Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9943

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
201205252/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een reguliere bouwvergunning verleend en een projectbesluit genomen voor het oprichten van een woning met atelier op de percelen naast [locatie] te Den Andel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205252/1/A1.

Datum uitspraak: 30 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Winsum,

appellant,

tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 28 november 2011 en 10 april 2012 in zaak nr. AWB 11/275 in het geding tussen:

[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2], beiden wonend te Den Andel, gemeente Winsum (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker sub 1])

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een reguliere bouwvergunning verleend en een projectbesluit genomen voor het oprichten van een woning met atelier op de percelen naast [locatie] te Den Andel.

Bij tussenuitspraak van 28 november 2011 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld een gebrek in dat besluit te herstellen.

Bij uitspraak van 10 april 2012 heeft de rechtbank het door [verzoeker sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 februari 2011 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[verzoeker sub 1] heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [vergunninghouder] een schriftelijke reactie gegeven.

Het college, [verzoeker sub 1] en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2013, waar het college, vertegenwoordigd door N. Scheeper, S. van Roon en M.A. Geling, allen werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is [vergunninghouder], bijgestaan door mr. K.A. Luehof, als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1.    Het college betoogt dat de rechtbank het besluit van 1 februari 2011 ten onrechte heeft vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), nu dat besluit geen beslissing op bezwaar was.

1.1.    Het college betoogt terecht dat de rechtbank het besluit van 1 februari 2011 ten onrechte heeft vernietigd op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, nu dat besluit is voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb, maar dit betoog baat hem niet. Onbestreden is dat het besluit van 1 februari 2011 niet berust op een deugdelijke motivering, zodat het in zoverre, zij het op grond van artikel 3:46 van de Awb, voor vernietiging in aanmerking komt.

2.    Het college betoogt voorts dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit ten onrechte niet in stand heeft gelaten, nu het college met de aanvulling van de motivering, neergelegd in de brief van 16 januari 2012, heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.

2.1.    De welstandscommissie heeft op 24 juli 2009 en op 20 mei 2010 het bouwplan beoordeeld en positief geadviseerd ten aanzien van welstand. Bij brief van 15 december 2011 heeft zij nogmaals gemotiveerd geoordeeld dat het bouwplan voldoet aan de criteria in de welstandsnota en het in overeenstemming met redelijke eisen van welstand geacht. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, valt uit laatstgenoemd advies niet af te leiden dat het niet definitief is, zodat de rechtbank op onjuiste gronden tot de conclusie is gekomen dat het door de rechtbank geconstateerde gebrek reeds hierom niet is hersteld. De opmerking in het advies, dat de uiteindelijke kwaliteit van het bouwwerk sterk afhankelijk zal zijn van een zorgvuldige uitvoering van de diverse onderdelen, geeft geen grond voor een ander oordeel. Het college heeft zich hierover terecht op het standpunt gesteld dat deze opmerking geen betrekking heeft op het bouwplan zelf maar op de uitvoering daarvan en dat het college in zoverre belast is met de handhaving. [verzoeker sub 1] kan het college verzoeken om handhavend op te treden als hij meent dat [vergunninghouder] het bouwplan niet uitvoert, zoals het is vergund.

Het betoog slaagt.

2.2.    De adviezen van de welstandscommissie zijn op 15 december 2011 nader gemotiveerd.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1; www.raadvanstate.nl) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

2.3.    De welstandscommissie heeft in haar advies van 15 december 2011 gemotiveerd hoe zij in het licht van de welstandsnota is gekomen tot een eigentijdse interpretatie van de welstandscriteria en waarom het volume, de uitvoering, de compositie en de ligging van het gebouw passen binnen het welstandsbeleid en de daarin gehanteerde criteria. Niet gebleken is dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college het niet aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag had mogen leggen.

Gelet op dit advies en het feit dat [verzoeker sub 1] geen deskundigenadvies heeft overgelegd heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Voorts leidt hetgeen hij overigens heeft aangevoerd niet tot het oordeel dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria, Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Het college betoogt daarom terecht dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 februari 2011 niet in stand heeft gelaten, nu met de aanvulling van de motivering van dat besluit, het gebrek voldoende is hersteld.

Het betoog slaagt.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 februari 2011 niet in stand zijn gelaten. De Afdeling zal daarom alsnog bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 april 2012 in zaak nr. AWB 11/275, voor zover aangevallen;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 1 februari 2011 van het college van burgemeester en wethouders van Winsum geheel in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann    w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013

357-776.