Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9942

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
201205270/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en een bouwvergunning eerste fase verleend voor het vergroten van het bedrijfsgebouw gelegen aan [locatie 1] te Goudriaan (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205270/1/A1.

Datum uitspraak: 30 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Goudriaan, gemeente Molenwaard,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 13 april 2012 in zaak nr. 10/934 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Graafstroom, thans: Molenwaard.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en een bouwvergunning eerste fase verleend voor het vergroten van het bedrijfsgebouw gelegen aan [locatie 1] te Goudriaan (hierna: het perceel).

Bij besluit van 1 juli 2010 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en, onder aanvulling van de motivering daarvan, dat besluit in stand gelaten.

Bij uitspraak van 13 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [vergunninghouder] een schriftelijke reactie gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2012, waar [appellante], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.P.J Kreeft , werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. M.J.E. Boudesteijn, als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1.    Het college en [vergunninghouder] stellen dat [appellante] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, nu de raad van de gemeente Graafstroom bij besluit van 25 juni 2012 het bestemmingsplan "Buitengebied Graafstroom, 1ste herziening" heeft vastgesteld en het bouwplan voor de uitbreiding van de bedrijfsloods met kantoorruimte naar 1167 m² daarmee in overeenstemming is.

1.1.    Niet in geschil is dat het bestemmingsplan "1ste herziening Buitengebied Graafstroom" de bouw van een bedrijfsgebouw met een bebouwingsoppervlakte van 1197 m² mogelijk maakt. Vaststaat dat tegen het vaststellingsbesluit, voor zover dit het perceel met de bestemming "Bedrijf" betreft, geen rechtsmiddelen zijn aangewend en het bestemmingsplan op 7 augustus 2012 in zoverre in werking is getreden. Door [appellante] zijn evenmin feiten of omstandigheden gesteld die mogelijkerwijs tot vernietiging van het vaststellingsbesluit leiden. De verleende vrijstelling voorziet in een bedrijfsgebouw met een bebouwingsoppervlakte van 200 m², terwijl reeds een bedrijfsgebouw van 967 m² aanwezig is. Het bouwplan past derhalve binnen de in de planvoorschriften opgenomen maximale oppervlaktemaat van 1197 m² voor een bedrijfsgebouw op dit perceel. Dit betekent dat, bij een vernietiging van de vrijstelling in hoger beroep, bij de beoordeling van de aanvraag om een bouwvergunning voor het bouwplan, thans geen vrijstelling van het bestemmingsplan meer noodzakelijk is om bouwvergunning te kunnen verlenen. Dit brengt mee dat geen belang meer bestaat bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het vrijstellingsbesluit, en de hogerberoepsgronden van [appellante] die betrekking hebben op de verleende vrijstelling geen bespreking meer behoeven.

De gronden van het hoger beroep welke betrekking hebben op de verleende bouwvergunning behoeven echter nog wel bespreking, zodat het college en [vergunninghouder] niet worden gevolgd in hun betoog dat het procesbelang van [appellante] is komen te vervallen.

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.

2.1.    Naar aanleiding van het bezwaar van [appellante] heeft het college aanvullend onderzoek verricht naar onder meer de gevolgen van het bouwplan voor het parkeren. In dat verband heeft [vergunninghouder] een parkeerplan laten opstellen, dat betrekking heeft op het onderhavige bedrijfsgebouw en een bouwplan ter uitbreiding van de bedrijfsruimte aan de [locatie 2] te Goudriaan. In het parkeerplan is aan de hand van de parkeernormen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek berekend wat de behoefte aan parkeervoorzieningen is ten gevolge van beide bouwplannen. Hierbij is het aantal m² uitbreiding en het aantal werknemers in aanmerking genomen. Voorts is van belang geacht dat in het bedrijf in ploegendiensten wordt gewerkt. Dit heeft geresulteerd in een parkeerbehoefte van 203 parkeerplaatsen, waarvan 7 ten behoeve van het bouwplan aan [locatie 1].

Onder verwijzing naar bijvoorbeeld de uitspraak van 14 november 2012 in zaak nr. 201201500/1/A1, stelt de Afdeling voorop dat bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening hoeft te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het thans voorliggende bouwplan aan [locatie 1]. Onbestreden is dat de uitbreiding die in dit bouwplan is voorzien, resulteert in een parkeerbehoefte van 7 extra parkeerplaatsen. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat deze parkeerplaatsen ter plaatse niet op eigen terrein ter plaatse van het perceel kunnen worden gerealiseerd. De toename in de parkeerbehoefte aan de [locatie 2], en de vraag of het daar noodzakelijke aantal plaatsen feitelijk kan worden gerealiseerd omdat naar gesteld ten onrechte geen rekening is gehouden met de verplichte aanleg van afschermend groen, wat daar verder van zij, zijn in dit verband door de rechtbank terecht niet van belang geacht. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met het vereiste uit de bouwverordening, dat parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein.

Het betoog faalt.

3.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Daartoe voert zij aan dat door de uitstraling van het gebouw de landelijke omgeving verder wordt aangetast.

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

3.2.    De welstandscommissie is in haar advies van 31 maart 2008 gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat het bouwplan niet strijdig is met redelijke eisen van welstand. Niet gebleken is dat dit welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college het niet aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag had mogen leggen. Gelet op dit advies, het feit dat [appellante] geen deskundigenadvies heeft overgelegd en gesteld noch gebleken is dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand, zodat het terecht in zoverre geen grond aanwezig heeft geacht de bouwvergunning te weigeren.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann    w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013

357-776.