Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ3972

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-03-2013
Datum publicatie
13-03-2013
Zaaknummer
201107207/1/A2, 201107202/1/A2 en 201209565/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 21 juli 2009 heeft het college monumentenvergunningen verleend aan de Stichting Rijksmuseum Amsterdam voor het demonteren en verwijderen van een orgelkas uit de Koorkerk te Middelburg en het plaatsen van een vervangende orgelkas.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2013/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107207/1/A2, 201107202/1/A2 en 201209565/1/A2.

Datum uitspraak: 13 maart 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de (hoger) beroepen van:

1. de vereniging Vereniging van Vrijzinnige Hervormden Middelburg, gevestigd te Middelburg (hierna: de vereniging)

2. de stichting Stichting tot Bescherming van het Peter Gerritsz-orgel, gevestigd te Middelburg (hierna: de stichting),

3. het kerkgenootschap Protestantse Gemeente Middelburg, gevestigd te Middelburg (hierna: PGM),

appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank Middelburg van 19 mei 2011 in zaken nrs. 09/797 en 09/798 in de gedingen tussen:

de vereniging en de stichting

en

het college van burgemeester en wethouders van Middelburg.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 21 juli 2009 heeft het college monumentenvergunningen verleend aan de Stichting Rijksmuseum Amsterdam voor het demonteren en verwijderen van een orgelkas uit de Koorkerk te Middelburg en het plaatsen van een vervangende orgelkas.

Bij uitspraak van 19 mei 2011 in zaak nr. 09/797 heeft de rechtbank het door de vereniging daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vereniging hoger beroep ingesteld (zaak nr. 201107207/1/A2).

Bij uitspraak van eveneens 19 mei 2011 in zaak nr. 09/798 heeft de rechtbank het door de stichting tegen de besluiten van 21 juli 2009 ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover dat zag op het inhoudelijk deel van de aan de besluiten van 21 juli 2009 ten grondslag gelegde adviezen van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (thans: de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed) en de monumentencommissie van de gemeente Middelburg, deze besluiten vernietigd en bepaald dat het college nieuwe besluiten dient te nemen. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld (zaak nr. 201107202/1/A2).

Bij besluit van 31 juli 2012 heeft het college uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en de monumentenvergunningen opnieuw verleend.

Tegen dit besluit heeft PGM beroep ingesteld (zaak nr. 201209565/1/A2).

Bij brief van 27 november 2012 heeft de Afdeling vragen gesteld aan de stichting en het college. Beide hebben hierop gereageerd.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 25 januari 2013, waar de vereniging, de stichting en PGM, alle vertegenwoordigd door mr. N.M. Slump, advocaat te Middelburg, bijgestaan door drs. B.G. van Buitenen en W.J.C. Viveen, en het college, vertegenwoordigd door R.J.H. Kwekkeboom, werkzaam bij de gemeente Middelburg, bijgestaan door P.W. Sijnke, zijn verschenen. Voorts is het Rijksmuseum verschenen, vertegenwoordigd door mr. M.J. de Wit.

Overwegingen

1. Het Rijksmuseum heeft op 25 februari 2009 twee aanvragen ingediend voor monumentenvergunningen als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 voor het demonteren en verwijderen van de orgelkas van het Peter Gerritsz-orgel uit de Koorkerk te Middelburg (hierna: orgelkas I) en het ter vervanging plaatsen van een orgelkas uit Harenkarspel (hierna: orgelkas II). De vereniging en de stichting hebben tegen de daarop betrekking hebbende ontwerpbesluiten afzonderlijk een zienswijze ingebracht, welke het college bij de besluiten van 21 juli 2009 ongegrond heeft verklaard.

Ontvankelijkheid vereniging (zaak nr. 201107207/1/A2)

2. De rechtbank heeft het tegen de besluiten van 21 juli 2009 gerichte beroep van de vereniging niet-ontvankelijk verklaard, omdat de vereniging niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan worden aangemerkt.

3. De vereniging betoogt terecht dat de rechtbank rauwelijks heeft geoordeeld dat de vereniging niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Tijdens de behandeling van het beroep heeft de rechtbank noch schriftelijk, noch ter zitting de hoedanigheid van de vereniging als belanghebbende aan de orde gesteld. De vereniging heeft daardoor niet haar standpunt over de niet-ontvankelijkheid kunnen geven terwijl zij daarop niet bedacht hoefde te zijn. De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van 21 februari 2007 in zaak nr. 200604241/1, dat de rechtbank daarmee heeft gehandeld in strijd met het verdedigingsbeginsel, en dat de aangevallen uitspraak reeds om die reden niet in stand kan blijven.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak, in zaak nr. 09/797, dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de ontvankelijkheid van de vereniging beoordelen. De vereniging heeft in haar hogerberoepschrift haar standpunt dienaangaande gegeven en is voorts ter zitting in de gelegenheid gesteld dit standpunt toe te lichten.

5. De vereniging betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat haar statutaire doelstelling de bescherming van orgelkas I omvat en dat zij daarom als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb, moet worden aangemerkt. Zij beroept zich daarbij op de artikelen 18 van de Universele verklaring van de rechten van de mens (UVRM) en 9 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 15 februari 2012 in zaak nr. 201104545/1/T1/A3) is voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

Artikel 2, eerste lid, van de statuten van de vereniging luidt als volgt: "De vereniging stelt zich ten doel:

a. het vrijzinnig godsdienstig beginsel, zoals dat met name wordt verkondigd en nagestreefd door de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden in Nederland, in het algemeen en in de Hervormde Gemeente van Middelburg in het bijzonder, te handhaven en te versterken;

b. het binnen die gemeente bevorderen van kerkelijk leven in vrijzinnige geest".

5.2. Gelet op de aldus omschreven belangen die zij blijkens haar statuten behartigt, wordt de vereniging niet rechtstreeks door de bestreden besluiten in haar belang getroffen. Niet valt immers in te zien hoe de vereniging door het verwijderen van orgelkas I en het plaatsen van orgelkas II wordt belemmerd in het handhaven en versterken van het vrijzinnig godsdienstig beginsel en het bevorderen van kerkelijk leven in vrijzinnige geest. De besluiten leiden er derhalve niet toe dat de vereniging en haar leden worden belemmerd in het belijden van hun godsdienst, in het bijzonder in vorm van de eredienst en de praktische toepassing van hun godsdienst. Derhalve kan het beroep op de vrijheid van godsdienst, zoals neergelegd in artikel 18 UVRM - dat overigens niet aan te merken is als een bepaling van een verdrag of besluit als bedoeld in de artikelen 93 en 94 Grondwet - en zoals gewaarborgd in artikel 9 EVRM, niet slagen.

Het betoog faalt.

6. De vereniging betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat zij als gebruiker van de Koorkerk belang heeft bij het in stand houden van die kerk als zodanig en daarom als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, moet worden aangemerkt.

6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de vereniging geen eigenaar is van de Koorkerk. Een gebruiker kan een rechtstreeks belang hebben als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wanneer het besluit ertoe kan leiden dat deze het gebruikte onroerend goed niet langer op dezelfde wijze kan gebruiken. Vergelijk onder meer de uitspraak van 5 september 2012 in zaak nr. 201201066/1/R1. De vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door de bestreden besluiten wordt getroffen in haar belang als gebruiker. Dat het balkon van de orgelkas incidenteel wordt gebruikt als plek vanwaar de dirigent de cantorij leidt, maakt dit niet anders. De Koorkerk blijft als plaats waar het geloof wordt beleden op dezelfde wijze in gebruik.

Het betoog faalt.

7. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Ontvankelijkheid stichting (zaak nr. 201107202/1/A2)

8. Ambtshalve ziet de Afdeling zich geplaatst voor de vraag of de rechtbank de stichting terecht als belanghebbende in de zin van 1:2, derde lid, van de Awb heeft aangemerkt.

Onder verwijzing naar overweging 5.1 overweegt de Afdeling als volgt.

8.1. Artikel 2, eerste lid, van de statuten van de stichting, luidt als volgt: "De stichting heeft tot doel:

a. het beschermen van het Peter Gerritsz-orgel met het oogmerk de cultuurhistorische en monumentale belangen van het orgel veilig te stellen. Dit orgel is vanaf 1952 toevertrouwd aan de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden Middelburg voor de Koorkerk Middelburg.

b. het bewerkstelligen van een wereldwijde, openbare wetenschappelijke discussie over de toekomst van dit orgel, uitgaande van de stelling, dat de hiervoor genoemde belangen het best zijn gediend met het expliciete standpunt dit op wereldwijde schaal unieke instrument museaal te conserveren, zonder het originele materiaal aan te tasten".

Het tweede lid luidt: "De stichting heeft voorts tot doel het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn".

8.2. De besluiten van 21 juli 2009 betreffen een belang dat de stichting beoogt te behartigen. Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt is dit alleen onvoldoende. Tevens is vereist dat de stichting feitelijke werkzaamheden ter behartiging van dit belang heeft verricht.

De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat daarvan sprake is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 oktober 2008, in zaak nr. 200707921/1) kan het louter in rechte opkomen tegen besluiten als regel niet worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. De stichting heeft tijdens de zitting van de rechtbank op 8 april 2011 vermeld dat de activiteiten van de stichting tot dan toe zich hebben beperkt "tot het inbrengen van een zienswijze en het instellen van beroep". Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 december 2011, in zaak nr. 200909566/1/R3) kan de hoedanigheid van belanghebbende in beginsel uiterlijk worden verkregen op de dag waarop de beroepstermijn eindigt, hetgeen voor een rechtspersoon die opkomt voor een algemeen belang onder meer betekent dat zij op dat moment tevens feitelijke werkzaamheden moet verrichten ter behartiging van haar belangen. Hieraan voldoet de stichting niet. Dat afzonderlijke deskundigen, betrokken bij de stichting, op persoonlijke titel activiteiten hebben ontplooid, zoals ter zitting van de Afdeling is verklaard, maakt dit niet anders. Slechts activiteiten van de stichting als zodanig zijn van belang.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank de stichting ten onrechte als belanghebbende aangemerkt en deze ten onrechte ontvankelijk geoordeeld in haar beroep. De aangevallen uitspraak dient reeds hierom te worden vernietigd.

9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak in zaak nr. 09/798 dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Nieuw besluit

10. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

11. Bij besluit van 31 juli 2012 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 09/798, opnieuw beslist op de door het Rijksmuseum ingediende aanvragen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

12. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat aan het besluit van 31 juli 2012 de grondslag is ontvallen. Reeds om die reden dient dat besluit te worden vernietigd.

Beroep PGM (zaak nr. 201209565/1/A2)

12. PGM heeft ter zitting betoogd dat de vereniging namens haar zienswijzen heeft ingediend en beroep heeft ingesteld tegen de besluiten van 21 juli 2009. Dit kan noch uit die zienswijzen, noch uit dat beroep worden afgeleid. Het betoog faalt.

Het beroep van PGM is alleen gericht tegen het besluit van 31 juli 2012. Nu dat besluit, gelet op het voorgaande, dient te worden vernietigd, heeft PGM geen belang meer bij een beoordeling van haar beroep zodat dat beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Proceskosten en griffierecht

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

14. In de zaken van de vereniging (zaak nr. 201107207/1/A2) en de stichting (zaak nr. 201107202/1/A2) is er geen aanleiding om te bepalen dat het door de vereniging en de stichting betaalde griffierecht door het college moet worden vergoed. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan de vereniging en de stichting wordt vergoed.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden Middelburg gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 19 mei 2011 in zaak nr. 09/797;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden Middelburg niet-ontvankelijk;

IV. verklaart het hoger beroep van de Stichting tot Bescherming van het Peter Gerritsz-orgel gegrond;

V. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 19 mei 2011 in zaak nr. 09/798;

VI. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van de Stichting tot Bescherming van het Peter Gerritsz-orgel niet-ontvankelijk;

VII. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Middelburg van 31 juli 2012, kenmerk 2009/2997/RK (retro) en 2009/3003/RK (retro);

VIII. verklaart het beroep van de Protestantse Gemeente Middelburg niet-ontvankelijk

IX. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan de Stichting tot Bescherming van het Peter Gerritsz-orgel het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt;

X. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden Middelburg het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van

mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Roelfsema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2013

47-729.