Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7497

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-03-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201204628/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2011 heeft de minister een verzoek van de maatschap om vergoeding van schade ten gevolge van het op 25 november 2003 bekendgemaakte Tracébesluit Hanzelijn (hierna: het Tracébesluit) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204628/1/A2.

Datum uitspraak: 27 maart 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de maatschap], gevestigd te [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 april 2012 in zaak nr. 11/2535 in het geding tussen:

de maatschap

en

de minister van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2011 heeft de minister een verzoek van de maatschap om vergoeding van schade ten gevolge van het op 25 november 2003 bekendgemaakte Tracébesluit Hanzelijn (hierna: het Tracébesluit) afgewezen.

Bij besluit van 21 november 2011 heeft de minister het door de maatschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 april 2012 heeft de rechtbank het door de maatschap daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de maatschap hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2013, waar de maatschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [vennoot], bijgestaan door mr. I.F.M. Kwint, en de minister, vertegenwoordigd door drs. A.J. van der Vecht en mr. M.W. Honselaar, beiden werkzaam bij ProRail B.V., zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van het Tracébesluit Hanzelijn, kent de minister van Verkeer en Waterstaat (thans: de minister) de belanghebbende die schade lijdt, of zal lijden, als gevolg van het Tracébesluit Hanzelijn op zijn verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet, of niet voldoende anderszins verzekerd is. Terzake is de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 van toepassing.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 kent de minister degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 5 wordt schade ten gevolge van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, die voor de belanghebbende redelijkerwijs voorzienbaar was ten tijde van de beslissing te investeren in het geschade belang, niet vergoed.

Ingevolge artikel 6 kan de in artikel 5 bedoelde voorzienbaarheid onder meer betrekking hebben op de aard van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, op het tijdstip waarop deze schadeoorzaak zijn werking doet gevoelen, op de plaats waarop ze betrekking heeft, op de wijze van voltrekken of uitvoering daarvan, alsmede op de aard en omvang van de daardoor veroorzaakte schade.

2. De maatschap oefent een veehouderij uit op de percelen aan de [locatie 1] te Kamperveen en de daarachter gelegen bedrijfsgebouwen en landbouwgronden. Het bedrijf bevindt zich ten zuiden van het viaduct Jules van Hasseltweg over de N50. Met ingang van 1 maart 2000 is [vennoot] van de maatschap, een pachtovereenkomst met [belanghebbende] aangegaan en pacht hij de gronden gelegen achter de woning aan de [locatie 2], die aan de andere kant van het viaduct over de N50 liggen. Naar de Afdeling begrijpt worden deze gronden door de maatschap geëxploiteerd. Daarnaast hebben [belanghebbende] en de gemeente Kampen op 1 januari 2003 een pachtovereenkomst gesloten voor de gronden Onderdijks, die elke twee jaar stilzwijgend wordt verlengd. Deze gronden zijn in gebruik gegeven aan de maatschap.

3. Op 25 november 2003 hebben de minister van Verkeer en Waterstaat en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het Tracébesluit bekendgemaakt, welk besluit op 17 maart 2004 in werking is getreden en op 29 december 2004 onherroepelijk is geworden. Dit besluit voorziet in de aanleg van een nieuwe spoorverbinding die Lelystad via Dronten en Kampen zal verbinden met Zwolle. In verband met de hiermee gepaard gaande werkzaamheden is het viaduct Jules van Hasseltweg in de periode van 11 februari 2008 tot en met 24 december 2008 afgesloten geweest.

4. De maatschap heeft een verzoek ingediend tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de aanleg van de Hanzelijn in de directe omgeving van haar agrarisch bedrijf aan de Jules van Hasselt[belanghebbende]-8 te Kamperveen. Aan dit verzoek heeft zij ten grondslag gelegd dat zij ten gevolge van de aanleg van de Hanzelijn en de daarmee gepaard gaande tijdelijke afsluiting van het viaduct Jules van Hasseltweg schade in de uitoefening van haar bedrijf heeft geleden in de vorm van omrijschade ter hoogte van € 26.611,34.

5. De minister heeft aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat de schade voor rekening van de maatschap dient te blijven, omdat de afsluiting van het viaduct Jules van Hasseltweg en de daardoor veroorzaakte omrijschade ten tijde van het sluiten van de pachtovereenkomsten redelijkerwijs geheel kon worden voorzien op basis van de Startnotitie Hanzelijn die in oktober 1996 is gepubliceerd. Ten aanzien van de gronden Onderdijks heeft de minister zich voorts op het standpunt gesteld dat de schade voorzienbaar was op grond van de Trajectnota en het Milieueffectrapport Hanzelijn van juni 2000 en het bij brief van 24 augustus 2001 aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakte ministeriële standpunt aangaande de Hanzelijn.

6. Niet in geschil is dat de maatschap als gevolg van het Tracébesluit omrijschade heeft geleden. Hetgeen partijen verdeeld houdt, is de vraag of de schade in verband met voorzienbaarheid ten laste van de maatschap behoort te blijven.

7. De maatschap komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat de maatschap bij het aangaan van de pachtovereenkomsten rekening diende te houden met de kans dat de wegstructuur van de Jules van Hasseltweg als gevolg van de aanleg van het tracé van de Hanzelijn tijdelijk in ongunstige zin zou wijzigen. Zij voert aan dat ten tijde van het aangaan van de pachtovereenkomsten weliswaar de aanleg van de Hanzelijn als zodanig bekend was, maar dat het precieze tracé nog lange tijd niet bekend was. In de Startnotitie zijn vier mogelijke tracés opgenomen. Bovendien was onvoldoende kenbaar dat als gevolg van de keuze voor het uiteindelijke tracé het viaduct Jules van Hasseltweg bijna een jaar zou zijn afgesloten wegens werkzaamheden. Dat deze werkzaamheden zouden gaan plaatsvinden, werd pas in maart 2003 concreet duidelijk met de publicatie van het ontwerp-Tracébesluit, aldus de maatschap.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 30 juni 2010 in zaak nr. 200907840/1/H2) is voor het aannemen van risicoaanvaarding niet vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, of dat deze maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het moment van investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kon worden gehouden. Dit geldt, zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 december 2006 in zaak nr. 200605120/1), ook voor tijdelijke hinder, als hier aan de orde.

7.2. In paragraaf 7.6 van de Startnotitie van oktober 1996 zijn vier alternatieve tracés voor de aanleg van de Hanzelijn op het traject tussen Dronten en Zwolle beschreven. Uit deze beschrijving en de tekeningen in bijlagen 6 en 7 van de Startnotitie, waarop de verschillende tracés zijn ingetekend, volgt dat twee van deze vier tracés een bundeling met de N50 beogen en dat één van deze varianten de Jules van Hasseltweg te Kamperveen kruist op de plek van de uiteindelijk gekozen variant. In paragraaf 8.4 van de Startnotitie staat vermeld dat de aanleg van de Hanzelijn aanpassingen zal vergen van lokale en regionale infrastructuur. Voorts wordt in paragraaf 3.1 van de Startnotitie beschreven dat in het Tweede Tactisch Pakket melding wordt gemaakt van de noodzaak tot verbetering van de veiligheid van het spoorsysteem, onder meer door de aanleg van nieuwe overwegen zo veel mogelijk te voorkomen.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de maatschap bij het aangaan van de pachtovereenkomsten op 1 maart 2000 en 1 januari 2003 op grond van de Startnotitie rekening diende te houden met de kans dat de wegstructuur van de Jules van Hasseltweg als gevolg van de aanleg van het tracé van de Hanzelijn tijdelijk in ongunstige zin zou wijzigen. Nu uit de Startnotitie volgt dat er een reële mogelijkheid was dat het tracé van de Hanzelijn de Jules van Hasseltweg zou kruisen, had de maatschap, als redelijk denkend en handelend ondernemer, rekening behoren te houden met de kans dat bij het vast te stellen Tracébesluit voor één van de voor haar onderneming meest ongunstige alternatieven zou worden gekozen. Voorts had zij er daarbij rekening mee behoren te houden dat in het geval dat zou worden gekozen voor de uiteindelijk verwezenlijkte variant, het voor de hand lag dat het viaduct tijdelijk afgesloten moest worden in verband met de aanleg van de Hanzelijn, en moest zij ervan uitgaan dat in dat geval op zijn minst tijdelijke omrijschade zou kunnen ontstaan. De rechtbank heeft bij dit laatste terecht in aanmerking genomen dat de Hanzelijn een groot infrastructureel werk betrof.

7.3. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de Trajectnota en het Milieu-effectrapport Hanzelijn en het ministeriële standpunt van 24 augustus 2001 een verdere uitwerking van de Startnotitie betreffen en dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten tijde van de totstandkoming van de pachtovereenkomst op 1 januari 2003 tussen [belanghebbende] en de gemeente Kampen, op basis waarvan de maatschap het genot van de pachtgronden van [belanghebbende] verkreeg, de omrijschade ook op basis van deze documenten voorzienbaar was.

Het betoog faalt.

8. Het betoog van de maatschap dat, voor zover al moet worden aangenomen dat op basis van de intekening van een tracé in de Startnotitie de wegafsluiting en de daarmee gepaard gaande schade wel voldoende voorzienbaar geacht moeten worden, haar slechts een gedeeltelijke voorzienbaarheid van hooguit 25 procent kan worden tegengeworpen omdat in de Startnotitie vier mogelijke tracés van de Hanzelijn worden genoemd, faalt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen evenzeer.

9. Voor zover de maatschap ter zitting nog heeft betoogd dat de gronden gelegen achter de woning aan de [locatie 2] al vóór het sluiten van de pachtovereenkomst op 1 maart 2000 bij de maatschap in gebruik waren en in zoverre de investeringsbeslissing in de periode voorafgaande aan 1 maart 2000 is gelegen, kan dit niet tot een ander oordeel betreffende de voorzienbaarheid leiden, reeds omdat de maatschap dit niet aannemelijk heeft gemaakt.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2013

502-756