Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7525

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201205195/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het bouwen van een veranda op het perceel [locatie] te Oosthuizen (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/422
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205195/1/A1.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Oosthuizen, gemeente Zeevang,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 april 2012 in zaak nr.10/2809 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeevang.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het bouwen van een veranda op het perceel [locatie] te Oosthuizen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het college het besluit van 19 april 2007 ingetrokken en aan [vergunninghouder] vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het bouwen van een veranda op het perceel.

Bij besluit van 25 januari 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] lichte bouwvergunning verleend voor het bouwen van een veranda op het perceel.

Bij besluit van 22 april 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, voor zover het betrekking heeft op het door [appellant] tegen het besluit van 19 april 2007 gemaakte bezwaar gegrond, en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 12 oktober 2011 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld de daarin omschreven gebreken in het besluit van 22 april 2010 te herstellen.

Bij besluit van 1 december 2011 heeft het college het besluit van 22 april 2010, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 10 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 april 2010 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij de Raad van State hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.L.M. Frantzen, en het college, vertegenwoordigd door P.G.T.M. Aalbers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend, dat het besluit van 8 januari 2008 is genomen in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Hij voert daartoe aan dat het college heeft verzuimd de eerder bij besluit van 19 april 2007 verleende bouwvergunning te herroepen alvorens deze te weigeren.

1.1. Het college heeft bij besluit van 8 januari 2008 het besluit van 19 april 2007 ingetrokken. Bij besluit van 22 april 2010 heeft het college met toepassing van artikel 6:18 van de Awb, zoals dat artikel luidde ten tijde van belang, het besluit van 8 januari 2008 gewijzigd in die zin, dat het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 19 april 2007 alsnog gegrond is verklaard en dat besluit is herroepen. Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag.

2. Het bouwplan voorziet in de bouw van een aan de buitenzijde open overdekt gebouw tegen de achtergevel van de woning op het perceel. De zijkanten van het gebouw zijn gesitueerd tegen een reeds bestaande tuinmuur en een muur van een garage. Het gebouw heeft een hoogte van ongeveer 2,75 m, een breedte van ongeveer 2,35 m en een oppervlakte van ongeveer 21 m².

3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Partiële herziening Hobrede-Oosthuize 2003" rust op het perceel de bestemming "Woningen met tuinen en erven (Wa, Wb, Wc, Wd, en We)".

Ingevolge artikel 1, onder w, wordt in de planvoorschriften onder bijgebouw verstaan een bij een woning behorend gebouw, dat geen woonruimte bevat en dat zich visueel onderscheidt van een woning.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder 1.a, zijn de als "Woningen met tuinen en erven (Wa, Wb, Wc, Wd, en We)" aangewezen gronden bestemd voor woningen met de daarbij behorende bouwwerken en tuinen en erven.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, wordt ten aanzien van bebouwing bepaald dat voor zover de gronden met een arcering op de kaart zijn aangegeven, op deze gronden:

2.b.1. woningen mogen worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels:

a. de woningen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken.

2.b.2. bijgebouwen mogen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

a. bij elke woning op hetzelfde bouwperceel mogen bijgebouwen worden gebouwd.

d. de goothoogte en nokhoogte van een bijgebouw mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3 m en 6 m.

e. de bijgebouwen dienen plat te worden afgedekt of van een kap te worden voorzien, waarvan de dakhelling niet minder mag bedragen dan 30° en niet meer mag bedragen dan 60° tenzij op de kaart anders aangegeven.

4. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan. Om de gevraagde bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening daarvoor vrijstelling verleend. Deze vrijstelling ziet uitsluitend op de dakhelling van de veranda die minder bedraagt dan 30°, hetgeen volgens het college in strijd is met artikel 3, tweede lid, aanhef en onder 2.b.2, aanhef en onder e, van de planvoorschriften.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank de gevraagde vrijstelling in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen. Hij voert daartoe aan dat het college ten onrechte bij zijn belangenafweging heeft betrokken, dat het bouwplan alleen wat betreft de dakhelling in strijd is met de planvoorschriften. Volgens [appellant] voorziet het bouwplan in een uitbreiding van de woning buiten het op de plankaart weergegeven bouwvlak, hetgeen in strijd is met artikel 3, tweede lid, aanhef en onder 2.b.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Verder voert [appellant] aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld, dat slechts onaanvaardbare schending van het woongenot en de privacy van direct-omwonenden zou kunnen leiden tot weigeren van de vrijstelling.

5.1. Uit de bouwtekeningen blijkt dat het beoogde gebouw behoort bij de woning op het perceel en zich daarvan in visuele zin onderscheidt.

Verder is in het gebouw geen woonruimte voorzien. Het gebouw moet daarom worden aangemerkt als bijgebouw als bedoeld in artikel 1, onder w, van de planvoorschriften. De verwijzing van [appellant] naar de in Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal gegeven definitie van veranda kan hem niet baten. De bouwaanvraag moet niet aan die definitie maar aan de planvoorschriften worden getoetst.

Verder kan de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2004 in zaak nr. 200306028/1 hem evenmin baten, reeds omdat de Afdeling in die zaak oordeelde dat de beoogde aangebouwde berging bouwkundig een geheel vormde met het hoofdgebouw. Die situatie doet zich hier niet voor. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat de bouw van een bijgebouw ter plaatse niet in strijd is met de planvoorschriften, is het college er bij de belangenafweging terecht van uitgegaan, dat het bouwplan uitsluitend voor wat betreft de dakhelling in strijd is met de planvoorschriften.

Bij die belangenafweging heeft het college zich op het standpunt gesteld dat realisering van het bouwplan een verhoging van het woongenot teweeg brengt, die niet leidt tot een onaanvaardbare schending van het woongenot en de privacy van direct-omwonenden. Het college heeft dit standpunt onder meer gemotiveerd door te overwegen, dat door het verlagen van de dakhelling de belangen van [appellant] niet meer worden aangetast dan in het geval dat voor de ingevolge de planvoorschriften toegestane steilere dakhelling van 30° zou zijn gekozen. De beperking van de lichttoetreding en de schaduwwerking van de veranda zouden in dat geval groter zijn dan nu het geval is, aldus het college. De rechtbank heeft dit standpunt en die motivering terecht niet onredelijk geacht.

Het betoog faalt.

6. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend, dat het advies van de adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit Stichting Welstandszorg Noord-Holland (hierna: de welstandscommissie) van 9 november 2011 naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college dit niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

[appellant] voert daartoe aan, onder verwijzing naar de door hem overgelegde notitie van Van Brederode B.V. van 15 augustus 2008 en een brief van 7 juli 2011, dat het welstandsadvies is gebaseerd op niet geverifieerde feiten omtrent een gestelde grote diversiteit van het gebied waarin het perceel is gelegen en een vergelijkbare of soortgelijke veranda in de nabije omgeving.

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

6.2. Het college heeft aan zijn besluitvorming de gemotiveerde, positieve adviezen van de welstandscommissie van 16 april 2007, 21 januari 2008, 21 juni 2011 en 9 november 2011 ten grondslag gelegd. Hierin heeft die commissie het project getoetst aan de criteria die gelden voor het welstandsgebied "C6. Dorpsuitbreidingen - De Watering 1" van de welstandsnota Zeevang 2004 (hierna: de welstandsnota).

6.3. In het welstandsadvies van 9 november 2011 staat dat het gebied waarin de woning is gelegen, wordt gekenmerkt door een grote diversiteit.

Met deze overweging heeft de welstandscommissie verwezen naar de in de welstandsnota neergelegde gebiedsbeschrijving. Daarin is vermeld: "Het gebied krijgt de vorm en uitstraling door de diversiteit in de ruimtelijke structuur en de verschillende typen woningen." Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat, voormelde overweging onvoldoende is gemotiveerd. Verder betoogt [appellant] tevergeefs dat in het advies wordt verwezen naar een niet nader gespecificeerde soortgelijke veranda in de nabije omgeving. Uit het advies kan worden afgeleid dat daarmee de situatie op het perceel Seevancksweg 19 te Oosthuizen wordt bedoeld. Voorts wordt in het advies van 9 november 2011 deugdelijk toegelicht dat het bouwplan niet in strijd is met de criteria die gelden voor het gebied waarin het perceel is gelegen. Daarbij is de welstandscommissie gemotiveerd ingegaan op de in de notitie van Van Brederode geformuleerde kritiekpunten ten aanzien van het bouwplan. Gelet hierop vertoont dit advies niet een zodanig gebrek dat het college dit niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Dat de welstandscommissie meermalen advies heeft uitgebracht en daarin een andere waardering van het bouwplan heeft gegeven dan in de notitie van Van Brederode, kan niet leiden tot het oordeel dat het college zich bij zijn oordeelsvorming niet op deze adviezen heeft mogen baseren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet gebleken is dat in de door het college gevolgde welstandsadviezen van een onjuiste feitelijke situatie is uitgegaan, niet in geschil is dat de welstandscommissie aan de juiste criteria heeft getoetst en die criteria naar hun aard niet in de weg staan aan uiteenlopende waarderingen van het bouwplan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college doorslaggevende betekenis heeft mogen toekennen aan het advies van de welstandscommissie van 9 november 2011.

Het betoog faalt.

7. Voorts verwijst [appellant] tevergeefs naar hetgeen hij eerder naar voren heeft gebracht in zienswijze, bezwaar- en beroepsgronden en nadere reacties aan de rechtbank. Nu [appellant] niet gemotiveerd uiteenzet dat en waarom de aangevallen uitspraak in zoverre onjuist is, kan het aldus aangevoerde niet tot vernietiging daarvan leiden.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

543.