Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9955

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
201201124/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2010 heeft het college besloten het besluit, waarbij de plaats ter hoogte van de percelen aan de Pruimengaarde 51 en 53 te Zoetermeer is aangewezen als aanbiedlocatie voor inzamelmiddelen voor huishoudelijke afvalstoffen, niet in te trekken.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/1818
JAF 2013/229 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201124/1/A4.

Datum uitspraak: 30 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zoetermeer,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 december 2011 in zaak nr. 11/4486 in het geding tussen:

[appellant],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer,

en op het beroep van [appellant] in het geding tussen deze partijen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2010 heeft het college besloten het besluit, waarbij de plaats ter hoogte van de percelen aan de Pruimengaarde 51 en 53 te Zoetermeer is aangewezen als aanbiedlocatie voor inzamelmiddelen voor huishoudelijke afvalstoffen, niet in te trekken.

Bij besluit van 11 april 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 december 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Shaaban, advocaat te Zoetermeer en het college, vertegenwoordigd door ing. H. Peereboom, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. P.L. Al, advocaat te Zoetermeer, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De Afdeling ziet aanleiding ambtshalve te beoordelen of de rechtbank zich terecht bevoegd heeft geacht te beslissen op het bij haar door [appellant] ingediende beroep.

2.    Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 10.13, eerste lid, stelt de gemeenteraad in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast.

Ingevolge artikel 15, derde lid, van de Afvalstoffenverordening van de gemeente Zoetermeer 2006 kan het college regels stellen omtrent de plaatsen en wijze waarop de huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel ter inzameling moeten worden aangeboden.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening 2006 worden huishoudelijke afvalstoffen bij elk perceel ingezameld, tenzij in dit besluit anders is bepaald.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, dient het inzamelmiddel te worden geplaatst op de door het college aangewezen en aan ieder schriftelijk kenbaar gemaakte plek.

3.    Het college heeft bij de beslissing op bezwaar het besluit van 8 maart 2010 in stand gelaten, waarbij op het verzoek van [appellant] betreffende de nabij zijn woning gelegen aanbiedlocatie voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen, is beslist. Dit besluit vindt zijn grondslag in de Afvalstoffenverordening en daarmee in de Wet milieubeheer. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kon tegen het besluit op bezwaar bij de Afdeling beroep worden ingesteld. Hieruit volgt dat de rechtbank onbevoegd was om kennis te nemen van het ingestelde beroep. Het beroepschrift had op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden moeten worden naar de Afdeling.

Gelet hierop is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren. Het tegen het besluit van 11 april 2011 ingestelde beroep zal alsnog door de Afdeling in eerste en enige aanleg worden beoordeeld. Het ingediende hoger beroepschrift wordt hierbij aangemerkt als nadere motivering van het beroep.

4.    [appellant] betoogt dat nu een schriftelijk stuk waarin een  aanwijzingsbesluit is neergelegd, niet beschikbaar is, het college ten onrechte ervan is uitgegaan dat een wettelijke grondslag bestaat voor de aanwezige aanbiedlocatie ter hoogte van de percelen aan de Pruimengaarde 51 en 53.

4.1.    Aan de gevel van de bergingen, aan de straatzijde van de woningen aan de Pruimengaarde 51 en 53, is een tegel met daarop de afbeelding van een container aangebracht. Vast staat dat een schriftelijk stuk, waarin het besluit tot aanwijzing van deze aanbiedlocatie is neergelegd, door het college niet kan worden achterhaald. Dat betekent niet dat een besluit ter zake moet worden geacht niet te zijn genomen.

Onweersproken is dat de met de tegel aangeduide aanbiedlocatie voor containers ter plaatse ongeveer 20 jaren aanwezig is. Ter zitting heeft het college toegelicht dat nog wel kaarten konden worden achterhaald uit de tijd van het door het college gestelde besluit en dat daarop is aangegeven dat deze aanbiedlocatie is bedoeld voor de containers van de bewoners van de woningen Pruimengaarde 51 tot en met 61. Volgens het college heeft iedere bewoner destijds ook een brief ontvangen over de aanwijzing van de aanbiedlocatie. Voorts heeft het college ter zitting onweersproken gesteld dat [appellant] bezwaar heeft gemaakt tegen de aanwijzing en dat zijn bezwaar niet-ontvankelijk was. Gelet hierop acht de Afdeling het aannemelijk geworden dat rond 1990 een aanwijzingsbesluit is genomen voor de aanbiedlocatie.

5.    [appellant] betoogt dat het college ten onrechte in de beslissing op bezwaar de weigering het aanwijzingsbesluit in te trekken heeft gehandhaafd.

Volgens [appellant] veroorzaakt het gebruik van de aanbiedlocatie aanzienlijke overlast, waarbij hij stelt dat een groot aantal containers wordt geplaatst en ander afval wordt neergezet. Voorts verhinderen geplaatste containers geregeld de toegang tot zijn perceel, blokkeren geplaatste containers zijn parkeerplaats en kan door de plaatsing van containers schade ontstaan aan zijn hemelwaterafvoerpijp en de gevel van zijn woning. Daarbij wordt volgens [appellant] de aanbiedlocatie regelmatig als parkeerplaats gebruikt, omdat de tegel kennelijk als duiding van een parkeerplaats wordt beschouwd. Bovendien stelt [appellant] dat de waarde van zijn eigendom en daarnaast zijn woongenot is verminderd door de aanbiedlocatie.

Tenslotte voert [appellant] aan dat het college de door hem genoemde alternatieve locaties geschikter had moeten achten dan de aanbiedlocatie en daarin aanleiding had moeten zien een andere plaats als aanbiedlocatie aan te wijzen.

5.1.    Het college heeft zich bij het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om terug te komen van het aanwijzingsbesluit. Verder heeft het college de door [appellant] aangedragen alternatieven minder geschikt geacht dan de huidige aanbiedlocatie.

5.2.    Op de aanbiedlocatie worden door omwonenden containers geplaatst. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit, in samenhang gelezen met de zogenoemde huisvuilkalender, mogen de containers eenmaal per week worden aangeboden. Ingevolge artikel 3a mag het inzamelmiddel niet eerder dan vanaf 22.00 uur op de dag voorafgaand aan de inzameldag worden aangeboden en dient uiterlijk op de inzameldag zelf om 07.30 uur te worden aangeboden. Artikel 3b bepaalt dat het inzamelmiddel zo spoedig mogelijk na lediging en uiterlijk voor 19.00 uur op de inzameldag, van de aanbiedlocatie dient te zijn verwijderd.

Ter zitting is gebleken dat op de aanbiedlocatie ook grof huishoudelijk afval kan worden aangeboden. Volgens het college vindt de aanbieding van grof huishoudelijk afval maximaal tien maal per jaar plaats in een wijk en heeft dit twee maal plaatsgevonden op de aanbiedlocatie. Wat betreft de inzameling van kledingstukken en schoenen, heeft het college ter zitting toegelicht dat deze inzameling vier maal per jaar plaatsvindt, waarbij een charitatieve instelling één dag in een bepaalde wijk aanwezig is en bewoners hun kledingstukken en schoenen voor hun eigen woning kunnen aanbieden.

Ter zitting heeft het college voorts toegelicht dat, zodra deze uitspraak wordt gepubliceerd en vaststaat dat de aanbiedlocatie niet gewijzigd wordt, een brief wordt gestuurd naar de bewoners van de wijk over deze aanbiedlocatie. Ter zitting heeft het college bevestigd dat de aanbiedlocatie bedoeld is voor zes containers en te zullen gaan handhaven indien meer dan zes containers worden aangeboden. Ook heeft het college ter zitting toegezegd tot handhaving over te gaan indien containers buiten de in het Uitvoeringsbesluit bepaalde tijden worden aangeboden op de aanbiedlocatie.

De door [appellant] genoemde omstandigheid dat de aanbiedlocatie regelmatig als parkeerplaats zou worden gebruikt, hetgeen als oneigenlijk gebruik moet worden beschouwd, is geen reden op grond waarvan het college het aanwijzingsbesluit zou hebben moeten intrekken. Wat betreft de door [appellant] gevreesde schade aan de hemelwaterafvoerpijp en de gevel ten gevolge van aangeboden containers, heeft het college voor zijn beslissing op bezwaar reeds aangeboden om op kosten van de gemeente een voorziening te treffen waardoor containers niet meer tegen de hemelwaterafvoerpijp en de gevel kunnen worden geplaatst.

Niet aannemelijk is geworden dat ten gevolge van de aanwezigheid van containers, gelet op de beperkte duur daarvan, alsmede de beperkte inzameling van andersoortige afvalstoffen, het woon- en leefklimaat zodanig wordt aangetast dan wel de waarde van de woning in die mate zal verminderen dat het college daarin aanleiding had moeten vinden om de aanbiedlocatie op de huidige plaats niet voort te zetten.

5.3.    Het college heeft verder gemotiveerd om welke redenen het de door [appellant] genoemde locaties voor een aanbiedlocatie minder geschikt heeft geacht.

Gebleken is dat de door [appellant] bedoelde locatie nabij de woning Pruimengaarde 41 ligt voor de eigen parkeerplaats bij deze woning. De parkeerplaats zou dan eens per week niet bruikbaar zijn. Het college heeft deze plaats om deze reden ongeschikt geacht. De locatie die ligt bij de toegang voor het appartementencomplex aan de Pruimengaarde 28 tot en met 38 is volgens het college ongeschikt om als aanbiedlocatie te worden aangewezen, omdat daar reeds een inzamelsysteem aanwezig is voor de bewoners van het appartementencomplex. Verder zijn de locaties ter hoogte van de woning Pruimengaarde 17 en 56 volgens het college niet geschikt, omdat daar reeds containers worden neergezet. De locatie tegenover de woning Pruimengaarde 27 brengt volgens het college een te grote loopafstand voor de bewoners van de woningen Pruimengaarde 51 tot en met 61 met zich. Wat betreft de door [appellant] genoemde locaties die liggen op plaatsen waar thans openbaar groen of parkeerplaatsen zijn gesitueerd, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat deze plantsoenen en parkeerplaatsen behouden behoren te blijven en ook dat de loopafstand voor deze alternatieve locaties te groot is voor de genoemde bewoners. Niet is gebleken dat de door het college genoemde bezwaren ten aanzien van de door [appellant] genoemde locaties zich niet voordoen.

5.4.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat tot intrekking van het aanwijzingsbesluit.

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 december 2011 in zaak nr. 11/4486;

III.    verklaart de rechtbank onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen;

IV.    verklaart het beroep ongegrond;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013

163-764.