Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ1630

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2013
Datum publicatie
20-02-2013
Zaaknummer
201211710/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2012, heeft de stichting beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de colleges op haar bezwaarschrift van 22 juli 2012, gericht tegen het besluit van deze colleges van 19 juni 2012 waarbij aan RWE vergunning krachtens de artikelen 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) is verleend voor het oprichten, in werking nemen en houden en regulier onderhoud van een elektriciteitscentrale in de Eemshaven.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 1
Natuurbeschermingswet 1998 2
Natuurbeschermingswet 1998 7
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Algemene wet bestuursrecht 4:18
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 6:12
Algemene wet bestuursrecht 8:55c
Algemene wet bestuursrecht 8:55d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/3731
NJB 2013/571
JOM 2013/223
JB 2013/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211710/2/R2.

Datum uitspraak: 11 februari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting Stichting Natuur en Milieu, gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen, het college van gedeputeerde staten van Fryslân en het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerders.

Procesverloop

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2012, heeft de stichting beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de colleges op haar bezwaarschrift van 22 juli 2012, gericht tegen het besluit van deze colleges van 19 juni 2012 waarbij aan RWE vergunning krachtens de artikelen 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) is verleend voor het oprichten, in werking nemen en houden en regulier onderhoud van een elektriciteitscentrale in de Eemshaven.

De colleges hebben een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Overwegingen

1.    Tot op heden is door de colleges geen besluit genomen op het bezwaarschrift van de stichting van 22 juli 2012. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn voor het nemen van een besluit op het bezwaar is overschreden.

2.    Op grond van artikel 6:2, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt met een besluit gelijkgesteld: het niet tijdig nemen van een besluit.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.

3.    Bij brief en fax van 15 november 2012 heeft de stichting de colleges ieder afzonderlijk in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Vervolgens is niet binnen twee weken alsnog een besluit genomen op het bezwaarschrift van 22 juli 2012.

4.    Het beroep is kennelijk gegrond.

5.    Door de stichting is verzocht de verbeurde dwangsom ingevolge artikel 4:17 van de Awb voor elk van de drie colleges afzonderlijk vast te stellen op € 1.260,00.

6.    In het verweerschrift stellen de colleges zich op het standpunt dat de dwangsom niet per bestuursorgaan, maar per bezwaarschrift wordt verbeurd. Omdat de stichting één bezwaarschrift heeft ingediend tegen zowel het besluit van 19 juni 2012 als tegen het besluit van de staatssecretaris van 22 juni 2012 waarbij aan RWE een Nbw-vergunning is verleend, kan volgens hen slechts eenmalig de maximale dwangsom van € 1.260,00 worden verbeurd.

7.    Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank indien het beroep gegrond is desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast.

Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven verbeurt het bestuursorgaan ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge het tweede artikellid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,00 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,00 per dag en de overige dagen € 40,00 per dag.

Ingevolge het derde artikellid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

8.    De Afdeling overweegt dat uit de artikelen 2 en 2a van de Nbw 1998 volgt dat indien een project of andere handeling invloed heeft op verschillende gebieden ten aanzien waarvan verschillende bestuursorganen bevoegd gezag zijn, in beginsel meerdere Nbw-vergunningen nodig zijn voor dat project of die andere handeling. De door RWE aangevraagde activiteiten kunnen effecten hebben op meerdere in drie provincies gelegen Natura 2000-gebieden of beschermde natuurmonumenten. In bijlage 1 van de Nbw-vergunning is de bevoegdheid van de drie colleges voor de verschillende Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten uiteengezet. Daaruit volgt dat de colleges voor zover de aanvraag betrekking heeft op de in hun provincie gelegen beschermde gebieden zich in zoverre bevoegd hebben geacht om op de aanvraag te beslissen.

Naar het oordeel van de Afdeling omvat het door de colleges genomen besluit drie Nbw-vergunningen. De omstandigheid dat de colleges om praktische redenen de behandeling van de aanvraag voor deze vergunningen hebben gecoördineerd en de beschikkingen hebben vervat in één document, maakt dat niet anders. Nu het bezwaar is gericht tegen deze beschikkingen en de colleges alle drie in gebreke zijn tijdig daarop te beslissen, ziet de Afdeling aanleiding om de door de colleges verbeurde dwangsom voor ieder afzonderlijk vast te stellen. Het standpunt van de colleges dat de dwangsom in de onderhavige zaak en de samenhangende zaak met nr. 201211701/2/R2 maar één keer kan worden verbeurd, omdat door de stichting één bezwaarschrift is ingediend deelt de Afdeling gelet op het voorgaande niet. Wat betreft de verwijzing van de colleges naar de wetsgeschiedenis, waaruit volgens hen volgt dat de dwangsom per bezwaarschrift maar eenmaal verschuldigd is, wordt overwogen dat de aangehaalde passage betrekking heeft op de situatie dat er bij één beschikking meerdere bezwaarmakers en derhalve meerdere dwangsomgerechtigden zijn.

De door de stichting per fax van 15 november 2012 verzonden ingebrekestelling is op diezelfde dag door de colleges ontvangen. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is 30 november 2012 de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd en gelet op het feit dat sinds die datum meer dan 42 dagen zijn verstreken, stelt de Afdeling de door de colleges verbeurde dwangsom voor ieder afzonderlijk vast op het maximale bedrag van € 1.260,00. Hierbij is tevens van belang dat de brief van 13 december 2012, in verband met die datering, niet als beschikking als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb wordt aangemerkt.

9.    Ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak worden verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Ingevolge het tweede lid verbindt de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kan de rechtbank in bijzondere gevallen een andere termijn bepalen.

10.    De colleges dienen op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb alsnog een besluit op het bezwaar van de stichting van 22 juli 2012 te nemen en bekend te maken. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen, waarbij vanwege de complexiteit van de zaak rekening wordt gehouden met de aangegeven planning. In dit verband is van belang dat de colleges per fax van 7 februari 2013 hebben meegedeeld dat de stichting heeft verzocht om een nieuwe hoorzitting. Omdat aan dat verzoek tegemoet zal worden gekomen, verwachten de colleges dat medio april 2013 een besluit op het bezwaar kan worden genomen.

11.    De Afdeling bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat alle drie de colleges een dwangsom verbeuren voor iedere dag dat zij in gebreke blijven de uitspraak na te leven. De Afdeling stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00.

12.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 22 juli 2012;

III.    draagt de colleges van gedeputeerde staten van Groningen, Fryslân en Drenthe op om voor 19 april 2013 een besluit op het bezwaar van de stichting Stichting Natuur en Milieu te nemen en bekend te maken;

IV.    bepaalt dat het college van gedeputeerde staten van Groningen, het college van gedeputeerde staten van Fryslân en het college van gedeputeerde staten van Drenthe elk aan de stichting Stichting Natuur en Milieu een dwangsom verbeuren voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijden, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,00 (zegge: honderd euro) bedraagt, met een maximum van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro);

V.    stelt de door het college van gedeputeerde staten van Groningen, het college van gedeputeerde staten van Fryslân en het college van gedeputeerde staten van Drenthe verbeurde dwangsommen als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb voor ieder college afzonderlijk vast op € 1.260,00 (zegge: twaalfhonderdzestig euro);

VI.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Groningen, het college van gedeputeerde staten van Fryslân en het college van gedeputeerde staten van Drenthe aan de stichting Stichting Natuur en Milieu het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) vergoeden, met dien verstande dat betaling door een van de colleges bevrijdend werkt ten opzichte van de andere colleges.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten    w.g. Van der Hoorn

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2013

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).

-     Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.

-     In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.

-     Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.

586.