Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ4954

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2013
Datum publicatie
20-03-2013
Zaaknummer
201113207/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning ingevolge artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het wijzigen van een varkenshouderij in een mestverwerkingsbedrijf op het perceel [locatie] te Deurne.

Wetsverwijzingen
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/5781
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3138
JAF 2013/259 met annotatie van Van der Meijden
JBO 2013/58 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JBO 2013/59 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JM 2013/67 met annotatie van Y. Flietstra
JOM 2013/465
JOM 2013/467
JOM 2013/466
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113207/1/A4.

Datum uitspraak: 20 maart 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Deurne,

2.    [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Deurne, (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3.    [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend te Deurne, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]),

4.    [appellant sub 4], wonend te Deurne,

5.    [appellant sub 5], wonend te Deurne,

6.    [appellant sub 6], wonend te Deurne,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning ingevolge artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het wijzigen van een varkenshouderij in een mestverwerkingsbedrijf op het perceel [locatie] te Deurne.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 3] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2013, waar [appellant sub 1], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 4], bijgestaan dan wel vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. F.H. Damen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.G.M. Claessens, ing. M.J.Th. van der Heijden en ing. J.H. de Greef, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de maatschap, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. V.A.P. Sijben, advocaat te Budel en ing. V. Leppers, gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

1.    Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Ontvankelijkheid

2.    Het college stelt dat het beroep van enkele appellanten op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk moet worden verklaard, voor zover zij gronden hebben aangevoerd die niet reeds in de zienswijzen naar voren zijn gebracht.

2.1.    Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.2.    Uit dit artikel vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning die vóór 1 april 2011 bekend zijn gemaakt, worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt. Bij besluiten die op of na 1 april 2011 zijn bekendgemaakt, zoals hier aan de orde, worden dergelijke beslissingen voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb niet langer als besluitonderdelen aangemerkt (zie de uitspraak van 9 maart 2011 in zaak nr. 201006983/1/M2).

Derhalve staat artikel 6:13 van de Awb er niet aan in de weg dat in beroep gronden tegen het besluit van 15 november 2011 worden aangevoerd die niet reeds in de zienswijze naar voren zijn gebracht. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de beroepen van enkele appellanten in zoverre op grond van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren.

3.    Het college stelt voorts dat [appellant sub 6] en [appellant sub 2A], die beroep heeft ingesteld met [appellant sub 2], niet-ontvankelijk zijn in beroep, omdat zij geen zienswijzen naar voren hebben gebracht tegen het ontwerpbesluit.

3.1.    Uit de stukken blijkt dat [appellant sub 6] beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 15 november 2011 en dat zijn [echtgenote] zienswijzen naar voren heeft gebracht over het ontwerpbesluit. In het algemeen kan een rechtsmiddel dat is aangewend door één echtgenoot niet worden toegedicht aan de andere echtgenoot. Omdat uit de bewoordingen en de ondertekening van de zienswijze van [echtgenote], noch anderszins blijkt dat zij heeft beoogd deze zienswijze mede namens [appellant sub 6] naar voren te brengen, kan deze niet aan hem worden toegedicht. Zijn beroep is dan ook niet-ontvankelijk.

Uit de stukken blijkt niet dat [appellant sub 2A] een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht, zodat het beroep van [appellant sub 2], voor zover ingesteld door haar, niet-ontvankelijk is.

Vergunning

4.    Voor de op het perceel aanwezige varkenshouderij is op 26 juli 2005 een milieuvergunning verleend. Het houden van dieren op de locatie zal worden beëindigd. Hiervoor in de plaats wordt een mestverwerkingsbedrijf opgericht. De thans verleende vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer heeft betrekking op:

- een loods waarin een mestverwerkingsinstallatie met een capaciteit van 24.900 ton mest per jaar aanwezig is en gebruikt wordt;

- het opslaan van dikke fractie, gecomposteerde fractie en gepellleteerde mest in de loods;

- een gecombineerde luchtwasser voor het zuiveren van lucht afkomstig uit de loods;

- de opslag van zwavelzuur en spuiwater ten behoeve van de gecombineerde luchtwasser;

- de opslag van propaangas en dieselolie in tanks en van smeerolie en afgewerkte olie in lekbakken;

- het opslaan van dierlijke mest, dunne mestfractie en gehygieniseerde dunne mestfractie in een mestbassin met een inhoud van 2.500 m³;

- een hygiënesluis/kantoor/kantine in een gebouw op het buitenterrein;

- het aan- en afvoeren van dierlijke mest, gehygieniseerde dunne mestfractie en gepelleteerde mest;

- het gebruik van een poetsplaats voor het reinigen van machines en vrachtwagens;

- de stalling van enkele vrachtwagens op het buitenterrein.

Algemeen beoordelingskader

5.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college beoordelingsvrijheid toe.

Revisievergunning

6.    [appellant sub 1], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat het college niet heeft kunnen volstaan met het verlenen van een revisievergunning, maar dat in dit geval een oprichtingsvergunning nodig is. Hiertoe voeren zij aan dat de aanvraag ziet op de oprichting van een mestverwerkingsbedrijf, terwijl op de locatie thans een veehouderij aanwezig is.

6.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 20 maart 2002 in zaak nr. 200100206/2, verzet de systematiek van de Wet milieubeheer zich er niet tegen dat een revisievergunning wordt verleend voor een wezenlijk andere inrichting dan die waarop de onderliggende vergunning ziet. De wet geeft geen indicatie dat bepaalde veranderingen wel en andere veranderingen niet in het kader van een revisievergunning kunnen worden verwezenlijkt.

Het verlenen van een revisievergunning voor een wezenlijk andere inrichting dan die waarop de onderliggende vergunning ziet is derhalve mogelijk, ook al zijn de milieugevolgen van een andere aard of intensiteit dan de milieugevolgen die op grond van de onderliggende vergunning waren toegestaan. Het bevoegd gezag moet in een dergelijk geval de aanvraag beoordelen als betrof deze een oprichtingssituatie. Het college stelt dat het dit heeft gedaan en dat bestaande rechten niet noodzakelijk zijn geweest om de vergunning te verlenen. [appellant sub 1], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is.

De beroepsgrond faalt.

Bestemmingsplan

7.    [appellant sub 1], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] voeren aan dat het college de vergunning had moeten weigeren, omdat het realiseren van een mestverwerkingsbedrijf in strijd is met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" op het perceel rustende bestemming "Intensieve Veehouderij".

7.1.    Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens kan worden geweigerd ingeval door verlening van de vergunning strijd zou ontstaan met een bestemmings- of inpassingsplan, een beheersverordening of regels gesteld bij of krachtens een provinciale verordening of een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderscheidenlijk artikel 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

7.2.    Ten tijde van het bestreden besluit was het college bereid het realiseren van een mestverwerkingsbedrijf op het perceel planologisch in te passen door gebruik te maken van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Gelet op het voorgaande heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten dat de vergunning niet krachtens artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer hoefde te worden geweigerd.

De beroepsgrond faalt.

Beoordelingskader geur

8.    [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 3] betogen dat het college zich bij de beoordeling van de geur ten gevolge van de inrichting ten onrechte heeft gebaseerd op de afstandseisen en geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) en de normen voor geurbelasting uit de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Deurne 2011 (hierna: de geurverordening). Zij voeren hiertoe aan dat de Wgv is beperkt tot de geur die vrijkomt als gevolg van het houden van dieren in dierenverblijven en dat de beoordeling van andere geurvormen dient plaats te vinden aan de hand van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer. In dit verband verwijzen zij naar het bepaalde in artikel 2 van de Wgv, de memorie van toelichting bij de Wgv en de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2011 in zaak nr. 201004415/1/M2. Volgens hen had het college de aanvraag moeten toetsen aan de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de NeR).

[appellant sub 2] betoogt voorts dat het college het in voorschrift O.8 toegestane hinderniveau op basis van de systematiek van paragraaf 3.6.1 van de NeR had moeten bepalen. De op basis van de geurverordening toegelaten geurbelasting op geurgevoelige objecten van 6 tot ongeveer 10 OUe/m³ is volgens hem onaanvaardbaar. Conform de NeR zou een norm van maximaal 3 OUe/m³ aanvaardbaar zijn, aldus [appellant sub 2].

[appellant sub 2] en [appellant sub 3] stellen in dit verband tevens dat ten onrechte niet is aangesloten bij de geurnormen voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Zij stellen daartoe dat in de omgeving van de inrichting een groot aantal burgerwoningen in lintbebouwing is gelegen, deels binnen en deels aansluitend op de bebouwde kom en dat de bebouwing aansluit op het industrieterrein Kranenmortel en sportvelden.

8.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wgv, zoals die luidde ten tijde van belang, betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

8.2.    Het college stelt dat voor de beoordeling van geurbelasting afkomstig van een mestverwerkingsbedrijf geen specifieke toetsingskaders of richtlijnen gelden. De Richtlijn Mestverwerkingsinstallaties is vervallen. Vanwege de aard van de aangevraagde inrichting kan volgens het college voor een beoordeling van de vrijkomende geur het best worden aangesloten bij de Wgv en de geurverordening. Uit artikel 2 van de Wgv blijkt niet dat dit niet mogelijk is. Daaruit volgt slechts dat de Wgv een verplicht toetsingskader is, indien het gaat om een veehouderij, aldus het college.

8.3.    Het college heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat is beoordeeld of in de NeR normen zijn opgenomen voor inrichtingen die wat betreft geurbeleving het best vergelijkbaar zijn met een mestverwerkingsbedrijf. Geconcludeerd is dat dit niet het geval is en dat evenmin andere toepasselijke beoordelingskaders bestaan. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. In dit verband hebben zij tevergeefs gesteld dat de in de NeR opgenomen normen voor een compostbedrijf zouden moeten worden toegepast. Composteren is slechts één van de activiteiten die bij het mestverwerkingsbedrijf zullen plaatsvinden. In hetgeen zij hebben aangevoerd kan, nu de NeR slechts algemene eisen stelt aan het onderzoek en de te maken afweging inzake geur voor mestverwerkingsbedrijven en evenmin andere specifieke op mestverwerkingsbedrijven toegesneden beoordelingskaders voor geur bestaan, dan ook geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het college voor een beoordeling van de emissie van geur ten gevolge van de inrichting niet in redelijkheid heeft mogen aansluiten bij de normen die in de Wgv en de geurverordening zijn gesteld. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 3] wijzen in dit verband tevergeefs op artikel 2 van de Wgv. Het college heeft terecht gesteld dat uit dat artikel slechts volgt dat de Wgv een verplicht toetsingskader is, indien het gaat om een veehouderij. Uit dat artikel volgt niet dat bij de Wgv niet kan worden aangesloten bij andere inrichtingen dan veehouderijen. De verwijzing naar de memorie van toelichting bij de Wgv en de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2011 in zaak nr. 201004415/1/M2 leiden niet tot een ander oordeel.

[appellant sub 2] heeft ter zitting tevergeefs gesteld dat het college zich ten onrechte heeft gebaseerd op de geurverordening van 2011 in plaats van die van 2007. Uit de geurverordening van 2011 blijkt dat die uit 2007 is komen te vervallen op het moment dat die uit 2011, op 18 januari 2011, is vastgesteld. Derhalve kon het college zich ten tijde van het bestreden besluit baseren op de geurverordening uit 2011.

Wat betreft de in voorschrift O.8 opgenomen geurnormen, heeft het college toegelicht dat aansluiting is gezocht bij de in de gemeentelijke geurverordening vastgelegde geurnormen voor binnen en buiten de bebouwde kom. In de geurverordening is bepaald dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom in de omgeving van de inrichting als gevolg van de activiteiten binnen de inrichting niet meer dan 14 OUe/m³ mag bedragen. De geurbelasting binnen de bebouwde kom mag niet meer bedragen dan 1,0 OUe/m³. Het college stelt dat die normen zijn gebaseerd op hinderpercentages die voor een bepaalde omgeving als acceptabel worden beschouwd. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit uitgangspunt onjuist is. Derhalve kan hij niet worden gevolgd in zijn stelling dat het college niet de in voorschrift O.8 opgenomen geurnormen heeft mogen vaststellen als het heeft gedaan. Daarin zijn voor de woningen aan de Berktweg 10 en Breemortelweg 25, die zijn gelegen buiten de bebouwde kom, en aan de Energiestraat 12, die is gelegen binnen de bebouwde kom, geurnormen opgenomen die onder de in de geurverordening toegestane geurbelasting blijven, te weten respectievelijk 10,5, 6,0 en 0,5 OUe/m³. Deze normen blijven onder de op grond van de geurverordening toegelaten normen voor geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom.

Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben gesteld dat ten onrechte niet uitsluitend is aangesloten bij de geurnormen voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom, geldt dat het bestreden besluit vermeldt dat het gebied waarin de inrichting is gelegen kan worden getypeerd als buiten de bebouwde kom, omdat de in de omgeving gelegen burgerwoningen en (voormalige) veehouderijen niet aan elkaar grenzen. Weliswaar is er een bepaalde clustering van woningen, maar die worden vaak gescheiden door een veehouderij of open terrein van meer dan 100 m. Het industrieterrein wordt door een sportterrein en open veld gescheiden van de clusters van woningen. Gelet hierop en de in het dossier aanwezige luchtfoto, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de nabij de inrichting gelegen geurgevoelige objecten grotendeels zijn gelegen buiten de bebouwde kom.

De beroepsgrond faalt.

9.    [appellant sub 1], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat het college ten onrechte in voorschrift O.3 heeft bepaald dat in geval van klachten over geurhinder ten gevolge van de inrichting een nader onderzoek moet plaatsvinden naar de geurbelasting op de omliggende geurgevoelige objecten. Volgens hen dient een toetsing vooraf plaats te vinden. Ook stellen zij dat in voorschrift O.8 ten onrechte slechts voor drie woningen een geurnorm is vastgelegd en niet ook voor hun woningen.

9.1.    Het college stelt dat de noodzakelijke toetsing vooraf is uitgevoerd door middel van het bij de aanvraag overgelegde geuronderzoek van PRA Odournet. Het niettemin laten uitvoeren van een geuronderzoek in geval van klachten is een instrument om te bepalen of het om objectieve dan wel subjectieve geurhinder gaat in relatie tot de gestelde normen. Zo kan onderzocht worden of aan de gestelde normen wordt voldaan, aldus het college. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Verder heeft het college toegelicht dat de drie woningen waarvoor een geurnorm is opgenomen, zijnde Berktweg 10, Breemortelweg 25 en Energiestraat 12, het dichtst bij de inrichting zijn gelegen en dat als bij die woningen aan de in het voorschrift opgenomen normen wordt voldaan dit ook geldt voor de woningen binnen en buiten de bebouwde kom die verder van de inrichting zijn gelegen. Dit standpunt kan niet onjuist worden geacht. Derhalve heeft het college in redelijkheid mogen volstaan met het opnemen van geurnormen voor de drie woningen.

De beroepsgrond faalt.

Geuronderzoek

10.    [appellant sub 2] betoogt dat het college zich niet op het geuronderzoek van PRA Odournet mocht baseren, omdat het is ingediend nadat het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen en hij daarop niet heeft kunnen reageren.

10.1.    Het college stelt dat na de ter inzage legging van het ontwerpbesluit de Richtlijn Mestverwerkingsinstallaties is vervallen en daarom een aanvullend geuronderzoek op basis van de NeR is verricht.

Nu dit uitsluitend een onderzoek betreft ter nadere motivering van het milieuaspect geur, heeft het college terecht geen aanleiding gezien het ontwerpbesluit opnieuw ter inzage te leggen. Voorts heeft [appellant sub 2] in beroep de mogelijkheid gehad zich over het geuronderzoek uit te laten.

De beroepsgrond faalt.

11.    [appellant sub 2] voert aan dat in het geuronderzoek ten onrechte wordt uitgegaan van een emissiepunt van de luchtwasser van 10 m, terwijl uit de aanvraag blijkt dat het emissiepunt op 5,5 m hoogte is gelegen. Hij wijst er in dit verband ook op dat het bestemmingsplan slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte van 6 m toestaat, zodat vergunningverlening daarom niet mogelijk is.

11.1.    Het college erkent dat de hoogte van het emissiepunt van de luchtwasser op de tekening bij de vergunningaanvraag niet overeenkomt met de hoogte van het emissiepunt in het geuronderzoek. Volgens het college moet, gelet op de uitkomst van dat onderzoek, het emissiepunt een hoogte hebben van 10 m. Voorts stelt het college dat de in het bestemmingsplan maximale toegestane hoogte van 6 m voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet geldt voor een ventilatiekoker. Indien de Afdeling oordeelt dat de ventilatiekoker wel moet worden aangemerkt als een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is het college bereid voor de oprichting ervan met een hoogte van 10 m ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen, zodat geen grond bestaat de vergunning te weigeren ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer.

11.2.    [appellant sub 2] heeft terecht aangevoerd dat in het geuronderzoek is uitgegaan van een schoorsteenhoogte van 10 m, terwijl de hoogte van het emissiepunt op de tekening bij de vergunningaanvraag 5,5 m is. Het college heeft toegelicht dat een hoogte van 10 m voor het emissiepunt noodzakelijk is. Derhalve is het bepaalde in vergunningvoorschrift 0.2, dat het emissiepunt van de gecombineerde luchtwasser dient te zijn uitgevoerd conform de aanvraag, onjuist. Daargelaten of het bestemmingsplan een ventilatiekoker van 10 m toelaat, is het college bereid de realisering ervan, indien nodig, planologisch mogelijk te maken. Het college hoefde daarin dan ook geen aanleiding te zien de milieuvergunning te weigeren.

Nu het bepaalde in vergunningvoorschrift O.2 onjuist is, is het besluit van 15 november 2011 op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en moet het in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd.

12.    [appellant sub 3] betoogt dat het geuronderzoek ondeugdelijk is. Hiertoe voert hij aan dat onduidelijk is waarvan de gehanteerde kengetallen afkomstig zijn. Voorts stelt hij dat ten onrechte is vermeld dat de bedrijfsactiviteiten van 7 tot 19 uur plaatsvinden, terwijl in de aanvraag is vermeld dat het bedrijf 24 uur per dag in werking is. Verder is volgens hem ten onrechte uitgegaan van zeven vrachtwagens per dag voor de aan- en afvoer van mest, nu in de toelichting op het wijzigingsplan ter realisering van het mestverwerkingsbedrijf 30 transportbewegingen van vrachtwagens zijn vermeld. Het is verder onduidelijk in hoeverre rekening is gehouden met de mogelijkheid dat organische materialen gedurende de opslag onder invloed van tijd en temperatuur gaan broeien en fermenteren. Hierbij kunnen geuremissies ontstaan die tot overlast kunnen leiden, aldus [appellant sub 3].

Ook [appellant sub 2] bestrijdt de deugdelijkheid van het geuronderzoek. Hij voert aan dat de luchtwasser is ingevoerd als vijf verschillende bronnen, terwijl het eigenlijk één stankbron is. Verder stelt hij dat de bron een debiet heeft van 13,5 m³/uur en dat in het geuronderzoek 23,5 m³/uur het uitgangspunt is. Ook voert [appellant sub 2] aan dat diverse geurbronnen ontbreken, waaronder de put met afvalwater, de mestopslagsilo’s en het buitenterrein. In dit verband wijst hij er op dat de put met afvalwater en de mestopslagsilo’s verdringingslucht emitteren. Bovendien kunnen het afvalwater in de put en de mest in de mestopslagsilo’s gaan gisten. Wat betreft het buitenterrein wijst hij op de aanwezigheid van de wasplaats en de omstandigheden dat mest wordt aan- en afgevoerd en buiten vrachtwagens worden gestald. Al het voorgaande in aanmerking genomen wordt de geurbelasting onderschat, aldus

[appellant sub 2].

12.1.    Wat de gehanteerde kengetallen betreft, blijkt uit paragraaf 3.1 van het geuronderzoek wat de onderzoeken zijn waar de kengetallen op zijn gebaseerd. Het gaat om gegevens die qua aard overeenkomen met de processen binnen de inrichting. Het college wijst er verder op dat in het geuronderzoek is vermeld dat de bedrijfsactiviteiten voornamelijk plaatsvinden tussen 7 en 19 uur. Dat sluit niet uit dat gedurende andere tijdstippen eveneens bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Zo vindt de opslag en het composteren van mest 24 uur per dag plaats. In het geuronderzoek is er daarom vanuit gegaan dat de verschillende bedrijfsprocessen verschillende bedrijfsduren hebben. Het college stelt verder dat 30 transportbewegingen met vijftien vrachtwagens overeenkomen en dat niet al die vrachtwagens mest aan- en afvoeren. Gelet op de maximale verwerkingscapaciteit van 24.900 ton mest per jaar zullen maximaal zeven vrachtwagens per dag mest aan- of afvoeren. Uit bijlage 2 bij de aanvraag blijkt volgens het college verder dat de mogelijke verhitting van organische materialen in een nagenoeg gesloten systeem plaatsvindt. De lucht voor ontluchting wordt door een extern biologische filter geleid en is geurloos. Derhalve is het proces niet meegenomen als geurbron.

Wat betreft de stelling van [appellant sub 2], dat de luchtwasser ten onrechte als vijf verschillende bronnen is ingevoerd, stelt het college dat die bronnen zijn gebruikt om aan te geven waar de verschillende emissies binnen het proces van mestverwerking vrijkomen. De bronnen dienen apart te worden benoemd en meegenomen in de berekening, aangezien niet alle bronnen continu emitteren. Verder heeft het college toegelicht dat het debiet van 13,5 m³/uur geen betrekking heeft op de emissie vanuit een bron. Het geeft aan dat per uur maximaal 13,5 m³ mest kan worden gescheiden. Uit het geuronderzoek blijkt dat bij onderhavige mestscheidingsinstallatie minder dan 23,5 m³/uur mest zal worden gescheiden, maar dat daar in verband met de berekening van het worst case scenario vanuit is gegaan. Het college stelt voorts dat zowel de put met afvalwater als de mestopslagsilo’s geen open bassins zijn, maar zijn afgedekt en alleen door uitluchtingsopeningen met de buitenlucht zijn verbonden. De geur die vrijkomt bij de aan- en afvoer van mest is meegenomen in de geurberekening. Het college stelt verder dat de wasplaats en vrachtwagens geen geurbronnen zijn. Het vrijkomende waswater gaat naar een afgesloten put en de inhoud van de tank van vrachtwagens staat niet in open verbinding met de buitenlucht.

12.2.    In hetgeen [appellant sub 3] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd kan, gegeven de nadere motivering van het college, geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het geuronderzoek in zoverre ondeugdelijk is.

De beroepsgrond faalt.

13.    [appellant sub 2] betoogt dat in het geuronderzoek geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat de deuren van de mestloods regelmatig open zullen staan voor de aan- en afvoer van mest of omdat werknemers in de loods behoefte hebben aan frisse lucht.

13.1.    Voorschrift P.2 bepaalt dat de deuren gesloten moeten zijn tijdens de bewerking van mest, behoudens tijdens het doorlaten van personen en goederen. Gelet hierop mist dit betoog feitelijke grondslag.

Geluid

14.    [appellant sub 1], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat in vergunningvoorschrift F.2 ten onrechte slechts normen zijn opgenomen voor het maximale geluidniveau (Lmax) voor vier woningen. Ook is volgens hen in het akoestisch onderzoek van Milieu Adviesbureau B.V. van 2 september 2009 ten onrechte niet vermeld waardoor het Lmax wordt veroorzaakt en wordt zonder nadere motivering voor zowel de dag- als de avondperiode afgeweken van de streefwaarden voor het Lmax uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking).

14.1.    Het college stelt dat de in voorschrift F.2 opgenomen woningen het dichtst bij de inrichting liggen. Indien aan de daarvoor opgenomen normen wordt voldaan dan geldt dit ook voor andere in de omgeving gelegen woningen, zodat het stellen van normen voor andere woningen niet nodig is. Dit standpunt kan niet onjuist worden geacht. In zoverre faalt het betoog.

Verder zijn in het akoestisch onderzoek de belangrijkste geluidbronnen vermeld, te weten het lossen en overpompen van mest door vrachtwagens of tractoren, het lossen van diesel en propaangas, het gebruik van de poetsplaats, de inpandige mestverwerking, de luchtwasser en de rookgasuitlaat van de WKK-unit.

Voorts bevat paragraaf 3.2 van de Handreiking de aanbeveling de grenswaarden voor het Lmax te bepalen op 10 dB(A) boven de voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vastgestelde grenswaarden, doch op niet meer dan 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. De in voorschrift F.2 opgenomen normen voor het Lmax blijven daaronder. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

15.    [appellant sub 2] voert aan dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte is vermeld dat het geluidniveau bij de woning aan de Berktweg 10 identiek is aan dat bij de woning aan de Berktweg 17. Ten eerste gaat het volgens hem om de woning aan de Hoekske 17 in plaats van de Berktweg 17. Daarnaast is de afstand van de inrichting tot de woning aan de Hoekske 17 veel groter dan de afstand tot de woning aan de Berktweg 10, zodat het geluidniveau niet hetzelfde kan zijn.

15.1.    Het college erkent dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte Berktweg 17 is vermeld. Ter zitting is toegelicht dat uit de coördinaten op de bij het akoestisch onderzoek behorende tekening blijkt dat Kranenmortelweg 17 is bedoeld en niet, zoals [appellant sub 2] stelt, Hoekske 17. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Nu in voorschrift F.2, sub c, niet het juiste adres is vermeld, is het besluit van 15 november 2011 op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en moet het in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd.

In zoverre slaagt de beroepsgrond.

15.2.    Wat betreft de stelling van [appellant sub 2], dat het niet mogelijk is dat het geluidniveau bij de woning aan de Berktweg 10 hetzelfde is als dat bij de woning aan de Kranenmortelweg 17, stelt het college dat niet alleen de afstand bepalend is, maar ook de plaats binnen de inrichting waar de activiteiten plaatsvinden en de afschermende werking van tussenliggende bouwwerken. Berekend is dat de geluidbelasting op de woningen Berktweg 10 en Kranemortelweg 17 tijdens de dagperiode hetzelfde is. Door [appellant sub 2] is niet aannemelijk gemaakt dat die berekening onjuist is.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

16.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het akoestisch onderzoek ondeugdelijk is en het college het besluit van 15 november 2011 daar niet op heeft mogen baseren. Hiertoe stellen zij dat het leveren van propaan, diesel, zuur en toeslagstoffen en het vullen van de propaan- en dieseltank ten onrechte niet als geluidbronnen zijn meegenomen. Ook is volgens [appellant sub 3] het aantal personenauto’s en de bedrijfsduur van een aantal geluidbronnen onjuist weergegeven. Drie personenauto’s per dag voor een bedrijf met deze omvang is erg weinig, aldus [appellant sub 3]. Daarnaast is de gehanteerde tijdsduur voor het laden en lossen van de mest en het wegen van vrachtwagens onjuist. Ook is volgens [appellant sub 3] onduidelijk in hoeverre rekening is gehouden met het geluid afkomstig van de weegbrug en het geluid van wachtende vrachtwagens. Tevens stellen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] dat niet is onderkend dat de deuren regelmatig open zullen staan voor de aan- en afvoer van mest of omdat werknemers behoefte hebben aan frisse lucht. Tevens had een straffactor voor tonaal geluid moeten worden toegepast, omdat een fluittoon ontstaat indien de luchtwasser op vollast draait met een uitstroomsnelheid van 2,26 m/s. Tot slot voeren zij aan dat onduidelijk is hoe de bronvermogens zijn vastgesteld.

16.1.    Het college stelt dat in het akoestisch onderzoek rekening is gehouden met 28 transportbewegingen voor vrachtwagens per dag in de dag- en twee in de avondperiode. Die bewegingen zijn nodig voor het leveren van onder meer propaan, dieselolie, zwavelzuur en toeslagstoffen en voor de aan- en afvoer van mest. Volgens het college is daarnaast alleen de aan- en afvoer van mest meegenomen in het akoestisch onderzoek, omdat het leveren van de overige producten niet als geluidrelevant wordt beschouwd.

Volgens het college bestaat verder geen aanleiding te veronderstellen dat zes verkeersbewegingen van personenauto’s per dag onvoldoende is voor een goede bedrijfsvoering. Indien blijkt dat meer vervoersbewegingen van personenauto’s plaatsvinden, dan is dat een kwestie van handhaving, aldus het college. Wat betreft de stelling van [appellant sub 3], dat de tijdsduur voor het laden en lossen onjuist is weergegeven, stelt het college dat de vijftien vrachtwagens per dag niet alle komen om mest te laden en lossen, maar ook om de andere producten te leveren. Per dag zullen maximaal zeven vrachtwagens mest komen laden en lossen. Dit is als uitganspunt in het akoestisch onderzoek meegenomen, omdat het leveren van de andere producten niet als geluidrelevant wordt beschouwd. Verder is volgens het college het geluidvermogenniveau van een vrachtwagen tijdens het wegen dat is vermeld in het akoestisch rapport representatief voor een stationair lopende vrachtwagen. Doordat maximaal zeven vrachtwagens met mest per dag worden geladen en gelost en deze activiteit kan plaatsvinden in een tijdsbestek van 07:00 tot 23:00 uur is het niet aannemelijk dat vrachtwagens op elkaar moeten wachten, aldus het college. Verder maakt de weegbrug geen geluid, zodat die niet als geluidrelevante bron hoeft te worden meegenomen. Volgens het college is er dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat de in de akoestische berekening meegenomen tijdsduur en geluidvermogenniveau voor het laden en lossen van mest en het wegen van een vrachtwagen niet juist zijn.

Voorts wijst het college er op dat is gerekend met open deuren in de dagperiode en met gesloten deuren in de avond- en nachtperiode, terwijl in voorschrift P.2 is bepaald dat de deuren gesloten moeten zijn tijdens de bewerking van mest, behoudens in geval van het doorlaten van personen en goederen. De feitelijke geluidbelasting is derhalve lager dan de berekende, aldus het college. Verder stelt het dat de veronderstelling dat een fluittoon optreedt suggestief en niet onderbouwd is en dat voor de vaststelling van het bronvermogen van alle geluidbronnen gebruik is gemaakt van de bibliotheek van Milieu Adviesbureau. Hierbij zijn bronvermogens van bekende geluidbronnen genomen die qua aard en intensiteit overeenkomen met de geluidbronnen binnen de inrichting. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de bepaling van de bronvermogens, aldus het college.

16.2.    Gelet op deze motivering van het college hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het akoestisch onderzoek deugdelijk is.

De beroepsgrond faalt.

Indirecte hinder

17.    [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 3] betogen dat onvoldoende vast staat dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) (etmaalwaarde) van de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" (hierna: de circulaire). Hiertoe voeren zij aan dat uit het akoestisch onderzoek blijkt dat aan de voorkeurgrenswaarde van de circulaire wordt voldaan indien 90 procent van de voertuigen via de oostelijke en tien procent via de westelijke richting de inrichting benadert en verlaat. Volgens [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 3] is met het in voorschrift F.3 bepaalde, dat alle maatregelen en voorzieningen uit het akoestisch rapport moeten worden uitgevoerd, onvoldoende gewaarborgd dat het aan- en afrijdend verkeer ook daadwerkelijk grotendeels via oostelijke richting de inrichting zal benaderen en verlaten.

17.1.    In voorschrift F.3 is uitdrukkelijk bepaald dat alle in het akoestisch onderzoek genoemde maatregelen en voorzieningen die als uitgangspunt zijn genomen om aan vermelde geluidniveaus te kunnen voldoen, moeten worden uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek maakt ook deel uit van de vergunningaanvraag. Omdat daarmee vergunning is gevraagd voor een situatie waarbij 90 procent van het verkeer via de oostelijke richting en tien procent via de westelijke rijdt en met die verdeling de voorkeurgrenswaarde van 50 dB(A) van de circulaire kan worden nageleefd, hoefde het college de vergunning niet te weigeren vanwege de te verwachten indirecte hinder.

De beroepsgrond faalt.

Ammoniak

18.    [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 3] betogen dat het college voor de beoordeling van de emissie van ammoniak ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav). Volgens hen had de aanvraag moeten worden getoetst aan het algemene toetsingskader van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer. [appellant sub 3] stelt in dit verband dat uit de memorie van toelichting bij de Wav blijkt dat onder de ammoniakbelasting van dierenverblijven niet mede wordt verstaan de ammoniakbelasting vanwege het opslaan of verwerken van mest buiten dierenverblijven.

[appellant sub 3] heeft voorts gesteld dat op grond van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer de beste beschikbare technieken moeten worden toegepast en dat, omdat de emissies van mestverwerking niet dezelfde zijn als bij het houden van dieren, niet gesteld kan worden dat dezelfde technieken voldoen. Ondanks het feit dat de gecombineerde luchtwasser een hoge reductie kent, is niet beoordeeld of er mogelijk nog betere technieken zijn, aldus [appellant sub 3]. Volgens hem had beoordeeld moeten worden of de gecombineerde luchtwasser voldoet aan de van toepassing zijnde BREF. Ook had getoetst moeten worden aan de Handreiking (co)vergisting van mest (hierna: de handreiking).

18.1.    Het college stelt dat in de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer niet is bepaald op welke manier de ammoniakemissie van een mestverwerkingsbedrijf moet worden beoordeeld. De artikelen bepalen dat gekeken moet worden naar de invloed van emissies en of de beste beschikbare technieken zijn toegepast om de emissies te beperken. Voorts stelt het college dat de vrijkomende ammoniak bij mestverwerking overeenkomt met die bij veehouderijen. Daarom is het volgens het college gerechtvaardigd om aansluiting te zoeken bij de Wav.

Daarnaast wordt een gecombineerd luchtwassysteem gebruikt voor het reinigen van de uitgaande lucht uit de mestverwerkingsloods. Een gecombineerde luchtwasser wordt bij een veehouderij gezien als beste beschikbare techniek. Aangezien de samenstelling van de uittredende lucht overeenkomt met de samenstelling van de lucht uit een stal, zal de werking van de luchtwasser identiek zijn en kan het gecombineerde luchtwassysteem ook voor een mestverwerkingsbedrijf als beste beschikbare techniek worden beschouwd, aldus het college. Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 3], dat had moeten worden beoordeeld of het gecombineerde luchtwassysteem voldoet aan de van toepassing zijnde BREF, stelt het college dat de BREF alleen van toepassing is op een gpbv-installatie en dat dit mestverwerkingsbedrijf dat niet is. Wat betreft de handreiking wijst het college er op dat daarin is vermeld dat bij mestvergisting geen emissies van ammoniak plaatsvinden waardoor de handreiking geen duidelijk kader biedt voor het toetsen van de ammoniakemissie.

18.2.    Ter zitting heeft het college nog toegelicht dat de beoordeling van de emissie van ammoniak overeenkomstig de NeR heeft plaatsgevonden en dat daaruit naar voren is gekomen dat voldaan kan worden aan de ammoniakemissie-eisen van 150 g/uur en 30 mg/mo3. Het college stelt dat echter verzuimd is een normering conform de NeR aan de vergunning te verbinden en heeft daartoe het voorstel gedaan om alsnog hiertoe een voorschrift O.9 aan de vergunning te verbinden om ervoor zorg te dragen dat de mestverwerkingsinstallatie niet meer ammoniak emitteert dan volgens de NeR is toegestaan. Gelet hierop is het besluit van 15 november 2011 op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en moet het in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd.

In zoverre slaagt de beroepsgrond.

18.3.    Met hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd is niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat het gecombineerde luchtwassysteem als beste beschikbare techniek kan worden beschouwd. Voorts kan de stelling van het college dat in dit geval geen BREF van toepassing is en de handreiking geen duidelijk kader biedt voor het toetsen van de ammoniakemissie niet onjuist worden geacht.

In zoverre faalt de beroepsgrond.

Luchtkwaliteit

19.    [appellant sub 3] betoogt dat het college ten onrechte stelt dat de emissie van fijnstof als gevolg van de activiteiten binnen de inrichting voldoet aan de normen van het Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en een nadere toetsing aan de grenswaarden voor de buitenlucht daarom niet nodig is. Hiertoe voert hij aan dat dit niet blijkt uit het bij de aanvraag gevoegde rapport ‘Rapport toetsingskader lucht Mestverwerkingsbedrijf [locatie] te Deurne’, van Bergs Advies B.V. van 31 december 2009, nu daarin niet wordt ingegaan op de luchtkwaliteit. Achter het akoestisch onderzoek zijn wel enkele pagina’s gehecht met betrekking tot fijnstof; het is evenwel niet duidelijk door wie die beoordeling is opgesteld. Evenmin is duidelijk of die beoordeling heeft plaatsgevonden conform de Handreiking Rekenen aan Luchtkwaliteit (hierna: de handreiking) en zijn daarin ten onrechte slechts de verkeersbewegingen van en naar en binnen de inrichting en niet de bedrijfsactiviteiten meegenomen, aldus [appellant sub 3].

19.1.    Het college stelt dat het onderzoek naar luchtkwaliteit, dat achter het akoestisch onderzoek is gevoegd, is opgesteld door een adviseur van vergunninghouder en dat het voor een beoordeling daarvan niet van belang is wie het heeft opgesteld. Uit dat onderzoek blijkt dat de emissie van fijnstof als gevolg van de inrichting zodanig is dat deze als niet in betekenende mate moet worden beschouwd. Voorts stelt het college dat de toetsing heeft plaatsgevonden conform de handreiking. Het college wijst er verder op dat voor het mestverwerkingsbedrijf met name de fijnstof die vrijkomt bij verkeersbewegingen van belang is. Bij de diverse processen van mestverwerking is de kans op fijnstofemissie klein, aangezien het in alle gevallen een nat proces is. Daarnaast wordt eventuele vrijkomende fijnstof afgezogen uit de verwerkingsruimte en via het gecombineerde luchtwassysteem afgevoerd.

19.2.    [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college het besluit niet mocht baseren op het onderzoek over fijnstof dat bij het akoestisch onderzoek is gevoegd. Dat het onderzoek in opdracht van vergunninghouder is verricht, is gebruikelijk. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de beoordeling niet conform de handreiking heeft plaatsgevonden. [appellant sub 3] heeft verder niet bestreden dat de kans op emissie van fijnstof ten gevolge van de mestverwerking klein is, omdat het een nat proces is. Daarnaast wordt eventueel vrijkomend fijnstof afgezogen uit de verwerkingsruimte en via het luchtwassysteem afgevoerd. Nu in het onderzoek naar luchtkwaliteit is geconcludeerd dat de emissie van fijnstof ten gevolge van het verkeer van en naar de inrichting en de verkeersbewegingen binnen de inrichting een zodanige omvang heeft dat dit niet in betekenende mate bijdraagt, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat een nadere toetsing aan de grenswaarden voor de buitenlucht niet nodig is.

De beroepsgrond faalt.

Bodem

20.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het college ten onrechte heeft gesteld dat een nulsituatie-bodemonderzoek niet noodzakelijk is. Hiertoe voeren zij aan dat vanwege de bedrijfsvoering bij een mestverwerkingsbedrijf risico’s bestaan op bodemverontreiniging.

[appellant sub 3] betoogt voorts dat het bestreden besluit onvoldoende voorschriften bevat ter bescherming van de bodem en het grondwater. Tevens heeft het college ongemotiveerd gesteld dat uit de beoordelingssystematiek van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (hierna: NRB) een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging bestaat. Uit het besluit blijkt niet dat het college het in de NRB opgenomen beslismodel heeft gevolgd, aldus [appellant sub 3].

20.1.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 1997 in zaak nr. E03.95.0821 (M en R 1997/6, nr. 70), kan bij veehouderijen ervan worden uitgegaan dat bij naleving van de opgenomen voorschriften de kwaliteit van de bodem en het grondwater niet in relevante mate nadelig zullen worden beïnvloed, zodat een nulsituatie-bodemonderzoek niet nodig is. Het college stelt dat deze jurisprudentie niet alleen voor veehouderijen, maar ook in dit geval mag worden toegepast. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet op dat standpunt heeft mogen stellen. Dat in een mestverwerkingsbedrijf de mest op een andere wijze wordt behandeld dan bij een veehouderij, leidt niet tot een ander oordeel. Derhalve heeft het college zich eveneens in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat een nulsituatie-bodemonderzoek niet nodig is. Daartoe is van belang dat in het bestreden besluit is vermeld dat de dieselolietank dubbelwandig is, gevaarlijke stoffen worden opgeslagen boven een lekbak en de poetsplaats en mestverwerkingsloods zijn voorzien van een vloeistofdichte betonvloer. Voorts is in voorschrift G.9 bepaald dat grond- en hulpstoffen en afvalstoffen na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten uit de inrichting  moeten worden afgevoerd.

Gelet op het voorgaande heeft [appellant sub 3] voorts tevergeefs aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende voorschriften bevat ter bescherming van de bodem en het grondwater.

Tot slot heeft het college gesteld dat de beoordelingssystematiek van de NRB is gevolgd en dat daaruit is gebleken dat een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging bestaat. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is.

De beroepsgrond faalt.

Energieverbruik

21.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat een onderzoek naar energiebesparende maatregelen ontbreekt. Voorts heeft het college volgens hen ten onrechte geen aanvullende voorschriften met betrekking tot een beperking van het energieverbruik aan de vergunning verbonden.

21.1.    In de aanvraag zijn als energiereducerende maatregelen het toepassen van energiezuinige verlichting en thermische isolatie genoemd. Die maatregelen moeten worden uitgevoerd. In voorschrift D.1 is verder bepaald dat binnen de inrichting alle bekende energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder moeten worden genomen. Voorts dient ingevolge voorschrift D.3 binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van de milieuvergunning een onderzoek te zijn verricht waaruit blijkt dat aan voorschrift D.1 kan worden voldaan. Indien blijkt dat niet wordt voldaan aan voorschrift D.1 dan neemt degene die de inrichting drijft de in dat voorschrift bedoelde maatregelen binnen een door het bevoegd gezag te bepalen redelijke termijn.

[appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college de voorschriften D.1 en D.3 niet toereikend heeft hoeven achten en aanvullende voorschriften over het energieverbruik en een nader onderzoek naar energiebesparende maatregelen aan de vergunning had moeten verbinden.

De beroepsgrond faalt.

Afvalstoffen

22.    [appellant sub 3] betoogt dat in het bestreden besluit een deugdelijk voorschrift ontbreekt voor het voorkomen van afvalstoffen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het doelmatig beheer en afvoer daarvan.

22.1.    In het bestreden besluit is vermeld dat in de inrichting afvalstoffen, zoals huishoudelijk afval, groenafval, papier, spuiwater, afgewerkte olie en kapotte TL-verlichting, ontstaan en dat die afvalstoffen gescheiden worden ingezameld, opgeslagen en afgevoerd. In de vergunning zijn verder in hoofdstuk G voorschriften opgenomen voor de opslag en afvoer van afvalstoffen. Ook is in een voorschrift bepaald dat de afvoer van gevaarlijke afvalstoffen moet worden geregistreerd.

Met zijn niet nader gemotiveerde stelling heeft [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat met de in hoofdstuk G opgenomen voorschriften onvoldoende is gewaarborgd dat, voor zover het ontstaan van afvalstoffen is te voorkomen, alle afvalstoffen goed worden beheerd en afgevoerd.

De beroepsgrond faalt.

Afvalwater

23.    Volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 3] ontbeert het bestreden besluit een voorschrift om afvalwater te voorkomen en, voor zover dat niet mogelijk is, het doelmatig beheer daarvan. Zij stellen verder beiden dat uit de aanvraag niet blijkt of het spuiwater van de mestverwerkingsloods wordt afgevoerd als meststof of als gevaarlijk afval. [appellant sub 3] voert ook aan dat onduidelijk is wat er gebeurt met de verontreinigde stoffen afkomstig van de ontijzeringsinstallatie.

23.1.    In het bestreden besluit is vermeld dat binnen de inrichting afvalwater vrijkomt van huishoudelijke aard en door het gebruik van de poetsplaats bij het reinigen van vrachtwagens. De inrichting is aangesloten op de gemeentelijke drukriolering. Uit de aanvraag blijkt dat de afvalwaterstroom met huishoudelijk afvalwater op de drukriolering wordt geloosd. Ten aanzien van een lozing op de drukriolering zijn voorschriften aan de vergunning verbonden. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat het spuiwater van de mestverwerkingsloods niet in het openbaar riool mag worden gebracht. Die afvalwaterstroom wordt opgeslagen in een opslagput. Deze afvalwaterstroom bevat meststoffen waardoor de verwijdering hiervan valt onder de bepalingen van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen. Over de manier waarop spuiwater moet worden opgeslagen en afgevoerd zijn voorschriften in hoofdstuk J opgenomen.

[appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk gemaakt dat aan de vergunning onvoldoende voorschriften zijn verbonden om afvalwater te voorkomen en, voor zover dat niet mogelijk is, het doelmatig beheer ervan te waarborgen. Wat betreft de stelling dat onduidelijk is wat er gebeurt met de verontreinigde stoffen afkomstig van de ontijzeringsinstallatie, geldt dat die installatie niet is aangevraagd en vergund.

De beroepsgrond faalt.

Veiligheid

24.    [appellant sub 3] betoogt dat het college niet heeft beoordeeld of aan de vereisten uit het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (hierna: het Gebruiksbesluit), de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 en 30 (hierna: de PGS 15 en 30) en het Activiteitenbesluit wordt voldaan. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] bestrijden verder beiden dat niet aan de vereiste veiligheidsafstanden wordt voldaan, zoals opgenomen in tabel 3.28 van het Activiteitenbesluit. Zij wijzen er in dit verband op dat de propaantank tegenover de opstelplaats voor vrachtwagens ligt, zodat er een kans bestaat dat een vrachtwagen tegen de tank of tankwagen botst.

24.1.    Het college stelt dat uit de aanvraag blijkt dat binnen de inrichting brandblusmiddelen aanwezig zullen zijn en dat voor de aanwezigheid en werking van mobiele brandblusmiddelen het Gebruiksbesluit van toepassing is. Of daadwerkelijk aan dat besluit is voldaan, is volgens het college een kwestie van handhaving. Voorts is in het bestreden besluit vermeld dat in de inrichting opslag van 5.000 liter diesel plaatsvindt in een dubbelwandige bovengrondse opslag en dat die tank dient te voldoen aan de eisen uit de PGS 30. Ook zijn ten aanzien van de opslag van diesel- en huisbrandolie voorschriften aan de vergunning verbonden overeenkomstig de PGS 30. In de inrichting wordt tevens 1.000 liter zwavelzuur opgeslagen in een bovengrondse opslagtank. Deze opslag moet volgens het bestreden besluit voldoen aan de eisen zoals gesteld in de PGS 15. Daartoe zijn eveneens voorschriften aan de vergunning verbonden. Ten aanzien van de opslag van propaan is in het bestreden besluit vermeld dat 13 m³ propaan in een bovengrondse opslagtank wordt opgeslagen. Op die activiteit zijn de voorschriften uit paragraaf 3.3.4 van het Activiteitenbesluit van toepassing. Voorts gelden de bepalingen en voorschriften uit de afdelingen 1.1, 1.2 en 2.1 van dat besluit. Volgens het college moet aan die voorschriften worden voldaan en als dit niet het geval is, is dat een kwestie van handhaving.

24.2.    Gelet op het voorgaande heeft [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat het college het Gebruiksbesluit, de PGS 15 en 30 en het Activiteitenbesluit niet bij de beoordeling van de vergunningaanvraag heeft betrokken. Het college heeft terecht gesteld dat de vraag of aan die besluiten wordt voldaan een kwestie van handhaving is. Wat de stelling van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betreft, dat niet wordt voldaan aan de in tabel 3.28 van het Activiteitenbesluit opgenomen veiligheidsafstanden, geldt dat die afstanden zijn voorgeschreven voor de opstelplaats van een opslagtank met propaan, het vulpunt van een opslagtank met propaan en de opstelplaats van de tankwagen ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Zij wijzen er in dit verband tevergeefs op dat de propaantank tegenover de opstelplaats voor vrachtwagens ligt. Niet is gesteld dat niet wordt voldaan aan de voorgeschreven afstand ten opzichte van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten buiten de inrichting.

De beroepsgrond faalt.

Milieu hygiënische procesvoering

25.    [appellant sub 2] betoogt dat onvoldoende voorschriften aan de vergunning zijn verbonden voor een milieu hygiënisch verantwoorde procesvoering. In dit verband voert hij aan dat voorschrift A.1 te globaal en voorschrift A.5 te vaag is. Voorts ontbreekt volgens hem een voorschrift ten behoeve van het beperken van de nadelige gevolgen die kunnen worden veroorzaakt door het opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden.

25.1.    Ingevolge voorschrift A.1 moet de inrichting schoon worden gehouden en in een goede staat van onderhoud verkeren.

Ingevolge voorschrift A.5 moet het aantrekken van vogels, insecten, knaagdieren en ongedierte zoveel mogelijk worden voorkomen door het treffen van doelmatige bestrijdings- c.q. afschermingsmethoden.

25.2.    Het college stelt dat naast de voorschriften A.1 en A.5 nog andere voorschriften zijn opgenomen ter bevordering van een milieu hygiënisch verantwoorde procesvoering, zoals de voorschriften G.3 en G.7. In voorschrift G.3 is bepaald dat het bewaren van (gevaarlijke) afvalstoffen op ordelijke en nette wijze moet geschieden binnen de inrichting en dat van afvalstoffen afkomstige geur, stof of percolaat zich niet buiten de inrichting mag verspreiden. Voorschrift G.7 bevat regels over de wijze waarop al dan niet gevaarlijke afvalstoffen moeten worden afgevoerd. Voorts zijn verschillende voorschriften opgenomen om ongevallen te voorkomen of om, indien zich een ongeval voordoet, de gevolgen daarvan zo klein mogelijk te houden. Ook zijn in hoofdstuk P van de voorschriften ten aanzien van de gecombineerde luchtwasser voorschriften ter bevordering van een goed gebruik en onderhoud opgenomen. Wat betreft de stelling van [appellant sub 2] dat een voorschrift ontbreekt om maatregelen te treffen om bij bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt ongedaan te maken of te beperken, wijst het college op voorschrift G.9. Daarin is bepaald dat grond-, hulp- en afvalstoffen na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten uit de inrichting afgevoerd moeten worden.

25.3.    Gelet op deze uiteenzetting van het college, heeft dit zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende voorschriften aan de vergunning zijn verbonden voor een milieu hygiënisch verantwoorde procesvoering.

De beroepsgrond faalt.

Gezondheid en respect op privé leven en de woning

26.    [appellant sub 2] betoogt dat de inrichting schadelijke effecten op zijn gezondheid zal hebben vanwege de te verwachten geur- en geluidhinder en het besmettingsgevaar door mest. Volgens hem heeft het college in strijd met het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, als bedoeld in artikel 191, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), onvoldoende gemotiveerd dat er een aanvaardbaar niveau van geluid, geur en besmettingsgevaar is. Voorts is volgens [appellant sub 2] het verlenen van de vergunning in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Onder verwijzing naar de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Moreno Gomez tegen Spanje, arrest van 16 februari 2005, nr. 4143/02 en Fadeyeva tegen Rusland, arrest van 30 november 2005, nr. 55723/00 (www.echr.coe.int), stelt [appellant sub 2] dat op de lidstaten een positieve plicht rust tot het treffen van redelijke en doeltreffende maatregelen om het genot van een rustig gezinsleven te verzekeren.

26.1.    Ingevolge artikel 191, tweede lid, van het VWEU streeft de Unie in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio's van de Unie. Haar beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

26.2.    Het betoog van [appellant sub 2] dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 191, tweede lid, van het VWEU, faalt, reeds omdat dit artikel betrekking heeft op het door de Europese Unie te voeren beleid.

[appellant sub 2] heeft verder, gelet op hetgeen in deze uitspraak is overwogen, niet aannemelijk gemaakt dat de verlening van de vergunning een zodanig negatieve invloed kan hebben op zijn leefgenot in en in de omtrek van zijn woning of anderszins op zijn leven, waaronder begrepen zijn gezondheid, dat een inmenging in de zin van artikel 8 van het EVRM plaatsvindt. Voorts geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college te kort is geschoten in een op hem rustende positieve verplichting om redelijke en gepaste maatregelen te nemen ter bescherming van de in artikel 8, eerste lid, van het EVRM neergelegde rechten.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

27.    De beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 2], voor zover ingesteld door [appellant sub 2A], zijn niet-ontvankelijk. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], voor zover niet ingesteld door [appellant sub 2A], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] zijn gegrond, voor zover het het ontbreken van een voorschrift om ervoor zorg te dragen dat de mestverwerkingsinstallatie niet meer ammoniak emitteert dan volgens de NeR is toegestaan, betreft. Het beroep van [appellant sub 2], voor zover niet ingesteld door [appellant sub 2A], is tevens gegrond, voor zover het de voorschriften F.2, sub c, en O.2 betreft. Het besluit dient in zoverre te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding zelf in de zaak voorziend de voorschriften F.2, sub c, en O.2 aan te passen en aan de vergunning voorschrift O.9 te verbinden om ervoor zorg te dragen dat de mestverwerkingsinstallatie niet meer ammoniak emitteert dan volgens de NeR is toegestaan. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], voor zover niet ingesteld door [appellant sub 2A], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] zijn voor het overige ongegrond.

28.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 2], voor zover ingesteld door [appellant sub 2A], niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], voor zover niet ingesteld door [appellant sub 2A], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] gegrond, voor zover het het ontbreken van een voorschrift om ervoor zorg te dragen dat de mestverwerkingsinstallatie niet meer ammoniak emitteert dan volgens de NeR is toegestaan, betreft;

III.    verklaart het beroep van [appellant sub 2], niet voor zover ingesteld door [appellant sub 2A], tevens gegrond, voor zover het de voorschriften F.2, sub c, en O.2 betreft;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Deurne van 15 november 2011, voor zover het de voorschriften F.2, sub c, en O.2 en het ontbreken van een voorschrift om ervoor zorg te dragen dat de mestverwerkingsinstallatie niet meer ammoniak emitteert dan volgens de NeR is toegestaan, betreft;

V.    bepaalt dat aan het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Deurne van 15 november 2011 de voorschriften F.2, sub c, O.2 en O.9 worden verbonden die als volgt luiden:

Voorschrift F.2, sub c

De beoordelingsplaats Kranenmortelweg 17 niet meer bedragen dan:

52 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode);

51 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode);

40 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode).

Voorschrift O.2

Het emissiepunt van de gecombineerde luchtwasser dient te zijn gelegen op een hoogte van 10 m boven maaiveld overeenkomstig het geuronderzoek van PRA Odournet B.V., BERG10A5 van

11 oktober 2010.

Voorschrift O.9

Uiterlijk zes maanden na realisatie van de inrichting moet de vergunninghouder een ammoniakemissiemeting laten uitvoeren van de ammoniakvracht en -concentratie in de geëmitteerde lucht na de gecombineerde luchtwasser. De meting moet worden uitgevoerd conform NEN 2826:1999. De ammoniakemissie mag niet hoger zijn dan de emissie-eisen van 150 g/uur en 30 mg/mo3. Indien de ammoniakemissie niet voldoet aan de emissie-eisen, dienen binnen één maand maatregelen te worden getroffen om aan deze emissie-eisen te voldoen. Na het nemen van deze maatregelen moet door middel van een ammoniakemissiemeting worden aangetoond dat aan de emissie-eisen wordt voldaan. Deze stappen worden herhaald, zolang niet aan de gestelde maximale ammoniakemissie-eisen wordt voldaan.

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], voor zover niet ingesteld door [appellant sub 2A], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] voor het overige ongegrond;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Deurne tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten als volgt:

a. [appellant sub 1] een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan [appellant sub 2] en anderen een bedrag van € 989,88 (zegge: negenhonderdnegenentachtig euro en achtentachtig cent), waarvan € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

c. aan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

d. aan [appellant sub 4] een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

e. aan [appellant sub 5] een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

IX.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Deurne aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt als volgt:

a. aan [appellant sub 1] een bedrag van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro);

b. aan [appellant sub 2] en anderen een bedrag van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

c. aan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] een bedrag van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

d. aan [appellant sub 4] een bedrag van 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro);

e. aan [appellant sub 5] een bedrag van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro).

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten    w.g. mr. W. Heijninck

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2013

552.