijken naar andere factoren als bedoeld in bijlage III van de mer-richtlijn, die aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een mer, ondanks dat de drempelwaarden zoals genoemd in de bijlage bij het Besluit mer niet worden overschreden. In deze bijlage zijn kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect als omstandigheden genoemd waarmee het bevoegd gezag rekening dient te houden bij de beoordeling of een mer moet worden opgesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college zich op het standpunt stelt dat een mer niet nodig is, omdat de geur- en ammoniakemissie afneemt ten opzichte van de eerder vergunde situatie, de inrichting op redelijk grote afstand tot vogelrichtlijn- en habitatrichtlijngebieden ligt en binnen de inrichting de beste beschikbare technieken worden toegepast. Gelet hierop geeft hetgeen de Stichting aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de in bijlage III van de richtlijn vermelde omstandigheden en het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen belangrijke nadelige effecten voor het milieu optreden, die het opstellen van een mer noodzakelijk maken. Het door de Stichting genoemde artikel 3, vierde lid, van de Wav, heeft betrekking op de situatie waarin een mer moet worden opgesteld, zodat dit artikel hier niet van toepassing is.

De beroepsgrond faalt.

3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

4. De Stichting voert aan dat de inrichting ten onrechte meer geurhinder veroorzaakt dan wettelijk is toegestaan. Zij stelt dat het college ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder en veehouderij, nu niet voor alle stallen geurreducerende maatregelen worden toegepast.

4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting op een geurgevoelig object meer bedraagt dan de in dit artikel genoemde waarden.

Ingevolge het vierde lid wordt, indien de geurbelasting op een geurgevoelig object groter is dan vermeld in het eerste lid, het aantal dieren van één of meer diercategorieën toeneemt en een geurbelastingreducerende maatregel zal worden toegepast, een vergunning verleend voor wijziging van het aantal dieren, voor zover de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting op dat geurgevoelig object die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand.

4.2. Niet in geschil is dat in de aangevraagde situatie ter plaatse van de woning aan de Donkhorst 3 niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij geldende norm van 14 odour units per kubieke meter lucht. Blijkens de geurberekeningen behorende bij het bestreden besluit wordt met de aangevraagde geurreducerende maatregelen, wel voldaan aan artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder en veehouderij. Anders dan de Stichting veronderstelt, brengt laatstbedoelde bepaling niet mee dat in alle stallen geurreducerende maatregelen moeten worden toegepast.

De beroepsgrond faalt.

5. De Stichting stelt dat de woning aan de Donkhorst 5 ten onrechte niet bij de geurberekeningen is betrokken. Naar aanleiding van de stelling van het college dat voor de inrichting aan de Donkhorst 5 in 2002 een melding op grond van het Besluit akkerbouw milieubeheer is gedaan, merkt de Stichting op dat een agrarisch bedrijf ook onder artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij valt.

5.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt, in afwijking van het eerste lid, de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

5.2. In het bestreden besluit is het college ervan uitgegaan dat voor de woning aan de Donkhorst 5 een vaste afstand van 50 meter in acht genomen moest worden, nu het hier om een voormalige bedrijfswoning gaat en de veehouderijactiviteiten aldaar na 19 maart 2000 zijn gestaakt. Daartoe heeft het college ter zitting toegelicht dat op 10 september 1998 de destijds geldende vergunning voor een rundvee- en varkenshouderij aan de Donkhorst 5 is gesplitst. Hieruit is onder meer de inrichting aan de [locatie] ontstaan. Voor de inrichting aan de Donkhorst 5 resteerde volgens het college een milieuvergunning voor het houden van melkkoeien, jongvee en schapen. Pas op 15 februari 2002 is voor deze inrichting een melding op grond van het Besluit akkerbouw milieubeheer ingediend, zodat de veehouderijactiviteiten na 19 maart 2000 zijn gestaakt en artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij terecht is toegepast, aldus het college. In hetgeen de Stichting naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het standpunt van het college onjuist is, nu niet is gebleken dat de milieuvergunning voor 19 maart 2000 is ingetrokken.

De beroepsgrond faalt.

6. De Stichting stelt dat de in de inrichting aanwezige brijvoederinstallatie zorgt voor ernstige geurhinder en dat de aan de vergunning verbonden voorschriften onvoldoende zijn om deze geurhinder te voorkomen. Volgens haar ontbreekt een voorschrift over het verplicht koelen van bederfelijke vormen van brijvoeder ter voorkoming van geurhinder en overlast van vliegen.

6.1. Op grond van vergunningvoorschrift 1.4.1 moeten eventuele restanten van het brijvoeder en bijproducten direct op een zodanige wijze worden opgeslagen dat er geen geuroverlast kan plaatsvinden. Daarnaast zijn in hoofdstuk 1.8 van de vergunningvoorschriften verschillende voorschriften voor de brijvoerinstallatie opgenomen die onder meer geurhinder moeten voorkomen, dan wel zoveel mogelijk moeten beperken. Het college stelt zich op het standpunt dat deze voorschriften, mede gelet op de afstand van onderscheidenlijk 120 en 180 meter tot de dichtstbijgelegen woningen, voldoende zijn om voor de opslag en verwerking van brijvoeder vergunning te verlenen. Hetgeen de Stichting aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze voorschriften niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten.

De beroepsgrond faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. De Jong

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

628.