Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ0705

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
06-02-2013
Zaaknummer
201210949/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Fietspad Steenwijk-Meppel" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2013/34 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210949/2/R1.

Datum uitspraak: 30 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Zuidveen, gemeente Steenwijkerland,

en

de raad van de gemeente Steenwijkerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Fietspad Steenwijk-Meppel" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 januari 2013, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. J. van den Berg, is verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het plan voorziet in uitbreiding van het fietspadennet met een fietspad dat begint ter hoogte van de Burgemeester G.W. Stroïnklaan aan de noordzijde en loopt in zuidelijke richting naar de Dwarssloot-Oost. Halverwege kruist het fietspad de Achterweg.

3.    [verzoeker] betoogt dat de raad in de reactie op zijn zienswijze ten onrechte niet is ingegaan op bepaalde argumenten.

3.1.    Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan onvoldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde argumenten niet in de besluitvorming zijn betrokken.

4.    [verzoeker] betoogt dat het plan leidt tot een verkeersonveilige situatie voor fietsers. Hiertoe voert hij aan dat fietsers niet veilig kunnen oversteken op de locatie waar het fietspad de Achterweg kruist en op de locatie waar het fietspad aansluit op de Burgemeester G.W. Stroïnkweg, doordat het gemotoriseerd verkeer op deze wegen onvoldoende zicht zal hebben op fietsers die ter plaatse zullen oversteken. Hij betoogt dat onvoldoende maatregelen worden genomen ten behoeve van de verkeersveiligheid van fietsers.

4.1.    De raad stelt dat de kruisingen van het fietspad met de Achterweg en de Burgemeester G.W. Stroïnkweg veilig kunnen worden vormgegeven, omdat maatregelen worden genomen. In dit verband heeft de raad erop gewezen dat de aantakking van het fietspad op voornoemde wegen zal worden aangegeven door middel van bebording en wegmarkering. Verder heeft hij verklaard dat weliswaar bomen langs de weg staan, maar dat ten behoeve van een verbetering van het uitzicht voor fietsers en autoverkeer de lage boswallen zullen worden verwijderd. Tenslotte heeft hij ter zitting toegezegd dat op de kruisingen verlichting zal worden geplaatst. Hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd geeft naar het oordeel van de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de kruisingen niet veilig kunnen worden ingericht.

5.      [verzoeker] betoogt dat de aanleg van het fietspad door het weiland leidt tot sociale onveiligheid, in die zin dat het fietspad een afgelegen ligging zal hebben en geen toezicht kan worden gehouden op fietsers, waaronder schoolgaande kinderen. Hij wijst op de aanleg van een fietspad naast een bestaande weg als alternatief.

5.1.    Met betrekking tot dit betoog, overweegt de voorzitter dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van die alternatieven dienen in de afweging te worden meegenomen. In dit geval bestaat in hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het voorgestelde alternatief heeft kunnen afwijzen. Daarbij heeft hij van belang kunnen achten dat de aanleg van het fietspad naast een bestaande weg moeilijk te realiseren is vanwege de eigendomssituatie van die gronden. Verder heeft hij van belang kunnen achten dat de realisering van een fietspad naast een bestaande weg niet voor de hand ligt in verband met de doelstelling een recreatief fietspad mogelijk te maken.

6.    [verzoeker] betoogt dat niet is onderbouwd waarom geen archeologisch onderzoek nodig is. In dit verband wijst hij erop dat een gedeelte van het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde heeft.

6.1.    In de plantoelichting staat dat de gronden ter plaatse van het aan te leggen fietspad op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart gedeeltelijk zijn aangeduid als gebieden met een lage archeologische verwachting en gedeeltelijk als gebieden met een hoge archeologische verwachting. Voor gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde geldt dat geen archeologisch vervolgonderzoek nodig is. Voor gebieden met een hoge archeologische verwachting is voor grond- en bouwwerkzaamheden van meer dan 250 m² (binnen de bebouwde kom) of meer dan 2.500 m² (buiten de bebouwde kom) een archeologisch vervolgonderzoek vereist. In dit geval gaat het om een gebied buiten de bebouwde kom, aldus de plantoelichting. Verder is vermeld dat het gedeelte van het fietspad waar grondwerkzaamheden worden verricht en dat ligt binnen het gebied met een hoge verwachtingswaarde een oppervlak heeft van 1.600 m² . Dit is minder dan 2.500 m², in welk geval volgens het gemeentelijk archeologische beleid vervolgonderzoek verricht dient te worden. De raad stelt dat vervolgonderzoek in het kader van archeologie derhalve niet nodig is geacht. Naar het oordeel van de voorzitter heeft de raad - anders dan [verzoeker] betoogt - aldus voldoende onderbouwd waarom geen vervolgonderzoek is verricht.

7.    [verzoeker] betoogt dat niet valt in te zien hoe de reactie op zijn zienswijze dat aan de zijde van de Burgemeester G.W. Stroïnkweg de bestaande boswal ter plaatse van het fietspad wordt verwijderd, zich verhoudt tot de vermelding in de plantoelichting dat ter voorkoming van overtreding van de Flora- en faunawet geen gat van meer dan 30 m afstand tussen de bomen mag ontstaan door het verwijderen van delen van boswallen.

7.1.    De raad heeft ter zitting verklaard dat de vermelding in de plantoelichting dat geen gat van meer dan 30 m mag ontstaan, juist is. Ter plaatse van het fietspad zal mogelijk één boom moeten worden verwijderd, maar dit levert geen gat op van meer dan 30 m. Zoals hiervoor in 3.1 is overwogen heeft de raad verklaard dat aanwezige lage boswallen over een ruimere afstand dan 30 m langs de weg zullen worden verwijderd. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzitter geen sprake van een tegenstrijdigheid in de plantoelichting.

8.    [verzoeker] wijst erop dat in de plantoelichting staat dat het aanbeveling verdient het mitigatieplan dat ertoe dient overtreding van de Flora- en Faunawet te voorkomen, vooraf te laten goedkeuren door het ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie (thans: Economische zaken). Gelet hierop betoogt hij dat niet valt in te zien waarom in de reactie op de zienswijze er blijk van wordt gegeven dat het mitigatieplan niet ter goedkeuring zal worden voorgelegd aan het ministerie.

8.1.    In de reactie op de zienswijze staat dat de raad het thans overbodig acht het mitigatieplan ter goedkeuring voor te leggen, omdat een ecologisch werkprotocol wordt opgesteld. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het niet wettelijk verplicht is een mitigatieplan ter goedkeuring voor te leggen, faalt dit betoog.

9.    [verzoeker] betoogt dat sprake is van een tegenstrijdigheid in de plantoelichting, omdat enerzijds is vermeld dat een vergunningaanvraag krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 voor de aanleg en het gebruik van het fietspad noodzakelijk is, maar anderzijds dat geen vergunning is benodigd.

9.1.    In het onderzoek "Natuurtoets fietspad Steenwijk-Meppel" van Tauw van 10 november 2011 staat dat geen vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 nodig is. [verzoeker] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Voor zover [verzoeker] betoogt dat hieromtrent in de plantoelichting een tegenstrijdigheid is vermeld - wat daarvan ook zij - wordt overwogen dat de plantoelichting geen juridisch bindend onderdeel is van het bestemmingsplan. Reeds hierom kan dit betoog niet leiden tot vernietiging van het plan.

10.    Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding het verzoek af te wijzen.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman    w.g. Priem

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013

646.