Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9949

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
201204202/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2011 heeft de minister het koninklijk besluit van 5 januari 2009 waarbij aan [appellant] het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204202/1/V6.

Datum uitspraak: 30 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2012 in zaak nr. 11/3420 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2011 heeft de minister het koninklijk besluit van 5 januari 2009 waarbij aan [appellant] het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.

Bij besluit van 6 juli 2011 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 maart 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. E. El-Sharkawi, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2.    Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) kan de minister de verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verlening relevant feit. De intrekking werkt terug tot het tijdstip van verlening van het Nederlanderschap. De intrekking is niet mogelijk indien sedert de verlening een periode van twaalf jaar is verstreken.

Ingevolge het vierde lid heeft, met uitzondering van het geval bedoeld in het eerste lid, geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 moet bij het verzwijgen van enig voor de verlening relevant feit worden gedacht aan het verzwijgen van een feit waarvan de verzoeker weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het voor het naturalisatieverzoek van belang kan zijn. Intrekking zal slechts worden overwogen indien de verzoeker, ware de fraude, het bedrog of de verzwijging tijdig bekend geweest, niet voor verlening van het Nederlanderschap in aanmerking zou zijn gekomen. De intrekking is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen daarvan worden gecorrigeerd.

Indien achteraf blijkt dat het Nederlanderschap op onjuiste gronden is verleend, is het uitgangspunt bij een situatie als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de RWN, dat de verlening van het Nederlanderschap wordt ingetrokken. Als gevolg van eventuele individuele bijzondere omstandigheden én na afweging van de bij de intrekking betrokken belangen kan van intrekking worden afgezien.

3.    Niet in geschil is dat [appellant] op 21 mei 2002 met [persoon A] in het huwelijk is getreden. Evenmin in geschil is dat hij op 1 oktober 2007 een verzoek om verlening van het Nederlanderschap heeft ingediend, hetgeen hem bij koninklijk besluit van 5 januari 2009 is verleend.

4.    De staatssecretaris heeft het koninklijk besluit van 5 januari 2009 ingetrokken omdat [appellant] bij zijn verzoek om naturalisatie een relevant feit heeft verzwegen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het voor het naturalisatieverzoek van belang kon zijn. De staatssecretaris heeft aan dit standpunt ten grondslag gelegd dat is gebleken dat [appellant] op 1 augustus 1997 in Egypte is getrouwd met [persoon B]. Nu [appellant] ten tijde van zijn naturalisatieverzoek en het besluit van 5 januari 2009 was getrouwd met zowel [persoon B] als [persoon A], zou zijn naturalisatieverzoek zijn afgewezen indien deze situatie bij de Nederlandse autoriteiten bekend was geweest, aldus de staatssecretaris.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de door hem overgelegde akte, die inhoudt dat hij op 15 december 1998 [persoon B] heeft verstoten, niet blijkt dat [persoon B] reeds op die datum met de verstoting heeft ingestemd. Hij wijst daartoe op de door hem in de bestuurlijke fase overgelegde verklaring van 18 mei 2011, waarin [persoon B] verklaart dat zij ten tijde van de verstoting daarmee heeft ingestemd. Voorts stelt [appellant] dat uit verklaringen van [persoon B] en haar vader van 24 maart 2012 volgt dat [persoon B] bij de ontbinding van het huwelijk op 15 december 1998 door haar vader werd vertegenwoordigd. Voor het geval deze stelling niet op zou gaan, stelt [appellant] dat [persoon B] zich bij de verstoting heeft neergelegd, hetgeen blijkt uit haar verzoek aan een Egyptische rechtbank om de datum van ontbinding van hun huwelijk vast te stellen. Hij voert aan dat hij en [persoon B] geen duurzame relatie hebben gehad in de periode tussen 1998 en 2010. [appellant] voert voorts aan dat de ontbinding van zijn huwelijk met [persoon B] van 15 december 1998 op zijn verzoek in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Amsterdam (hierna: de GBA) is geregistreerd. De staatssecretaris had die registratie door een Nederlandse instantie van ontbinding van het huwelijk tussen hem en [persoon B] moeten erkennen, aldus [appellant]. Ter zitting heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld hij in de naturalisatieprocedure geen relevant feit heeft verzwegen, nu hij ten tijde van zijn verzoek om verlening van het Nederlanderschap was gescheiden van [persoon B].

5.1.    Ingevolge artikel 3 van de Wet conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed (hierna: Wet conflictenrecht echtscheiding; hierna: WCE), zoals deze ten tijde van belang gold, thans artikel 58 van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek, wordt een ontbinding van het huwelijk buiten het Koninkrijk uitsluitend door een eenzijdige verklaring van de man tot stand gekomen, niet erkend, tenzij

a. de ontbinding van het huwelijk in deze vorm overeenstemt met de personele wet van de man;

b. de ontbinding ter plaatse waar zij geschiedde rechtsgevolg heeft; en

c. duidelijk blijkt dat de vrouw uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding van het huwelijk heeft ingestemd of zich daarbij heeft neergelegd.

5.2.    De stelling van [appellant] dat hij geen relevant feit heeft verzwegen, wordt niet gevolgd, nu hij bij zijn verzoek om verlening van het Nederlanderschap een verklaring heeft ondertekend waarin is vermeld dat geen sprake is van een ander huwelijk dan is vermeld in de GBA. In de GBA is ten tijde van zijn naturalisatieverzoek, zoals uit het dossier blijkt, het huwelijk van [appellant] met [persoon A] vermeld en een eerder in 1995 in Nederland ontbonden huwelijk, maar niet het huwelijk van [appellant] met [persoon B]. Dat hij niet wist dat de verstoting in Egypte op 15 december 1998 om naar Nederlands recht erkend te worden moet voldoen aan artikel 3, aanhef en onder c, van de WCE, maakt dat niet anders.

Uit de verstotingsakte blijkt dat [persoon B] niet aanwezig was bij de verstoting op 15 december 1998. Uit die akte kan niet worden afgeleid dat de vader van [persoon B] daarbij namens haar optrad. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat uit deze akte niet blijkt dat [persoon B] heeft ingestemd met de verstoting.

Uit de omstandigheden dat [appellant] in de periode tussen 1998 en 2010 geen duurzame relatie met [persoon B] heeft gehad en hij in Nederland woonde, kan evenmin worden afgeleid dat [persoon B] met de verstoting heeft ingestemd. Ook het verzoek van [persoon B] aan een Egyptische rechtbank om de ontbinding van het huwelijk op 15 december 1998 vast te stellen, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de uitspraak van 13 januari 2011 van de betrokken Egyptische rechtbank op voormeld verzoek kan, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, worden afgeleid dat [persoon B] op het moment van dat verzoek op 22 november 2010 met de verstoting heeft ingestemd, maar daaruit blijkt niet dat zij ten tijde van de verstoting dan wel ten tijde van het naturalisatieverzoek van [appellant] instemde met verstoting. De verklaringen van 18 mei 2011 en 24 maart 2012 kunnen evenmin tot een ander oordeel leiden, nu [persoon B], die inmiddels wederom echtgenote van [appellant] is, er belang bij heeft dat de verstoting die op 15 december 1998 in Egypte plaatsvond in Nederland wordt erkend. Deze verklaringen zijn daarom geen objectieve bewijsstukken. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aan artikel 3, aanhef en onder c, van de WCE is voldaan.

Gelet op hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 1 juni 2005 in zaak nr. 200407807/1 brengt de inschrijving in de GBA van de huwelijksontbinding van 15 december 1998 niet met zich dat die ontbinding in de Nederlandse rechtsorde is erkend. Daargelaten dat [appellant] niet duidelijk heeft gemaakt op basis van welke stukken die inschrijving heeft plaatsgevonden, behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de staatssecretaris om te beoordelen, of de ontbinding naar Nederlands recht als rechtsgeldig is aan te merken.

Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het door hem overgelegde huwelijkscontract van 17 februari 2010 niet voldoende is voor het oordeel dat het op 1 augustus 1997 gesloten huwelijk tussen [appellant] en [persoon B] is ontbonden. Hij wijst daartoe op de Egyptische huwelijksakte van 17 januari 2010 waaruit blijkt dat hij op die datum opnieuw met [persoon B] in het huwelijk is getreden. Hij stelt dat de Egyptische ambtenaar die het huwelijkscontract van 17 februari 2010 heeft opgesteld daarin abusievelijk 1 augustus 1997 als ingangsdatum van het huwelijk tussen [appellant] en [persoon B] heeft opgenomen.

6.1.    Uit voormeld huwelijkscontract van 17 februari 2010 blijkt dat [appellant] en [persoon B] op 1 augustus 1997 in het huwelijk zijn getreden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daaruit niet blijkt dat het huwelijk tussen [appellant] en [persoon B] op enig moment daarna is ontbonden. De stelling dat de ambtenaar van het bevolkingsregister in Egypte een onjuiste huwelijksdatum heeft vermeld en het huwelijkscontract van 17 februari 2010 betrekking heeft op het huwelijk van 17 januari 2010, heeft [appellant] niet met gegevens of bescheiden gestaafd. De verwijzing naar een verzoekschrift dat hij op 14 april 2012 heeft gericht aan een Egyptische rechtbank om de datum in voormeld huwelijkscontract te wijzigen, leidt niet tot een ander oordeel. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij dat verzoekschrift niet op een eerder tijdstip dan 14 april 2012 heeft kunnen indienen.

Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel    w.g. Groenendijk

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013

164-692.