Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9945

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
201204735/1/T1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Druten" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204735/1/T1/R2.

Datum uitspraak: 30 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

1. de vereniging van eigenaars gebouw "Het Tabaksmagazijn" (hierna: de VVE), gevestigd te Druten,

2. de Rooms-Katholieke Parochie Druten en Puiflijk, (hierna: de Parochie), gevestigd te Druten,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rabbit Sisters B.V., gevestigd te Tiel,

4. de vereniging Bond Heemschut Vereniging tot Bescherming van cultuurmonumenten in Nederland en de vereniging Cuypersgenootschap Vereniging tot behoud van Bescherming 19e en vroeg 20ste eeuws cultuurgoed in Nederland, gevestigd te Amsterdam onderscheidenlijk Maasgouw,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Argos Druten B.V., gevestigd te Druten, en [appellant sub 5 A], wonend te Druten,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Druten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Druten" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de VVE, de Parochie, Rabbit Sisters, Bond Heemschut en het Cuypersgenootschap, en [appellant sub 5 A] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2011, waar de VVE, vertegenwoordigd door ir. F.J.M. Harbers, werkzaam bij HRSO Stedenbouw en Ruimtelijke Ontwikkeling B.V., de Parochie, vertegenwoordigd door mr. G. Gruijters, werkzaam bij het Bisdom van 's-Hertogenbosch, bijgestaan door [vice-voorzitter] van de Parochie, en [secretaris] van de Parochie, Rabbit Sisters, vertegenwoordigd door mr. E.A.M. van Gaal, advocaat te Tiel, bijgestaan door [directeur], en [gemachtigde], Bond Heemschut en het Cuypersgenootschap, beide vertegenwoordigd door J.H. Reijnen, en [appellant sub 5 A], eveneens vertegenwoordigd door ir. F.J.M. Harbers, voornoemd, en de raad, vertegenwoordigd door drs. I. Verploegen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ontvankelijkheid

2. Door Argos Druten B.V. en [appellant sub 5 A] is beroep ingesteld tegen het plandeel dat ziet op het perceel aan de [locatie] in Druten. Vaststaat dat uitsluitend [appellant sub 5 A] eigenaresse is van dit perceel. Voorts heeft Argos Druten B.V. geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat Argos Druten B.V. geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), geen beroep kan instellen. Het beroep van Argos Druten B.V. en [appellant sub 5 A], voor zover ingediend door Argos Druten B.V., is niet-ontvankelijk.

Planbeschrijving

3. Het plan voorziet in een actualisering van een aantal verouderde bestemmingsplannen die betrekking hebben op het noordelijke deel van de kern Druten. Het plan heeft vooral een conserverend karakter, maar voorziet daarnaast op een zestal locaties in nieuwe ontwikkelingen.

Het beroep van de VVE

4. De VVE betoogt dat aan het plandeel ten oosten van haar gebouw 'Het Tabaksmagazijn' aan de Hooistraat 42 ten onrechte de bestemming "Verkeer" is toegekend. Hiertoe voert zij aan dat dit plandeel ziet op de acht parkeerplaatsen die haar eigendom zijn en hierdoor dit geen openbare parkeerplaatsen zijn. Hierdoor is de toegekende bestemming niet te verwezenlijken volgens de VVE. Voorts voert de VVE aan dat de toegekende bestemming ten onrechte niet toestaat om ter plaatse garages of carports te bouwen. Op termijn wenst de VVE op deze bouwwerken ook zonnecellen te plaatsen. In het voorheen geldende plan was aan dit plandeel de bestemming "Erf" toegekend en die bestemming stond wel de bouw van garages en bijgebouwen toe, aldus de VVE.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de toegekende bestemming "Verkeer" niet in de weg staat aan het gebruik van de bewuste parkeerplaatsen door bewoners en bezoekers van 'Het Tabaksmagazijn' en ook geen verandering brengt in het eigendom van die gronden. Omdat bij het bouwplan voor 'Het Tabaksmagazijn' niet kan worden voldaan aan de parkeereis voor parkeerplaatsen op eigen terrein, is bij de verlening van de bouwvergunning - voor ontheffing van die parkeereis - afgesproken dat de desbetreffende acht parkeerplaatsen voor eenieder te gebruiken moeten zijn. Deze acht parkeerplaatsen, hoewel die eigendom zijn van de VVE, hebben volgens de raad derhalve een openbaar karakter en de raad acht het niet gewenst om de toegankelijkheid daarvan te beperken door het oprichten van garageboxen of carports mogelijk te maken. De raad stelt daarbij dat het voorgaande plan de bouw van garages of carports ook niet toestond. De raad ziet geen reden om de bestemming "Verkeer" te wijzigen of de gewenste bouwmogelijkheden te bieden.

4.2. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan zijn privaatrechtelijke verhoudingen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet van doorslaggevende betekenis. Slechts indien deze van een zodanige aard zijn dat daarmee de realisering van het bestemmingsplan binnen de planperiode niet aannemelijk is, kan hieraan betekenis toekomen. Het betoog van de VVE miskent dat voor de verwezenlijking van het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat ziet op de acht nieuwe parkeerplaatsen, waarvan ter zitting is gebleken dat die inmiddels zijn aangelegd, het niet noodzakelijk is dat deze parkeerplaatsen een openbaar karakter zullen hebben. In zoverre bestaat dan ook geen aanleiding om aan de realisering van dit plandeel te twijfelen.

4.3. In de begeleidende brief van de gemeente van 17 februari 2011 die behoort bij de verleende bouwvergunning aan de VVE is vermeld dat de nog te realiseren acht parkeerplaatsen ter plaatse van het bestreden plandeel voor eenieder bruikbaar moeten zijn zonder beperkingen wat betreft tijdstip of perioden. In de notitie 'Parkeerbalans Tabaksmagazijn Hooistraat 42 Druten' van augustus 2010, opgesteld door HSRO, is vermeld dat de bewuste acht parkeerplaatsen in de avonduren, als deze niet worden gebruikt, door omwonenden kunnen worden gebruikt. Ook in de brief van HSRO namens de VVE gericht aan het college van burgemeester en wethouders van Druten van 17 februari 2011 is vermeld dat de te realiseren parkeerplaatsen op eigen terrein voor eenieder toegankelijk worden.

Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit de overgelegde stukken dat de VVE ermee heeft ingestemd dat de desbetreffende acht parkeerplaatsen op haar eigen gronden openbaar toegankelijk zullen zijn. Dat de VVE bij nader inzien haar instemming met die voorwaarde betreurt, neemt niet weg dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toestaan van garages of carports - en eventuele zonnecellen daarop - zich niet goed verdraagt met het openbare karakter van de nieuwe parkeerplaatsen. Het bestreden plandeel hoeft daarom ook niet in die bouwmogelijkheden te voorzien.

De beroepen van de Parochie, Bond Heemschut en het Cuypersgenootschap

Archeologische waardenkaart

5. Bond Heemschut en het Cuypersgenootschap betogen dat ten onrechte geen zogenoemde 'cultuurhistorische waardenkaart' is opgesteld voor het plangebied. In het centrum van Druten is een groot aantal monumentale panden aanwezig en is sprake van een historische structuur. Daarbij wijzen zij op de Beleidsbrief inzake de modernisering van de monumentenzorg en op artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), waarin is opgenomen dat bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Volgens Bond Heemschut en het Cuypersgenootschap hadden de cultuurhistorische waarden van het centrum van Druten voorafgaand aan de vaststelling van het plan moeten worden geïnventariseerd en geanalyseerd in de vorm van een cultuurhistorische waardenkaart.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat ten tijde van de vaststelling van het plan nog geen historische waardenkaart was opgesteld, maar dat de cultuurhistorische aspecten zijn meewogen bij de integrale beoordeling van de ruimtelijke ontwikkelingen die in het plan mogelijk worden gemaakt. De aanwezige gemeentelijke en rijksmonumenten zijn met een aanduiding op de verbeelding aangegeven en hierdoor beschermd, waarbij de mogelijkheden in het plan in overeenstemming zijn met de Centrumvisie, waarbij de cultuurhistorische waarden ook zijn bezien. In de plantoelichting is ingegaan op de cultuurhistorische waarden van het centrum van Druten en daarmee is voldaan aan het bepaalde hieromtrent in het Bro, aldus de raad.

5.2. Met betrekking tot de Beleidsbrief Modernisering van de Monumentenzorg (kamerstukken II, 2009/10, 32 156, nr. 1) overweegt de Afdeling dat uit deze brief blijkt dat bij ruimtelijke plannen wat betreft cultuurhistorische waarden een zichtbare afweging dient plaats te vinden bij de vaststelling van een plan. Voor zover wordt betoogd dat ten behoeve van het plan een zogenoemde 'cultuurhistorische waardenkaart' had moeten worden opgesteld, overweegt de Afdeling dat een dergelijke verplichting niet voortvloeit uit de hiervoor aangehaalde brief.

Anders dan Bond Heemschut en het Cuypersgenootschap betogen, bevat de bepaling in artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro - zoals deze luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit - evenmin een verplichting tot het opstellen van een archeologische waardenkaart. Hiertoe overweegt de Afdeling dat uit het in deze bepaling opgenomen vereiste dat in de plantoelichting een beschrijving moet worden neergelegd van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden, niet volgt dat deze beschrijving noodzakelijkerwijs gepaard dient te gaan van een kaart. De hiervoor bedoelde beschrijving van de cultuurhistorische waarden in een gebied kan immers op verschillende manieren worden vormgegeven, hetgeen niet altijd een kaart vereist. Nu in de plantoelichting een beschrijving is opgenomen van de bestaande cultuurhistorische waarden, hebben Bond Heemschut en het Cuypersgenootschap niet aannemelijk gemaakt dat bij de vaststelling van het plan daarmee onvoldoende rekening is gehouden. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro.

Aantasting H.H. Ewaldenkerk en pastorie

6. Bond Heemschut en het Cuypersgenootschap voeren aan dat volgens hen de cultuurhistorische waarden onvoldoende zijn meewogen. De voorziene nieuwbouw in het plan leidt onder andere tot aantasting van het kerkgebouw met bijbehorende pastorie en tuin. De Parochie betoogt voorts dat het plan ten onrechte voorziet in een nieuwe horecagelegenheid aan de achterzijde van het notariskantoor aan de Hogestraat en naast de pastorie. Dit doet afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van de pastorie en de daarnaast gelegen neogotische parochiekerk. Volgens de Parochie, Bond Heemschut en het Cuypersgenootschap is geen deugdelijke ruimtelijke onderbouwing gegeven voor het mogelijk maken van een horecagelegenheid op de gekozen locatie en zou de bestaande openheid en zichtrelatie tussen de kerk met de pastorie en de dorpskern behouden moeten blijven. Daarbij wijst de Parochie erop dat in een voorgaand bestemmingsplan ook werd voorzien in bebouwing naast de pastorie, maar dat het daartegen ingestelde beroep gegrond is verklaard en aan dat plandeel destijds goedkeuring is onthouden door de Afdeling. Volgens de Parochie zijn er geen gewijzigde feiten of omstandigheden die thans tot een ander inzicht kunnen leiden.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat sinds de uitspraak van de Afdeling in 1995 de omstandigheden zijn veranderd, in die zin dat in 2007 met de 'Centrumvisie Druten' (hierna: de Centrumvisie) een nieuwe, integrale visie voor het centrum is vastgesteld. Daarbij wijst de raad erop dat in de Centrumvisie de locatie achter het notariskantoor ook is aangemerkt als een herontwikkelingslocatie, zodat de huidige onaantrekkelijke overgang van de Markt naar de Hogestraat kan verbeteren. Het bestreden plan kan een maximale hoogte krijgen van twee bouwlagen met een kap, hetgeen in overeenstemming is met de Centrumvisie. Volgens de raad is sprake van een verantwoorde stedenbouwkundige inpassing, omdat de situering en bouwmassa van de nieuwe horecagelegenheid aansluit bij de bestaande bebouwing aan de Hogestraat 6a-6d, die eveneens op korte afstand van de pastorie en pastorietuin staat. De cultuurhistorische waarden van het complex - pastorie met tuin en kerk - blijven volgens de raad ook na realisering van de horecagelegenheid voldoende zichtbaar. Bij de vaststelling van de Centrumvisie zijn de cultuurhistorische waarden meegewogen en is geconcludeerd dat op deze locatie onder voorwaarden (maximaal twee bouwlagen met een kap) bebouwing mogelijk is.

6.2. Bij uitspraak van 1 september 1995 in zaak nr. 95.006513 die betrekking had op het bestemmingsplan "Herziening Bestemmingsplan Druten-kom 1992-2" heeft de Afdeling goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Doeleinden van handel en bedrijf" en de aanduiding 'W2', dat beoogde te voorzien in bebouwing langs de pastorietuin. Dit plandeel voorzag in mogelijkheid van twee bouwlagen met een kap, waarbij een maximale goothoogte van 8 meter en een maximale bouwhoogte van 11,5 meter was toegestaan. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat:

"door deze bouwmogelijkheid de relatie tussen enerzijds de kerk, de pastorie en de begroeiing in de pastorietuin en anderzijds de Markt wordt verstoord. Hoewel enige bebouwing ter plaatse niet op voorhand uitgesloten moet worden geacht, achten Wij de noodzaak voor de in het plan voorziene bebouwing onvoldoende aangetoond. Gezien het vorenstaande is het beroep van appellanten op dit punt gegrond."

Anders dan de Parochie betoogt, is door de Afdeling in de hiervoor genoemde procedure eventuele nieuwe bebouwing op de bewuste locatie naast de pastorietuin niet zonder meer onaanvaardbaar geacht vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Bovendien zijn de planologische mogelijkheden - maximale bouwhoogte, bouwvolumes en het toegestane gebruik - waarin het thans bestreden plandeel met de bestemming "Horeca" voorziet minder omvangrijk dan het plandeel met de bestemming "Doeleinden van handel en bedrijf" en de aanduiding 'W2' waaraan in 1995 goedkeuring is onthouden. Nu de planologische mogelijkheden van beide plannen niet vergelijkbaar zijn, faalt het beroep op eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling uit 1995 reeds hierom.

6.3. Door de Parochie, Bond Heemschut en het Cuypersgenootschap is niet bestreden dat het perceel waar het bestreden plandeel op ziet, momenteel deels braak ligt en daarop een aantal in verval geraakte bouwwerken staan. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat herontwikkeling van dit plandeel op zichzelf tot een ruimtelijke verbetering kan leiden.

De omstandigheid dat de beoogde bebouwing naast de pastorietuin voldoet aan de ruimtelijke randvoorwaarden zoals verwoord in Centrumvisie, neemt niet weg dat bij de vaststelling van het voorliggende plan nog steeds een zichtbare afweging gemaakt dient te worden door de raad van de belangen die gemoeid zijn met de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling en de mogelijke aantasting van de nabijgelegen pastorie en parochiekerk. In dit verband is van belang dat - anders dan in het bestemmingsplan "Herziening Bestemmingsplan Druten-kom 1992-2" was voorzien - niet langs de gehele pastorietuin bebouwing mogelijk wordt gemaakt en hierdoor het zicht op zowel de pastorietuin als de kerk slechts in beperkte mate wordt verminderd.

Gezien de maximale goothoogte van 7 meter en de maximale bouwhoogte van 10 meter, die gelijk zijn aan de maximale bouwmaten van het aangrenzende gebouw, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bouwmogelijkheden waarin het bestreden plandeel voorziet passend zijn en aansluiten bij de bestaande bebouwing aan de Hogestraat.

De Afdeling ziet in hetgeen de Parochie, Bond Heemschut en het Cuypersgenootschap hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding om de raad niet te volgen in het standpunt dat bebouwing van het bestreden plandeel niet tot een onaanvaardbare aantasting van de cultuurhistorische waarden van de pastorie met tuin en de kerk zal leiden.

Aantasting andere cultuurhistorische waarden

7. Bond Heemschut en het Cuypersgenootschap voeren verder aan dat de cultuurhistorische waarden ook bij andere onderdelen van het plan onvoldoende zijn meewogen. Daarbij wijzen zij erop dat het bakhuis uit de 18e eeuw bij het Ambtshuis - dat een rijksmonument is - en de binnengracht van de voormalige kasteelplaats "Huis te Druten", ten onrechte zijn wegbestemd en dat het mogelijk maken van het terugleggen van de voorgevelrooilijnen aan de Kattenburg, waardoor voortuinen ontstaan, afbreuk doet aan de historische stedenbouwkundige structuur.

7.1. De raad stelt dat in de monumentenbeschrijving van het Ambtshuis het bakhuis niet is opgenomen en daarom hiervoor geen specifieke regeling is opgenomen. Wat betreft de binnengracht van het kasteelterrein is met de toegekende bestemming "Tuin" volgens de raad die gracht als zodanig bestemd. Er is niet gekozen voor de bestemming "Water", omdat deze binnengracht van ondergeschikt belang is in waterhuishoudkundig opzicht en verdere bescherming van deze gracht plaatsvindt door middel van de monumentenverordening.

7.2. Ten aanzien van het niet als zodanig bestemmen van het bakhuis dat behoort tot het Ambtshuis - gelegen aan de Ambtshuisstraat nr. 3 - overweegt de Afdeling dat aan het plandeel dat ziet op de gronden waarop het Ambtshuis staat de bestemming "Maatschappelijk" en twee bouwvlakken zijn toegekend. Binnen het ene bouwvlak is het bestaande Ambtshuis gesitueerd en het andere bouwvlak is bedoeld voor nieuwbouw. Het bakhuis dat behoort tot het Ambtshuis is niet binnen een bouwvlak gelegen. Ingevolge artikel 13, lid 13.2.2, aanhef en onderdeel a, van de planregels mogen gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Het bakhuis is derhalve niet als zodanig bestemd en onder het overgangsrecht gebracht.

Nu niet in geschil is dat het bakhuis geen onderdeel uitmaakt van de aanwijzing van het Ambtshuis als rijksmonument, zoals die blijkt uit de omschrijving van de inschrijving op 1 december 1971 in het Monumentenregister van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en door Bond Heemschut en het Cuypersgenootschap niet inzichtelijk is gemaakt welke bijzondere cultuurhistorische waarde het bakhuis vertegenwoordigt, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen regeling ter behoud van het bakhuis hoeft te worden opgenomen in het plan.

7.3. Met betrekking tot het wegbestemmen van de binnengracht van het voormalige 'Huis te Druten' overweegt de Afdeling dat aan deze gronden de bestemming "Tuin" en de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' (sba-gem) is toegekend. Ingevolge artikel 15, lid 15.1, aanhef en onderdeel c en onderdeel e, van de planregels zijn gronden met deze bestemming en aanduiding onder andere bestemd voor watergangen alsmede voor de instandhouding en bescherming van gemeentelijke monumenten. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat deze binnengracht met de toegekende bestemming als zodanig is bestemd. Voorts hebben Bond Heemschut en het Cuypersgenootschap niet aannemelijk gemaakt dat ter behoud van deze binnengracht de toegekende aanduiding onvoldoende zou zijn.

7.4. Wat betreft de gestelde mogelijkheid om de voorgevelrooilijnen naar achteren te leggen, overweegt de Afdeling dat aan bijna alle percelen langs de Kattenburg de bestemming "Wonen" of "Centrum" is toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2.2, onder b, en artikel 18, lid 18.2.1, onder f, van de planregels moet bij deze bestemmingen de voorgevel van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn worden gesitueerd. Ingevolge artikel 7, lid 7.3, en artikel 18, lid 18.4, onder a, van de planregels kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van de hiervoor aangehaalde planregels, waarbij de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 3 meter achter de voorgevelrooilijn mag worden gesitueerd, mits het stedenbouwkundige beeld hierdoor niet onevenredig wordt aangetast.

Nu het plan bouwen achter de bestaande voorgevelrooilijnen niet bij recht toestaat en gelet op de gestelde voorwaarde in de planregels in geval van een eventuele afwijking op dit punt van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning, ziet de Afdeling geen aanleiding om de raad niet te volgen in het standpunt dat het plan in zoverre de historische stedenbouwkundige structuur van Druten niet onevenredig aantast.

Overlast en aantasting privacy

8. De Parochie voert aan dat de nieuwe horecagelegenheid tot overlast zal leiden tijdens het gebruik van de H.H. Ewaldenkerk en de privacy zal aantasten van de pastorietuin.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat niet kan worden ontkend dat als gevolg van het bestreden plandeel de situatie - waaronder de privacy - rondom de pastorie wijzigt, maar dat in dit geval de belangen die zijn betrokken bij de realisering van dit plandeel zwaarder wegen.

8.2. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat het plandeel met de bestemming "Horeca", dat ligt aan de achterzijde van het bestaande pand aan de Hogestraat nr. 6 en grenst aan de gronden waarop het pastoriehuis en de pastorietuin zijn gelegen, zal leiden tot overlast tijdens het gebruik van de kerk die ongeveer 30 meter verderop staat. Ten aanzien van de gestelde aantasting van de privacy van de pastorietuin, overweegt de Afdeling dat niet is uitgesloten dat het realiseren van een nieuwe horecagelegenheid op de aangrenzende gronden zal leiden tot enige aantasting van de privacy in de grotendeels ommuurde pastorietuin, maar de Afdeling acht het niet aannemelijk dat sprake zal zijn van een zodanige aantasting van de privacy dat de raad hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

Maatvoering bouwvlak

9. De Parochie betoogt dat ten onrechte de aanduiding in de verbeelding is opgenomen dat het maximale bebouwingspercentage 100 bedraagt, omdat vanwege gebruiksvoorschriften - zoals nooduitgangen - niet het gehele bouwvlak zal kunnen worden bebouwd. Het maximale bebouwingspercentage dient te worden verlaagd tot datgene wat daadwerkelijk kan worden bebouwd, aldus de Parochie.

9.1. Met betrekking tot het maximale bebouwingspercentage van 100 dat aan bestreden plandeel is toegekend overweegt de Afdeling dat de raad niet heeft onderzocht of dit bebouwingspercentage noodzakelijk is voor de verwezenlijking van dit plandeel, mede gelet op het feit dat het bouwvlak dat is toegekend aan dit plandeel het gehele perceel beslaat. Daarnaast is ter zitting namens de raad meegedeeld dat geen rekening is gehouden met voorzieningen zoals vluchtwegen en dat met een kleiner bouwvlak de toekomstige horecagelegenheid ook kan worden gerealiseerd.

In hetgeen de Parochie heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de omvang van het bouwvlak en het bebouwingspercentage dat is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Horeca" dat grenst aan de zuidzijde van de parochietuin, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van Rabbit Sisters

10. Rabbit Sisters voert aan dat de herontwikkelingslocatie 'De Smid' onaanvaardbare gevolgen heeft voor het gebruik van haar pand aan de Hogestraat 37 en dat zij als gevolg van dit nieuwbouwplan mogelijk tijdelijk zal moeten verhuizen. Hiertoe voert zij onder andere aan dat door het bestreden plandeel het zicht vanuit de ramen aan de zijkant van haar pand verloren zal gaan en de lichtinval in haar pand zal verminderen. Daarnaast betoogt zij dat het plan onvoldoende inzicht biedt in de effecten van de herontwikkeling van 'De Smid' op de reeds bestaande parkeerdruk in het centrum, waardoor mogelijk onvoldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn voor haar klanten.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plandeel dat ziet op herontwikkelingslocatie 'De Smid' de lichtinval en privacy op het perceel van Rabbit Sisters zal veranderen, maar dat sprake is van een verantwoorde stedenbouwkundige inpassing van dit bouwplan. Hierdoor blijven volgens de raad de gevolgen voor Rabbit Sisters beperkt en is geen sprake van een ongebruikelijke of onacceptabele situatie. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat het bouwplan voor 'De Smid' de realisering van winkelruimte en een beperkt aantal woningen betreft, wat niet zal leiden tot een merkbaar verschil in verkeersstromen of parkeerdruk. Daarbij wijst de raad erop dat door de ingevoerde zogenoemde 'blauwe zone' meer parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor winkelend publiek en dat bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met de parkeernorm die is opgenomen in de 'Nota parkeernormen' uit 2011.

10.2. Met betrekking tot het betoog inzake het verlies aan uitzicht en de vermindering van lichtinval in haar pand, overweegt de Afdeling als volgt. Het pand van Rabbit Sisters wordt deels gebruikt als winkelruimte en deels als woning. Uit de ter zitting overgelegde foto’s blijkt dat in de zijkant van het bestaande pand van Rabbit Sisters dat direct grenst aan de nieuwbouwlocatie 'De Smid' op de begane grond en de eerste etage in totaal vier ramen aanwezig zijn die ook kunnen worden geopend.

Door de raad is niet weersproken dat de desbetreffende vier ramen in overeenstemming met de daarvoor verleende bouwvergunning zijn aangebracht en derhalve legaal zijn. Aangezien het bouwvlak van het bestreden plandeel direct aansluit op het bestaande pand van Rabbit Sisters en dat bouwvlak zich ook uitstrekt langs de gehele zijkant van het pand van Rabbit Sisters en langs vrijwel de gehele perceelgrens, heeft de raad onvoldoende gemotiveerd dat in het plan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het pand van Rabbit Sisters kan worden behouden.

Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ingevolge artikel 7, lid 7.2.1, onder a, van de planregels dit bouwvlak volledig mag worden bebouwd, de maximale bouwhoogte voor het bestreden plandeel varieert van 5,5 meter tot 13,5 meter en dat in de bouwvoorschriften van de bestemming "Centrum" geen minimumafstand van gebouwen tot zijdelingse perceelgrenzen is opgenomen. Gezien de lengte van het pand van Rabbit Sisters is door de raad niet inzichtelijk gemaakt dat onder andere voor voldoende daglichttoetreding de bestaande ramen in de zijkant van het pand zouden kunnen worden gemist. Voorts is van belang dat uit de overgelegde stukken niet blijkt op welke wijze bij de nieuwbouw op locatie 'De Smid' met de bestaande ramen in het pand van Rabbit Sisters rekening zal worden gehouden en in hoeverre deze hun functie zullen behouden na verwezenlijking van dit plandeel. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

10.3. In de plantoelichting is vermeld dat onder het gehele gebouw van 'De Smid' een half verdiepte parkeerkelder zal worden aangelegd. Ter zitting is namens de raad echter meegedeeld dat realisering van die parkeerkelder onzeker is indien het pand van Rabbit Sisters niet wordt aangekocht.

Uit de verbeelding, de planregels noch uit de toelichting blijkt hoeveel woningen en hoeveel winkel- of kantoorruimte op locatie 'De Smid' kunnen worden gerealiseerd. Daarmee is naar het oordeel van de Afdeling ook ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt hoeveel parkeerplaatsen benodigd zijn om te voldoen aan de gemeentelijke parkeereis voor parkeren op eigen terrein. Dit klemt temeer nu ter zitting is vast komen te staan dat in de nabije omgeving van locatie 'De Smid' geen parkeerplaatsen aanwezig zijn. Gelet hierop is ook onduidelijk of een ontheffing van de gemeentelijke parkeereis kan worden verkregen door het afkopen van het tekort aan parkeerplaatsen op eigen terrein.

Nu evenmin zekerheid bestaat over de realisering van de beoogde parkeerkelder onder het gebouw, is in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat het bestreden plandeel niet leidt tot een onaanvaardbare toename van de parkeerdruk in de omgeving.

10.4. In hetgeen Rabbit Sisters heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Centrum" - locatie 'De Smid' - dat grenst aan de oostzijde van het perceel van Rabbit Sisters, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 5 A]

11. [appellant sub 5 A] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een groter bouwvlak voor haar perceel aan de [locatie] in het centrum van Druten. Daartoe voert zij aan dat vanwege een voorgenomen herbestemming van het monumentale pand op dit perceel hiervoor een groter bouwvlak benodigd is en dat aan de ruimtelijke bezwaren tegen een groter bouwvlak tegemoet kan worden gekomen door een lager bebouwingspercentage toe te kennen. Volgens [appellant sub 5 A] is het voorbarig om herontwikkeling van het pand in het plan reeds uit te sluiten voordat een bouwplan is opgesteld, mede omdat het pand een rijksmonument is en vanwege de Monumentenwet een zorgvuldige ruimtelijke inpassing is gewaarborgd.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het voornemen van [appellant sub 5 A] nog onvoldoende concreet is om op te nemen in het voorliggende plan. Dat geen groter bouwvlak is toegekend aan het plandeel dat ziet op het monumentale pand van [appellant sub 5 A] betekent volgens de raad niet dat geen bereidheid bestaat om planologische medewerking te verlenen aan een eventueel bouwplan. Indien in de toekomst door [appellant sub 5 A] een concreet verzoek wordt ingediend kan - indien dit wenselijk en passend is - bijvoorbeeld door middel van een postzegelplan alsnog medewerking aan het voornemen worden verleend, aldus de raad.

11.2. Aan het plandeel dat ziet op het pand van [appellant sub 5 A] aan de [locatie] is de bestemming "Centrum" toegekend. De omvang van het daarop weergegeven bouwvlak is beperkt tot het bestaande pand. Door [appellant sub 5 A] zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan reeds een concreet bouwplan bestond voor de herontwikkeling van haar pand aan de [locatie] noch is anderszins aannemelijk gemaakt dat het voornemen zodanig concreet is dat dit zonder meer in het voorliggende plan kon worden opgenomen. Met dit voornemen hoefde de raad bij de vaststelling van het plan dan ook geen rekening te houden en geen groter bouwvlak aan het bestreden plandeel toe te kennen.

Conclusie

12. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 9.1 dient de raad ten aanzien van de omvang van het bouwvlak dan wel het bebouwingspercentage dat is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Horeca", dat grenst aan de zuidzijde van de parochietuin, het bestreden besluit te wijzigen.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 10.2 en onder 10.3 dient de raad ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Centrum" - locatie 'De Smid' - alsnog te motiveren dat wat betreft het pand van Rabbit Sisters een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden behouden alsmede dat de nieuwbouw waarin dit plandeel voorziet niet tot een onaanvaardbare toename van de parkeerdruk in de omgeving zal leiden dan wel ten aanzien van dit plandeel het bestreden besluit te wijzigen.

De raad behoeft bij het voorgaande geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb en de raad dient het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Proceskosten

13. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Druten op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak het besluit van 29 maart 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kom Druten":

1. te wijzigen ten aanzien van de omvang van het bouwvlak dan wel het bebouwingspercentage dat is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Horeca", dat grenst aan de zuidzijde van de parochietuin, met inachtneming van hetgeen onder 9.1 is overwogen;

2. te herstellen door met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 10.2 en onder 10.3 alsnog te motiveren dat bij verwezenlijking van het plandeel met de bestemming "Centrum" - locatie 'De Smid' - wat betreft het pand van Rabbit Sisters een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden behouden alsmede dat de nieuwbouw waarin dit plandeel voorziet niet tot een onaanvaardbare toename van de parkeerdruk zal leiden dan wel ten aanzien van dit plandeel het besluit te wijzigen;

3. het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

4. de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Vreugdenhil

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013

571.