Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9941

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
201112908/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 8 juni 2010 heeft het college de erven van [vergunninghouder] medegedeeld dat van rechtswege bouwvergunning is verleend voor het plaatsen van een hoefslagoverkapping op het perceel [locatie] te Westbroek (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 3.9
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:20b
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112908/1/A1.

Datum uitspraak: 30 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Westbroek, gemeente De Bilt, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 oktober 2011 in zaak nr. 11/321 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van de Bilt.

Procesverloop

Op 8 juni 2010 heeft het college de erven van [vergunninghouder] medegedeeld dat van rechtswege bouwvergunning is verleend voor het plaatsen van een hoefslagoverkapping op het perceel [locatie] te Westbroek (hierna: het perceel).

Bij besluit van 7 december 2010 heeft het het door [appellant] tegen die vergunning gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 oktober 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Wegra Investment B.V., inmiddels rechthebbende op de grond, waarop het bouwplan is voorzien, heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S. Land, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Marinus, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar Wegra Investment B.V., vertegenwoordigd door mr. R.G. Wakelkamp, advocaat te Utrecht, gehoord.

Overwegingen

1.    Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een overkapping van een tredmolen voor paarden.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank, door het gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, heeft miskend dat hij uit mocht gaan van de juistheid van de mededeling in de aan hem gerichte brief van het college van 8 juni 2010 dat hij binnen zes weken bezwaar kan maken.

2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 juni 2004 in zaak nr. 200306663/1), vangt de termijn voor het maken van bezwaar, ingeval van rechtswege vergunning is verleend, aan met ingang van de dag na die, waarop de beslistermijn is geëindigd.

Niet in geschil is dat [appellant] niet binnen zes weken na de van rechtswege verleende bouwvergunning daartegen bezwaar heeft gemaakt. Dat is gebeurd bij brief van 22 juli 2010.

2.2.    Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 13 juli 2005 in zaak nr. 200501517/1), dient een belanghebbende, niet zijnde de aanvrager, die van het verlenen van een vergunning niet schriftelijk op de hoogte is gesteld en waarvan geen publicatie in een huis-aan-huisblad heeft plaatsgevonden, zijn bezwaren uiterlijk binnen twee weken, nadat hij van het bestaan van de vergunning op de hoogte is geraakt, kenbaar te maken, om de termijnoverschrijding verschoonbaar te kunnen achten. Dit betekent dat [appellant], nu niet in geschil is dat de brief van 8 juni 2010 hem op 14 juni 2010 is toegezonden, uiterlijk op 28 juni 2010 tegen de van rechtswege verleende bouwvergunning bezwaar kon maken. Die termijn heeft hij, naar hij stelt door de onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting in de brief van 8 juni 2010, overschreden.

Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 januari 2012 in zaak nr. 201106762/2/H1), kan, indien een bestuursorgaan bij de bekendmaking van een besluit onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting geeft, behoudens voor betrokkene kenbare misslagen, een daardoor veroorzaakte termijnoverschrijding op de voet van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar worden geacht.

Nu het college [appellant] in de brief van 8 juni 2010 ten onrechte heeft medegedeeld dat hij gedurende zes weken bezwaar kon maken, heeft de rechtbank de termijnoverschrijding ten onrechte niet verschoonbaar geacht. Dat hij werd bijgestaan door een juridisch geschoolde rechtshulpverlener, doet hier niet aan af. De door het college in dit verband vermelde uitspraak van de Afdeling van 21 september 2011 in zaak nr. 201010355/1/H2 leidt niet tot een ander oordeel, nu deze ziet op een situatie, waarin geen rechtsmiddelenvoorlichting was gegeven.

Het betoog slaagt.

3.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank, door aan te nemen dat voor het bouwplan bouwvergunning van rechtswege is verleend, heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1972, 2e herziening" en dat het relevante bestemmingsplan is, nu de Afdeling de goedkeuring van het op 26 oktober 2000 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Maartensdijk" gedeeltelijk heeft vernietigd.

In elk geval heeft zij miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, zoals dat ten tijde van het besluit van 7 december 2010 gold. De rechtbank heeft het college ten onrechte gevolgd in het betoog dat het bouwplan moest worden getoetst aan het bestemmingsplan, zoals dat ten tijde van de aanvraag gold. Uitgaande van het bestemmingsplan, zoals dit ten tijde van het besluit van 7 december 2010 gold, voldoet het bouwplan aan artikel 1, onder o, noch aan artikel 5, derde lid, onder a, en onder 1, van de planvoorschriften, nu op het perceel geen bestaand agrarisch bedrijf aanwezig is, aldus [appellant].

3.1.    Ingevolge het geldende bestemmingplan "Buitengebied Maartensdijk" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Stadsrandgebied" met de aanduiding "agrarisch bedrijf".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder o, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, wordt onder "grondgebonden agrarisch bedrijf" een agrarische onderneming verstaan, waarin hoofdzakelijk gebruik gemaakt wordt van open grond.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge het derde lid, onder a, aanhef en sub 1, geldt voor de bebouwing ten behoeve van die uitoefening dat de gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd ten behoeve van een bestaand agrarisch bedrijf, dat is aangeduid met "Agrarisch bedrijf".

3.2.    De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen aanleiding gezien om [appellant] te volgen in het betoog dat het bouwplan, bij de beantwoording van de vraag of daarvoor van rechtswege bouwvergunning is verleend, moest worden getoetst aan het bestemmingsplan, zoals dat ten tijde van het besluit van 7 december 2010 gold.

Het college heeft de beslissing op de aanvraag van 9 november 2005 om verlening van bouwvergunning voor het bouwplan aangehouden op de voet van artikel 52, eerste lid, van de Woningwet, zoals die ten tijde van belang luidde, omdat in verband met een wijziging van de bedrijfsvoering een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer vereist was. Deze aanhoudplicht is per 1 april 2007 vervallen, zodat ingevolge artikel 52, derde lid, binnen vier weken na die dag en derhalve uiterlijk op 27 april 2007 op de bouwaanvraag moest worden besloten.

Voor de vraag of een bouwvergunning van rechtswege is ontstaan, is dan ook bepalend of het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, zoals dat direct na 27 april 2007 gold.

3.3.    Anders dan [appellant] betoogt, betekent de omstandigheid dat de Afdeling bij de uitspraken van 27 augustus 2003 (zaak nrs. 200103396/1 en 200105173/1) en 28 september 2005 (zaak nr. 200405903/1) de besluiten tot goedkeuring van het bestemmingsplan van 5 juni 2001 en 1 juni 2004 met betrekking tot artikel 1, aanhef en onder n, en artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften heeft vernietigd, niet dat het bestemmingsplan voor het perceel niet geldt, maar dat het in rechte onaantastbaar is geworden, met uitzondering van de planonderdelen, waaraan goedkeuring is onthouden (uitspraak van 21 oktober 2009 in zaak nr. 200809331/1/H1). Het perceel is in de beslissing van de uitspraak van 27 augustus 2003 bij de plandelen, ten aanzien waarvan het besluit tot goedkeuring is vernietigd en ten aanzien waarvan goedkeuring is onthouden, niet vermeld.

Met het derde en laatste besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot goedkeuring van het bestemmingsplan, kenmerk 2007REG000117i, dat op 30 januari 2007 is vastgesteld, op 29 maart 2007 in werking is getreden en op 29 augustus 2007 in rechte onaantastbaar is geworden, toen het beroep tegen dit besluit bij de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2007 (zaak nr. 200702131/1) ongegrond werd verklaard, is voorzien in een definitieve bestemmingsregeling voor het perceel. Voor beantwoording van de vraag of aan het einde van de hiervoor onder 3.2 vermelde beslistermijn van rechtswege bouwvergunning is ontstaan, dient het bouwplan te worden getoetst aan het bestemmingsplan, zoals dat na het besluit van het college van gedeputeerde staten van 30 januari 2007 is gaan gelden.

3.4.    De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat het college het bouwplan terecht niet in strijd met het bestemmingsplan, zoals dit gold ten tijde van belang, heeft geacht, zodat daarvoor van rechtswege bouwvergunning is verleend.

Daarbij heeft zij, bij gebreke van een definitie van de betekenis van de term "agrarisch bedrijf", terecht aansluiting gezocht bij hetgeen hieronder in het algemeen spraakgebruik wordt verstaan. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 januari 2012 in zaak nr. 201104014/1/A1), kan de productiegerichte paardenhouderij op het perceel als een agrarisch bedrijf worden aangemerkt, zodat het bouwplan in zoverre niet met het bestemmingsplan in strijd is. Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat ter plaatse geen reëel agrarisch bedrijf aanwezig is faalt.

Ten aanzien van het betoog dat uit artikel 5, derde lid, onder a, aanhef en sub 1, van de planvoorschriften volgt dat slechts mag worden gebouwd ten behoeve van een bestaand agrarisch bedrijf en ter plaatse geen bestaand agrarisch bedrijf aanwezig is, wordt overwogen dat Wegra Investment B.V. aannemelijk heeft gemaakt dat het voornemen bestaat de paardenhouderij van wijlen de heer [vergunninghouder] op het perceel te hervatten. Zij is nog niet hervat, uitsluitend omdat de vennootschap nog niet over de daarvoor vereiste toestemmingen beschikt.

Onder die omstandigheden is dit voornemen voldoende concreet om het oordeel dat ten behoeve van een bestaand agrarisch bedrijf wordt gebouwd te rechtvaardigen.

Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep ongegrond verklaren.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6.    Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door [appellant] betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 oktober 2011 in zaak nr. 11/321;

III.    verklaart het door [appellanten] in die zaak tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Bilt van 7 december 2010, kenmerk 17755, ingestelde beroep ongegrond;

IV.    bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb    w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013

641.