Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ4951

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2013
Datum publicatie
20-03-2013
Zaaknummer
201206217/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de paardrijactiviteiten op het perceel [locatie] te [plaats], (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206217/1/A1.

Datum uitspraak: 20 maart 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Binnenmaas,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 25 mei 2012 in zaak nr. 11/1280 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas.

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de paardrijactiviteiten op het perceel [locatie] te [plaats], (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 1 september 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 mei 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft daartoe in de gelegenheid gesteld een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2013 waar [appellant], bijgestaan door drs. S.A.N. Geerling, en het college, vertegenwoordigd door H. Hoogwerf en T. van Kralingen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] gehoord.

Overwegingen

1.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat voor de oprichting van de ter plaatse aanwezige paardenbak een omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist was en [belanghebbende] hier niet over beschikte, zodat het college in beginsel bevoegd was handhavend op te treden. Volgens de rechtbank bestaat concreet zicht op legalisering van de paardenbak omdat deze niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, zodat het college volgens de rechtbank van handhavend optreden mocht afzien.

2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dorpskern 2006" heeft het perceel de bestemming "Tuinen".

Ingevolge artikel 1, lid 31, van de planvoorschriften wordt onder een hoofdgebouw verstaan een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Tuinen (T) bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

Ingevolge het tweede lid mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de doeleindenomschrijving en de overige voorschriften.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college gehouden was handhavend op te treden, omdat de paardenbak in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt. Het houden van paarden past volgens hem niet binnen de bestemming "Tuinen", nu het begrip "tuin" volgens hem in het gangbare taalgebruik niet dusdanig valt op te rekken of uit te leggen dat het houden van paarden met de bijbehorende faciliteiten daaronder kan worden gerangschikt. Voorts stelt hij dat de paardrijactiviteiten bedrijfsmatig plaatsvinden en dat niet wordt voldaan aan de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen minimale afstanden tot een geurgevoelig object, welke wet volgens hem van toepassing is op de paardrijactiviteiten.

3.1.    Op het perceel is op de aangrenzende gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" een bedrijfsloods aanwezig. Op de plankaart is aan die gronden de nadere aanduiding "garagebedrijf en spuitinrichting" gegeven. In deze bedrijfsloods zijn, onder verlening van een vrijstelling op grond van artikel 18a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, paardenboxen gerealiseerd. Gezien de aard, functie en afmetingen moet deze bedrijfsloods, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, worden aangemerkt als het hoofdgebouw. De aanwezige tuin behoort bij dit hoofdgebouw, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college van handhavend optreden mocht afzien omdat de paardenbak en de daarbij behorende activiteiten in overeenstemming zijn met de bestemming "Tuinen".

Het betoog faalt in zoverre.

3.2.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de paardrijactiviteiten bedrijfsmatig plaatsvinden en dat hierop de in de Wet geurhinder en veehouderij vervatte afstandsnormen van toepassing zijn, faalt evenzeer. Deze wet is van toepassing op veehouderijen zoals bedoeld in die wet. Een veehouderij wordt in die wet gedefinieerd als een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren. In dit geval wordt niet voldaan aan de definitie van veehouderij zoals bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij, reeds omdat op het perceel geen inrichting aanwezig is zoals bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wabo. Hierbij is van belang dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, op het perceel geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden nu de intensiteit zich beperkt tot het berijden van één of meerdere paarden gedurende gemiddeld twee uur per dag op ongeveer zeven dagen per week, en geen les wordt gegeven. Niet is gebleken dat de paardrijactiviteiten plaatsvinden in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is.

Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het in zoverre niet bevoegd is handhavend op te treden.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman    w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2013

407-776.