Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9956

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
201205307/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2012 heeft de raad van de gemeente Groningen het bestemmingsplan "Lewenborg/Ruischerwaard" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205307/1/R4.

Datum uitspraak: 30 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Groningen,

en

de raad van de gemeente Groningen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2012 heeft de raad van de gemeente Groningen het bestemmingsplan "Lewenborg/Ruischerwaard" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad van de gemeente Groningen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2013, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door drs. A.P. Schuiling, werkzaam bij de gemeente, en mr. C.J.M. van den Biggelaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het plan heeft betrekking op de wijken Lewenborg, Ruischerwaard, Zilvermeer en Drielanden en voorziet in een juridisch-planologisch kader voor bestaande functies in het plangebied. In het plan is een aantal reeds vergunde ontwikkelingen opgenomen. Nieuwe ontwikkelingen worden niet rechtstreeks mogelijk gemaakt.

2.    [appellant] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plan. [appellant] voert daartoe aan dat het plan rechtsonzeker is, omdat het plan niet duidelijk maakt aan welk kader toekomstige ontwikkelingen worden getoetst wat betreft het aspect geluid.

[appellant] richt zich voorts tegen het plandeel met de bestemming "Sport", dat voorziet in een sporthal met sportvelden nabij zijn woning. Voor deze ontwikkeling is reeds een vrijstellingsprocedure gevoerd. [appellant] stelt dat het plan ruimere mogelijkheden biedt ten opzichte van de vrijstelling, nu de in het akoestisch onderzoek, dat ten behoeve van de vrijstellingsprocedure is opgesteld, voorgestelde beperkingen voor het gebruik van de sportvelden in de avonduren niet in het plan zijn opgenomen.

Bovendien stelt [appellant] dat sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van het verlenen van de vrijstelling. Hij wijst in dit verband op het recent opgerichte schoolgebouw nabij de sportvelden en op de verhoging van de geluidswal langs de ringweg. Hij acht het niet onwaarschijnlijk dat hierdoor het referentieniveau van het omgevingsgeluid is gedaald, waardoor het verschil tussen het omgevingsgeluid en het geluid van de sportvelden is toegenomen.

2.1.    De raad stelt dat de situatie bij de sportvelden in overeenstemming met de onherroepelijke vrijstelling is bestemd in het onderhavige plan. Het plan maakt volgens de raad derhalve ter plaatse geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Van rechtsonzekerheid is volgens de raad dan ook geen sprake. Wat betreft de gebruiksmogelijkheden van de sportvelden stelt de raad dat regels omtrent de exploitatie van de sportvelden geen vertaling in het plan behoeven omdat hiervoor een ander instrumentarium bestaat. Ten slotte wijst de raad erop dat de verhoging van de geluidswal en de oprichting van het schoolgebouw een gunstig effect hebben op het totale geluidniveau in het plangebied. Hoewel het verschil tussen het geluid van de sportvelden en het achtergrondgeluid hierdoor wellicht groter is geworden, kan het totale geluidniveau als gevolg van de geluidswal niet zijn toegenomen. Het plan is volgens de raad dan ook in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

2.2.    Voor de in het plan opgenomen bestemmingen zijn in de planregels concrete bestemmingsomschrijvingen inclusief toegestane functies opgenomen. Gelet hierop is in voldoende mate bepaald op welke wijze aan de bestemmingen invulling kan worden gegeven. Nu het plan daarnaast niet rechtstreeks voorziet in nieuwe ontwikkelingen, bestaat in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre rechtsonzeker is. Het betoog faalt.

2.3.    Het vorige plan "Lewenborg 2001" voorzag voor de gronden waarop de sportvelden liggen reeds in een bestemming die het gebruik van de velden voor trainingen en wedstrijden toestond. Bij besluit van 26 februari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van ballenvangers, veldverlichting (lichtmasten) en hekwerken op Kluiverboom 1 te Groningen. Bij uitspraak van 2 maart 2012 in zaak nr. 201006273/1/H1 heeft de Afdeling het hoger beroep van [appellant] tegen de rechtbankuitspraak die ziet op bovengenoemde bouwvergunning en vrijstelling ongegrond verklaard. Daarmee zijn deze besluiten in rechte onaantastbaar geworden en moeten de met deze besluiten mogelijk gemaakte ontwikkelingen voor rechtmatig worden gehouden. Met het plan is beoogd om hetgeen met de bouwvergunning en vrijstelling mogelijk is gemaakt, planologisch vast te leggen. Onder deze omstandigheden sluit de afweging die de raad heeft moeten maken bij de vaststelling van het plan, nauw aan bij de afwegingen die het college heeft gemaakt in het kader van de vrijstelling. Wat betreft het gebruik van de sportvelden in de avonduren stelt de Afdeling vast dat in voornoemde uitspraak van de Afdeling is overwogen dat het vorige plan reeds mogelijk maakte dat in de avonduren gebruik werd gemaakt van de sportvelden voor trainingen en wedstrijden, dat een intensivering van het gebruik van de velden nauwelijks het gevolg is van de verleende vrijstelling en bouwvergunning en dat niet aannemelijk is dat in meer dan incidentele mate wedstrijden zullen plaatsvinden die slechts mogelijk zijn vanwege de verhoging van de lichtmasten. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd thans geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.4.    De Afdeling acht de conclusie van de raad dat het totale geluidniveau in het plangebied niet is toegenomen als gevolg van de verhoging van de geluidswal en de oprichting van het schoolgebouw, die door [appellant] niet is weersproken, niet onaannemelijk. Niet aannemelijk is daarom dat [appellant] meer hinder zal ondervinden als gevolg van het veranderde geluidniveau in het plangebied. Gelet hierop is in zoverre geen sprake van een zodanig gewijzigde omstandigheid, die noopt tot het oordeel dat de raad zich niet heeft mogen baseren op de afwegingen die het college heeft gemaakt in het kader van de vrijstelling.

Ter zitting heeft [appellant] betoogd dat voor de ruimtelijke onderbouwing van het onderhavige plan, voor zover bestreden, niet kan worden teruggevallen op de gevoerde vrijstellingsprocedure omdat in die procedure onvoldoende is gemotiveerd dat kan worden afgeweken van de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten aanbevolen aan te houden afstand tussen een veldsportcomplex met verlichting en woningen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, zijn de vrijstelling en bouwvergunning in rechte onaantastbaar geworden. Dit betekent dat - behoudens uitzonderingen, die hier niet aan de orde zijn - thans van de rechtmatigheid van die besluiten moet worden uitgegaan, zowel wat de wijze van tot stand komen als de inhoud betreft. Gelet daarop kan het betoog van [appellant], wat daar ook van zij, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

3.    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

4.    Het beroep is ongegrond.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten    w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013

472-685.