Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9938

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
201204367/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Giethoorn - Verblijfsrecreatieterreinen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2013/3122 met annotatie van mr. R. Sieben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204367/1/R1.

Datum uitspraak: 30 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te Giethoorn, gemeente Steenwijkerland, waarvan de vennoten zijn [vennoot A], gevestigd te Giethoorn, gemeente Steenwijkerland, en [vennoot B] en [vennoot C], beiden wonend te Giethoorn, gemeente Steenwijkerland, en anderen,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Giethoorn, gemeente Steenwijkerland, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Giethoorn, gemeente Steenwijkerland,

3. [appellant sub 3], wonend te Giethoorn, gemeente Steenwijkerland,

en

de raad van de gemeente Steenwijkerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Giethoorn - Verblijfsrecreatieterreinen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en anderen en [appellante sub 2] beroep ingesteld en [appellant sub 3] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De raad heeft het bezwaar van [appellant sub 3] met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) naar de Afdeling doorgezonden.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2012, waar [appellante sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door A. de Vries, werkzaam bij De Vries mediation & management, [appellant sub 3], en de raad, vertegenwoordigd door drs. E.S. Fijma, zijn verschenen.

Overwegingen

Intrekking

1. Ter zitting hebben [appellante sub 1] en anderen hun beroep ingetrokken voor zover gericht tegen de zogenoemde oeverstroken en tegen het voormalig receptiegebouw.

Het plan

2. Het bestemmingsplan voorziet in de actualisering van de jurdisch-planologische regeling voor negen verblijfsrecreatieterreinen, waaronder "Kroondomein", "[appellante sub 2]", "Waterpark Brederwiede" en "Botel Giethoorn". De verblijfsrecreatieterreinen zijn op verschillende locaties in Giethoorn gelegen.

Het beroep van [appellante sub 1] en anderen

3. [appellante sub 1], exploitant van het [verblijfsrecreatieterrein] dat is gevestigd aan [locatie 1], en anderen betogen dat de woning aan [locatie 2] ten onrechte buiten het plan is gelaten. [appellante sub 1] en anderen voeren aan dat is toegezegd dat in de toekomst aan dit perceel een reguliere woonbestemming zal worden toegekend, maar zij zien niet in waarom dat niet mogelijk is in het voorliggende plan. [appellante sub 1] en anderen stellen dat haast geboden is bij het toekennen van een reguliere woonbestemming. Het uitgangspunt van de raad dat enkel de gronden die verband houden met de bestaande verblijfsrecreatieterreinen in Giethoorn in het plan worden opgenomen is niet juist, omdat elders in het plangebied uitzonderingen op dat uitgangspunt zijn gemaakt, aldus [appellante sub 1] en anderen.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de woning aan [locatie 2] zal worden meegenomen in de voorziene actualisatie van het bestemmingsplan voor de kern van Giethoorn. Bij de vaststelling van dat plan kan een zorgvuldige afweging worden gemaakt ten aanzien van het toevoegen van nieuwe woonbestemmingen in de kern, aldus de raad.

3.2. De Afdeling begrijpt de bezwaren van [appellante sub 1] en anderen aldus dat deze zijn gericht tegen de begrenzing van het plan. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

De raad heeft in het plan als uitgangspunt genomen een actuele planregeling vast te stellen voor de bestaande verblijfsrecreatieterreinen in Giethoorn. Nu niet in geschil is dat het perceel [locatie 2] daarmee geen verband houdt, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het perceel [locatie 2] niet uit dien hoofde in het plan had moeten worden opgenomen. De Afdeling betrekt hierbij dat [appellante sub 1] en anderen hun stelling dat elders in het plangebied wel percelen zijn opgenomen die ook geen verband houden met de verblijfsrecreatieterreinen niet hebben onderbouwd. Het betoog faalt.

4. [appellante sub 1] en anderen voeren aan dat het beeldkwaliteitplan "Beeldkwaliteitplan recreatieterreinen Giethoorn", eveneens vastgesteld door de raad op 14 februari 2012, onvoldoende concreet en onduidelijk is om te kunnen dienen als toetsingskader voor de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen. [appellante sub 1] en anderen verwijzen voor een onderbouwing van deze beroepsgrond naar hun zienswijze.

4.1. In de zienswijze van [appellante sub 1] en anderen staat ten aanzien van het Beeldkwaliteitplan dat zij de detaillering daarin te ver doorgevoerd vinden en dat zij daarom pleiten voor de mogelijkheid om onder voorwaarden te kunnen afwijken van het Beeldkwaliteitplan.

De Afdeling overweegt dat hetgeen [appellante sub 1] en anderen in hun beroepschrift betogen ten aanzien van het Beeldkwaliteitplan strijdig is met hetgeen zij in hun zienswijze op dat punt naar voren hebben gebracht. Reeds hierom kan het betoog niet slagen.

5. [appellante sub 1] en anderen hebben bezwaren tegen de in de planregels opgenomen afstandseis van minimaal 5 m die tussen de recreatieve nachtverblijven op het verblijfsrecreatieterrein moet worden aangehouden. Zij voeren in dat verband aan dat op grond van een (her)inrichtingsplan voor het verblijfsrecreatieterrein, dat deel uitmaakte van de op 14 oktober 2006 ingediende aanvraag van een vergunning voor de herinrichting, een aantal reeds gerealiseerde chalets op 3 m afstand van elkaar is gelegen en de nog te realiseren chalets op diezelfde afstand van elkaar zijn voorzien. Volgens [appellante sub 1] en anderen heeft de raad het bestemmingsplan ten onrechte niet vastgesteld overeenkomstig het (her)inrichtingsplan, omdat de beslissingen over de herinrichting van het terrein, en derhalve ook over de aan te houden afstand tussen de chalets, in overleg met de gemeente zijn voorbereid. Bovendien waren in het destijds geldende gemeentelijke ruimtelijk beleid geen afstandseisen voor recreatieve nachtverblijven opgenomen, aldus [appellante sub 1] en anderen.

Volgens [appellante sub 1] en anderen zijn de chalets die reeds overeenkomstig het (her)inrichtingsplan zijn gebouwd destijds legaal opgericht en kunnen de voorziene chalets vergunningsvrij worden opgericht, zodat de raad de chalets zou moeten aanmerken als een bestaande situatie. Het standpunt van de raad dat daarvan geen sprake is, omdat de reeds aanwezige chalets niet op basis van een geldige bouwvergunning zijn gebouwd snijdt geen hout, omdat die chalets destijds op grond van de "Beleidsnotitie (Sta)caravans Steenwijkerland 2007" bouwvergunningsvrij konden worden opgericht, aldus [appellante sub 1] en anderen.

Het argument van de raad dat de afstandseis van 5 m is opgenomen vanwege de brandveiligheid houdt geen stand, omdat de brandveiligheid op sommige locaties op het verblijfsrecreatieterrein ook met een afstandseis van 3 m kan worden gegarandeerd, aldus [appellante sub 1] en anderen.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de afstandseis van 5 m enerzijds in het plan is opgenomen omdat op grond van het Beeldkwaliteitplan de openheid van de verblijfsrecreatieterreinen moet worden behouden, en anderzijds omdat de brandweer in het kader van de brandveiligheid deze afstand heeft geadviseerd in het advies "Brandveiligheidsadvies (bestemmingsplan)" van 11 april 2011.

Voor zover [appellante sub 1] en anderen betogen dat zij rechten kunnen ontlenen aan het gemeentelijke ruimtelijk beleid behorend bij het voorgaande plan, stelt de raad zich op het standpunt dat reeds uit het ruimtelijk beleid dat destijds gold volgt dat bij de herinrichting van het verblijfsrecreatieterrein een afstandseis van minimaal 5 m tussen de chalets zou moeten worden aangehouden.

Verder stelt de raad zich op het standpunt dat de chalets die overeenkomstig het inrichtingsplan reeds zijn gerealiseerd niet met een geldige bouwvergunning onderscheidenlijk omgevingsvergunning voor het bouwen zijn opgericht. De stelling van [appellante sub 1] en anderen dat een chalet destijds bouwvergunningsvrij kon worden gebouwd is niet juist, hetgeen volgt uit een uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2011 in zaak nr. 201005243/1/H1. Het deel van het inrichtingsplan dat nog niet is gerealiseerd kan evenmin als bestaande situatie worden aangemerkt. De raad stelt in dat verband dat op grond van de thans geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) voor de nog niet gerealiseerde chalets een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is, omdat die chalets zijn voorzien in een gebied dat is aangewezen als een beschermd dorpsgezicht, aldus de raad. Op het moment van inwerkingtreding van het plan was geen omgevingsvergunning voor het bouwen voor de voorziene chalets verleend.

5.2. Aan de gronden ter plaatse van de reeds gerealiseerde chalets en ter plaatse van waar nog te realiseren chalets zijn voorzien, is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2.2, onder b, sub 6, van de planregels mogen gebouwen voor recreatief nachtverblijf, inclusief het aangebouwd bijgebouw, niet minder dan 5 m van een ander gebouw voor recreatief nachtverblijf worden gebouwd.

Ingevolge lid 7.4, aanhef en onder a, kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 7.2.2., onder b, sub 6, voor het bouwen bij of aan een bestaand gebouw voor recreatief nachtverblijf, mits:

1. de oppervlakte van het recreatieve nachtverblijf, met eventuele aangebouwde bijgebouwen niet toeneemt;

2. de onderlinge afstand niet kleiner wordt dan de bestaande onderlinge afstand.

Artikel 21, lid 21.1, luidt als volgt:

a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.

b. hetgeen is bepaald onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Ingevolge artikel 1, lid 1.16.1, wordt verstaan onder een bestaand bouwwerk een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald.

Ingevolge lid 1.50, wordt onder een "recreatief nachtverblijf" verstaan het verblijf dat plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie.

5.3. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (vervallen) was het verboden zonder of in afwijking van een bouwvergunning van het college van burgemeester en wethouders te bouwen.

Ingevolge het tweede lid was voor het plaatsen van een caravan, indien de caravan als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet op de openluchtrecreatie was aan te merken als een bouwwerk, geen bouwvergunning vereist in de gevallen als bedoeld in het derde lid van genoemd artikel.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet op de openluchtrecreatie (vervallen) werd in die wet en de daarop berustende bepalingen onder kampeermiddel verstaan een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet (vervallen) een bouwvergunning vereist was; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend waren bestemd of opgericht dan wel werden of konden worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Ingevolge het derde lid was voor het plaatsen van een caravan, indien de caravan was aan te merken als een bouwwerk en het plaatsen geschiedde in overeenstemming met de bepalingen van deze wet, geen bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (vervallen) vereist.

5.4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 2, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op een op de grond staand bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5 m, en

b. de oppervlakte niet meer dan 70 m².

Ingevolge artikel 4a, tweede lid, onder b, zijn onverminderd artikel 5, de artikelen 2 en 3 slechts van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in een beschermd stads- of dorpsgezicht, voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 3 voor zover het betreft:

1. inpandige veranderingen,

2. een verandering van een achtergevel of achterdakvlak, mits die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd,

3. een bouwwerk op erf aan de achterkant van een hoofdgebouw, mits dat erf niet ook deel uitmaakt van het erf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd, of

4. een bouwwerk op gronden die onderdeel zijn van openbaar toegankelijk gebied.

5.5. Bij het aanwijzingsbesluit van de voormalige minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de voormalige minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 25 maart 1985 (hierna: het aanwijzingsbesluit), is een deel van Giethoorn aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Het plangebied is in het beschermd dorpsgezicht gelegen.

5.6. Uit artikel 5, lid 5.2, van de voorschriften bij de "Richtlijn voorschriften kampeerinrichtingen Steenwijkerland", van juni 2003, behorend bij de "Beleidsnota Kamperen Steenwijkerland 2003", en de toelichting daarop, volgt dat de afstand die tussen een kampeermiddel inclusief een aan- of uitbouw en een ander kampeermiddel of bouwwerk moet worden aangehouden ten minste 5 m is. De onderlinge afstand tussen de kampeermiddelen op bestaande kampeerterreinen mag worden teruggebracht naar 3 m. Bij een uitbreiding van bestaande kampeerterreinen dient een afstand van 5 m aangehouden te worden.

In de notitie "Beleidsnotitie (Sta)caravans Steenwijkerland 2007", van juni 2007, vastgesteld op 17 juli 2007, zijn criteria opgenomen op grond waarvan kan worden vastgesteld of een (sta)caravan al dan niet een kampeermiddel is en of deze derhalve al dan niet bouwvergunningplichtig is. Deze notitie is opgesteld omdat onduidelijkheid bestond over het begrip stacaravan. Een van de criteria is dat een (sta)caravan te allen tijde geschikt is om direct (na afkoppeling van eventuele nutsvoorzieningen en dergelijke) te worden vervoerd achter een voertuig.

In de notitie "Uitgangspunten notitie bestemmingsplan verblijfsrecreatieterreinen", vastgesteld door de raad op 16 december 2008, staat vermeld dat na de vaststelling van het beleid van de gemeente in 2003 een aantal ondernemers erover is geïnformeerd dat de minimale afstand tussen stacaravans 5 m dient te zijn indien sprake is van herinrichting of verkoop. Een redelijke afstand tussen stacaravans is noodzakelijk in verband met de brandveiligheid en leidt daarnaast ook tot een landschappelijk verantwoorde inrichting van de terreinen. Om de bedrijfsvoering in bestaande situaties niet te frustreren, wordt voor de bestaande situaties in het bestemmingsplan een minimale afstand tussen stacaravans van 3 m vastgelegd. Verder staat in deze notitie dat chalets door hun aard, omvang en uitstraling bouwvergunningplichtig zijn.

6. De Afdeling stelt vast dat nu op grond van artikel 7, lid 7.2.2, onder b, sub 6, van de planregels een afstandseis van 5 m voor de chalets geldt, de bestaande en de te realiseren chalets die op een afstand van 3 m van elkaar zijn gelegen, onderscheidenlijk zijn voorzien niet als zodanig zijn bestemd. De Afdeling overweegt dat de raad niet was gehouden de chalets als zodanig te bestemmen. De Afdeling motiveert dit oordeel als volgt.

Uit artikel 40 van de Woningwet (vervallen) in samenhang bezien met artikel 1, eerste lid, onder c, en het derde lid van de (thans vervallen) Wet op de openluchtrecreatie kan worden afgeleid dat voor een stacaravan, die de Afdeling niet als caravan in de zin van artikel 40 van de Woningwet (vervallen) aanmerkt, een bouwvergunning nodig was. De stelling van [appellante sub 1] en anderen dat de reeds gerealiseerde chalets destijds op grond van de "Beleidsnotitie (Sta)caravans Steenwijkerland 2007" bouwvergunningsvrij konden worden opgericht is naar het oordeel van de Afdeling niet juist. Nog daargelaten dat een dergelijke beleidsnotitie geen afbreuk kan doen aan de gelding van de wet, is één van de criteria uit de notitie om te bepalen of een (sta)caravan al dan niet een kampeermiddel is en of deze derhalve al dan niet bouwvergunningplichtig, dat een (sta)caravan te allen tijde geschikt moet zijn om direct (na afkoppeling van eventuele nutsvoorzieningen en dergelijke) te worden vervoerd achter een voertuig. Een chalet op [verblijfsrecreatieterrein] voldoet niet aan dat criterium, zodat [appellante sub 1] en anderen er naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte van uit zijn gegaan dat voor de bouw van de chalets op het [verblijfsrecreatieterrein] geen bouwvergunning noodzakelijk was. Bovendien volgt het voorgaande tevens uit de notitie "Uitgangspunten notitie bestemmingsplan verblijfsrecreatieterreinen". De omstandigheid dat de gemeente betrokken is geweest bij het opstellen van het (her)inrichtingsplan voor het terrein doet aan de bouwvergunningplicht niet af, omdat ook deze betrokkenheid aan de gelding van voormelde wettelijke bepalingen geen afbreuk kan doen. Het betoog faalt.

Ten aanzien van de nog te bouwen chalets overweegt de Afdeling dat, gelet op het feit dat het plangebied is aangewezen als beschermd dorpsgezicht, ook daarvoor op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo in samenhang bezien met artikel 4a, tweede lid, onder b, van het Bor in samenhang bezien met artikel 3, aanhef en onder 2 van dat besluit een omgevingsvergunning voor het bouwen noodzakelijk is.

Ter zitting is vast komen te staan dat in het verleden, onderscheidenlijk ten tijde van de vaststelling van het plan voor de reeds gerealiseerde chalets geen bouwvergunning onderscheidenlijk omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend. De Afdeling overweegt dat deze op grond van artikel 1, lid 1.16.1, van de planregels echter als bestaande bouwwerken zijn aan te merken. Gelet hierop heeft de raad zich in zoverre ten onrechte op het standpunt gesteld dat de reeds gerealiseerde chalets niet als bestaande situatie zijn te duiden als bedoeld in artikel 7, lid 7.4, aanhef en onder a, sub 2. Artikel 1, lid 1.16.1 brengt met zich dat op grond van artikel 7, lid 7.4, aanhef en onder a, sub 2 voor het bouwen bij of aan een bestaand gebouw voor recreatief nachtverblijf door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning onder voorwaarden kan worden afgeweken van de afstandseis van 5 m. Uit het laatstgenoemde artikel volgt dat die omgevingsvergunning alleen ziet op het bouwen bij of aan een bestaand gebouw voor recreatief nachtverblijf en niet op het bestaande gebouw zelf. Het betoog van [appellante sub 1] en anderen dat de raad de chalets als bestaande situatie moet aanmerken leidt derhalve niet tot het beoogde doel.

Nu verder ter zitting is komen vast te staan dat ten tijde van de vaststelling van het plan voor de voorziene chalets ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen was verleend, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling, anders dan [appellante sub 1] en anderen betogen, terecht op het standpunt gesteld dat de nog te realiseren chalets op het [verblijfsrecreatieterrein] niet als een bestaande situatie kunnen worden aangemerkt.

6.1. De Afdeling stelt voorts vast dat nu in het verleden, onderscheidenlijk ten tijde van de vaststelling van het plan voor de reeds gerealiseerde chalets geen bouwvergunning onderscheidenlijk omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en ten tijde van de vaststelling van het plan ook voor de voorziene chalets geen omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend, de chalets niet onder het overgangsrecht als bepaald in artikel 21, lid 21.1, onder a, van de planregels vallen.

6.2. De Afdeling ziet zich dan gesteld voor de vraag of de raad in redelijkheid een afstandseis van 5 m in de planregels heeft kunnen opnemen. De raad heeft voor het opnemen van een dergelijke afstandseis in het plan als uitgangspunt het bestaand beleid, het Beeldkwaliteitplan en het advies van de brandweer gehanteerd. In de notitie "Uitgangspunten notitie bestemmingsplan verblijfsrecreatieterreinen" volgt dat een afstandseis van 5 m tussen de stacaravans moet worden aangehouden. In het Beeldkwaliteitplan, dat voorziet in criteria voor de recreatieve nachtverblijven in het beschermd dorpsgezicht van Giethoorn, staat dat uit een analyse naar voren is gekomen dat de bebouwingsdichtheid op de recreatieterreinen hoog is, waardoor sommige verblijfsrecreatieterreinen een weinig ontspannen uitstraling hebben. Uit het Brandveiligheidsadvies volgt dat, om een onbeheersbare brand te voorkomen, tussen de standplaatsen een ruimte van 5 m moet worden aangehouden. Gelet op deze stukken ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een dergelijke afstandseis voor recreatieve nachtverblijven in het plan heeft kunnen opnemen.

De stelling van [appellante sub 1] en anderen dat op hun gronden een afstand van 3 m kan worden aangehouden omdat de brandveiligheid op bepaalde locaties op het verblijfsrecreatieterrein ook met die afstand kan worden gegarandeerd, hebben zij ter zitting onderbouwd met een verwijzing naar de Handreiking Brandveiligheid Kampeerterreinen, vastgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding in januari 2007, waaruit volgt dat onder bepaalde omstandigheden een afstand van 3 m voldoende is. Voorts hebben [appellante sub 1] en anderen ter zitting gesteld dat nu zij de afgelopen jaren maatregelen hebben getroffen om de openheid van het gebied te versterken, de raad hen tegemoet kan komen door een uitzondering te maken op het beleid en ter plaatse een onderlinge afstand van 3 m toe kan staan. Deze betogen maken het oordeel echter niet anders. De Afdeling overweegt in dat verband dat de raad zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat het betoog over de brandveiligheid weliswaar niet onjuist is en de raad erkent dat de openheid op het [verblijfsrecreatieterrein] de laatste jaren is verbeterd, maar dat het uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelijkheid niet gewenst is verschillende afstanden aan te houden. Nu in de nabijheid van het [verblijfsrecreatieterrein] verschillende andere verblijfsrecreatieterreinen zijn gelegen waarvoor die regeling eveneens geldt, acht de Afdeling dat standpunt van de raad niet onredelijk.

6.3. Gelet op hetgeen is overwogen in de overwegingen 6, 6.1 en 6.2 heeft de raad in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat tussen de chalets op het [verblijfsrecreatieterrein] een onderlinge afstand van 5 m moet worden aangehouden.

7. [appellante sub 1] en anderen betogen dat de planregeling met betrekking tot terrassen rechtsonzeker is, omdat volgens hen niet duidelijk is in welke gevallen de raad vlonders aanmerkt als een terras. Voorts achten zij de planregeling ten aanzien van de verharde terrassen te beperkt, in welk verband zij aanvoeren dat ten onrechte slechts aan één zijde van het recreatief nachtverblijf een overdekt terras mag worden gerealiseerd en ten onrechte de toegestane oppervlakte voor een niet overdekt terras is gemaximeerd tot 12 m². De recreatieve nachtverblijven zijn hierdoor niet exploitabel, aldus [appellante sub 1] en anderen.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de in het plan maximaal toegestane oppervlakte voor terrassen past bij de oppervlakte van recreatieve nachtverblijven en daarmee voldoende zitgelegenheid biedt. De raad heeft naar aanleiding van de zienswijze van [appellante sub 1] en anderen besloten een tweede overkapt terras toe te staan. Een grotere oppervlakte is volgens de raad niet wenselijk nu de openheid en de groene uitstraling op het verblijfsrecreatieterrein behouden moeten blijven. De stelling van [appellante sub 1] en anderen dat de recreatieve nachtverblijven als gevolg van de regeling ten aanzien van de terrassen niet exploitabel zouden zijn, is niet onderbouwd, aldus de raad. Wat betreft de vlonders stelt de raad zich op het standpunt dat zolang deze niet als zitgelegenheid worden gebruikt, de vlonders niet als terras worden aangemerkt.

7.2. Ter zitting hebben [appellante sub 1] en anderen toegelicht dat hun beroep met betrekking tot de terrassen ziet op alle gronden op het [verblijfsrecreatieterrein] waaraan bestemmingen zijn toegekend die terrassen mogelijk maken.

Op de gronden met de bestemmingen "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1", "Recreatie - Verblijfsrecreatie 3" en "Recreatie - Verblijfsrecreatie 4" zijn terrassen toegestaan.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2.2, onder b, sub 1, artikel 9, lid 9.2.2, onder b, sub 1 en artikel 10, lid 10.2.2, onder b, sub 1, van de planregels mogen gebouwen voor recreatief nachtverblijf, inclusief het aangebouwd bijgebouw geen groter gezamenlijk oppervlak hebben dan 60 m².

Ingevolge artikel 7, lid 7.2.9, onder a, sub 2, artikel 9, lid 9.2.7, onder a, sub 2 en artikel 10, lid 10.2.5, onder a, sub 2 mag op de gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1", onderscheidenlijk "Recreatie - Verblijfsrecreatie 3", onderscheidenlijk "Recreatie - Verblijfsrecreatie 4" een bij een gebouw voor recreatief nachtverblijf behorend terras geen grotere verharde oppervlakte hebben dan 12 m² en mag het terras niet worden voorzien van een overkapping.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2.9, onder b, artikel 9, lid 9.2.7, onder b en artikel 10, lid 10.2.5, onder b, mag in afwijking van hetgeen is bepaald onder a een terras met overkapping bij een gebouw voor recreatief nachtverblijf worden gebouwd als:

1. het terras is gelegen aan één van beide gevels in de lengterichting van het recreatief nachtverblijf;

2. de overkapping is verbonden aan het nachtverblijf en de dakhelling, goot- en nokhoogte van de overkapping gelijk zijn aan de dakhelling, goot- en nokhoogte van het recreatieve nachtverblijf;

3. de oppervlakte van de overkapping en het recreatief nachtverblijf samen niet meer bedragen dan 60 m² en de oppervlakte van het terras niet groter is dan de oppervlakte van de overkapping.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2.9, onder c, artikel 9, lid 9.2.7, onder c en artikel 10, lid 10.2.5, onder c, is per gebouw voor recreatief nachtverblijf maximaal één terras toegestaan in de vorm als bedoeld onder a en maximaal één terras als bedoeld onder b.

Ingevolge artikel 1, lid 1.55 wordt onder het begrip "terras" verstaan een al dan niet verhard en niet overkapt gedeelte van het buitenterrein bij een gebouw, waar men buiten kan zitten.

7.3. De Afdeling stelt vast dat op grond van de planregels de oppervlakte van een recreatief nachtverblijf, inclusief het aangebouwd bijgebouw, maximaal 60 m² mag bedragen en de oppervlakte van een verhard terras maximaal 12 m² mag zijn. Nu het oppervlak van een terras aldus 20% van de totale oppervlakte van het verblijf bedraagt, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat een terras van een dergelijke omvang passend is bij de oppervlakte van het verblijf niet onredelijk. Bovendien is het naast het realiseren van een niet overdekt terras van 12 m² op grond van de planregels bij recht mogelijk binnen de toegestane oppervlakte voor een recreatief nachtverblijf een overdekt terras te realiseren. Het standpunt van de raad dat terrassen geen grotere oppervlakte mogen hebben en een overdekt terras enkel aan één zijde van het verblijf mag worden gerealiseerd, acht de Afdeling niet onredelijk, nu de raad de openheid van het verblijfsrecreatieterrein en de daarmee samenhangende ontspannen uitstraling van het terrein wenst te behouden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de planregeling ten aanzien van de terrassen wat betreft oppervlakte en bouwmogelijkheden passend is. De regeling ten aanzien van de vlonders acht de Afdeling niet rechtsonzeker, nu de raad te kennen heeft gegeven dat vlonders enkel als terras worden aangemerkt indien deze worden gebruikt als zitmogelijkheid, hetgeen tevens voortvloeit uit artikel 1, lid 1.55, van de planregels. Indien op een vlonder zo nu en dan een stoel wordt gezet en men daar gaat zitten, kan dit worden aangemerkt als een ondergeschikt, niet met het plan strijdig, gebruik, waarvoor in het plan geen afzonderlijke regeling behoeft te worden opgenomen.

8. [appellante sub 1] en anderen voeren verder aan dat de ingevolge het plan maximaal toegestane hoogte van een erfafscheiding van 0,7 m op hun gronden te laag is. [appellante sub 1] en anderen wensen een hoogte van minimaal 1 m tot 1,5 m.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de erfafscheidingen dienen om de veiligheid aan de waterkant te waarborgen en daarom zijn toegestaan nabij de steigers in het plangebied. Om het open karakter van de verblijfsrecreatieterreinen te behouden en verstening in relatie tot het beschermd dorpsgezicht van Giethoorn te voorkomen, wordt een hoogte van ongeveer 1 m tot 1,5 m niet passend geacht en is gekozen voor een hoogte van 0,7 m, aldus de raad.

8.2. De planregels voorzien voor de gronden van [verblijfsrecreatieterrein] in de mogelijkheid om op een locatie waar het perceel direct aan het water grenst, een erf- en terreinafscheiding op te richten met een bouwhoogte van maximaal 0,7 m als deze zich minimaal 1 m uit de waterkant bevindt. Voor het overige mag een erf- en terreinafscheiding niet worden gebouwd.

8.3. In het plan "Landschapsontwikkelingsplan Steenwijkerland", vastgesteld door de raad op 25 januari 2005, is een visie opgenomen op de wenselijke toekomstige ontwikkeling van het landelijke gebied van de gemeente Steenwijkerland. Hierin zijn verschillende criteria geformuleerd voor het zogenoemde landschapstype kraggenlandschap, waarin onder meer het [verblijfsrecreatieterrein] is gelegen.

Voor het kraggenlandschap geldt dat het wordt aangemerkt als zogenoemde 'parel' (beschermen) en dat ontwikkelingen alleen mogelijk zijn als de landschappelijke waarden worden ondersteund. Voorts geldt als criterium dat de bestaande verblijfsrecreatie wordt opgenomen in de groene structuren. De beplantingselementen bestaan uit erfbeplanting en singels loodrecht op de linten. Tot slot geldt het criterium van behoud en versterking van de nauwe relatie tussen landschap, erf en bebouwing.

8.4. In het Beeldkwaliteitplan, dat voorziet in criteria voor de recreatieve nachtverblijven in het beschermd dorpsgezicht van Giethoorn, staat dat uit een analyse naar voren is gekomen dat de verblijfsrecreatieterreinen in min of meerdere mate de omgeving verstoren. In dat verband wordt onder meer als knelpunt genoemd dat op de verblijfsrecreatieterreinen hekken en schuttingen voorkomen die het ontspannen karakter aantasten.

8.5. Bij het aanwijzingsbesluit is een deel van Giethoorn aangewezen als beschermd dorpsgezicht, waaronder het plangebied. Uit het Landschapsontwikkelingsplan volgt met betrekking tot het kraggenlandschap, waarin het [verblijfsrecreatieterrein] is gelegen, dat veel betekenis wordt gehecht aan de landschappelijke waarden en de groene structuren en dat de verblijfsrecreatieterreinen daarin moeten worden ingepast. Gelet op het aanwijzingsbesluit en het Landschapsontwikkelingsplan en nu uit het Beeldkwaliteitplan volgt dat hekken en schuttingen op verblijfsrecreatieterreinen niet gewenst zijn, omdat deze het ontspannen karakter van die terreinen aantasten, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat terughoudend moet worden omgegaan met het plaatsen van erf- en terreinafscheidingen en daarnaast dat deze erf- en terreinafscheidingen niet hoger mogen zijn dan 0,7 m. Het betoog van [appellante sub 1] en anderen dat een hekwerk van 1 m tot 1,5 m ter plaatse uit het oogpunt van veiligheid voor kinderen nodig is, maakt het oordeel niet anders. Hiertoe overweegt de Afdeling dat zij het standpunt van de raad dat een hekwerk van maximaal 0,7 m, gelet op de lengte van jonge kinderen, voldoende veiligheid biedt niet onredelijk acht. Overigens staat het plan er niet aan in de weg om groenvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld een dichte heg met een hoogte van 1,5 m, op de gronden van [appellante sub 1] en anderen te realiseren. De raad heeft daarover ter zitting te kennen gegeven dat dergelijke groenvoorzieningen passen bij de uitstraling van het verblijfsrecreatieterrein. Het betoog faalt.

9. Voor zover [appellante sub 1] en anderen voor het overige verwijzen naar de inhoud van de zienswijze, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

[appellante sub 1] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in zoverre in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

10. In hetgeen [appellante sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de planbegrenzing en het plan, wat betreft de planologische regeling voor het [verblijfsrecreatieterrein], gelegen aan [locatie 1], strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2]

11. [appellante sub 2], exploitant van het verblijfsrecreatieterrein "[appellante sub 2]" dat is gevestigd aan het Binnenpad 14, betoogt primair dat het plan ten onrechte niet toestaat dat een groenstrook als tijdelijke standplaats voor kampeermiddelen mag worden gebruikt. [appellante sub 2] stelt dat hij de groenstrook reeds ongeveer 10 tot 15 jaar als zodanig gebruikt en hij heeft ter zitting toegelicht dat het gaat om een periode van zes tot acht weken per jaar. Bovendien heeft de raad volgens [appellante sub 2] toegezegd dat in het plan zou worden vastgelegd dat het stallen van kampeermiddelen op de groenstrook zou worden toegestaan. Ten aanzien van het standpunt van de raad dat niet aan de wens van [appellante sub 2] tegemoet kan worden gekomen omdat de groenstrook dient als landschappelijke overgangszone tussen het verblijfsrecreatieterrein en de omgeving met landschappelijke waarden, geeft [appellante sub 2] aan dat hij bereid is beplanting aan te brengen waardoor het zicht op het verblijfsrecreatieterrein vanaf het water wordt ontnomen.

Volgens [appellante sub 2] is sprake van rechtsongelijkheid, omdat de nabijgelegen verblijfsrecreatieterreinen "Waterpark Brederwiede" en "Kroondomein" een soortgelijke groenstrook ook gebruiken als standplaats voor kampeermiddelen. Verder wijst [appellante sub 2] erop dat het college op twee nabijgelegen verblijfsrecreatieterreinen het planologisch regime niet handhaaft, nu ter plaatse een woning zonder vergunning is gebouwd, onderscheidenlijk zonder vergunning alcoholische dranken worden verkocht. Hij acht het in strijd met de rechtsgelijkheid dat het college het planologisch regime wel handhaaft ter plaatse van de groenstrook bij het verblijfsrecreatieterrein "[appellante sub 2]".

11.1. De raad stelt dat in het plan als uitgangspunt is gehanteerd dat de in het plan opgenomen verblijfsrecreatieterreinen ter bescherming van de landschappelijke waarden zoveel mogelijk aan het zicht moeten worden onttrokken. Gelet hierop is aan de desbetreffende groenstrook een groenbestemming toegekend en fungeert de strook als landschappelijke overgangszone. Het plaatsen van kampeermiddelen op de groenstrook zoals [appellante sub 2] wenst, zou volgens de raad aan het uitgangspunt van het bestemmingsplan afbreuk doen. Bovendien gold onder het voorgaande bestemmingsplan "Giethoorn 1994" reeds een soortgelijke bestemming, aldus de raad. Verder is volgens de raad niet gebleken dat er aan [appellante sub 2] een toezegging is gedaan.

Wat betreft het beroep op het overgangsrecht stelt de raad zich op het standpunt dat degene die zich op het overgangsrecht beroept, de feiten en omstandigheden waarop dat beroep berust aannemelijk dient te maken, hetgeen [appellante sub 2] volgens de raad niet heeft gedaan. Gelet hierop komt aan haar geen geslaagd beroep op het overgangsrecht toe, aldus de raad.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat geen sprake is van rechtsongelijkheid, omdat de door [appellante sub 2] genoemde situaties niet vergelijkbaar zijn met de voorliggende situatie.

11.2. Aan de groenstrook, die in het noordelijke deel van het verblijfsrecreatieterrein "[appellante sub 2]" is gelegen, is de bestemming "Groen" met de aanduiding "natuur- en landschapswaarden" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b en c, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "natuur- en landschapswaarden" bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de natuurlijke waarde, tot uitdrukking komend in de waarde van de voorkomende vegetatie en het vochtige karakter van de gronden en tot uitdrukking komend in het kleinschalige karakter, het vrijwel ontbreken van bebouwing, het reliëf, het verkavelingpatroon, het wegenpatroon en de grote afwisseling in het landschap.

Ingevolge lid 4.4, aanhef en onder g, wordt onder gebruik in strijd met de bestemming "Groen" in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als standplaats voor kampeermiddelen of andere vormen van recreatief nachtverblijf.

Ingevolge artikel 21, lid 21.2, onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voorgezet.

11.3. In het voorgaande plan "Giethoorn 1994", dat in werking is getreden op 11 januari 1996, was aan de desbetreffende groenstrook de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarde" toegekend.

Ingevolge artikel 19, lid A, onder 1, waren de gronden op de kaart aangewezen voor "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarde" bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de natuurlijke en landschappelijke waarde.

11.4. In het Beeldkwaliteitplan staat dat een geleidelijke overgang tussen de recreatieterreinen en het meer "Bovenwijde" gewenst is. Het oostelijk deel van het verblijfsrecreatieterrein "[appellante sub 2]" grenst aan het meer "Bovenwijde". Een geleidelijke overgang met een natuurlijke uitstraling wordt bereikt door de aanplant van brede rietkragen langs de oever met daarachter weiden met wilgenstruiken met een groep elzen en/of populieren. De landschappelijke overgangszone tussen stacaravans en het meer met gras en gedeeltelijk rietkragen wordt als kwaliteit van het verblijfsrecreatieterrein "[appellante sub 2]" gezien.

12. De Afdeling stelt vast dat, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b en c, van de planregels en lid 4.4, aanhef en onder g, het door [appellante sub 2] gewenste gebruik van de groenstrook als tijdelijke standplaats voor kampeermiddelen niet als zodanig is bestemd.

12.1. De Afdeling stelt voorts vast dat, anders dan [appellante sub 2] betoogt, het door [appellante sub 2] gewenste gebruik van de groenstrook niet onder het overgangsrecht valt. De Afdeling overweegt in dat verband dat het gebruik van de groenstrook als (tijdelijke) standplaats voor kampeermiddelen onder het voorgaande bestemmingsplan "Giethoorn 1994" niet was toegestaan en dat [appellante sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het desbetreffende gebruik onder het overgangsrecht van dat voorgaande plan viel. Hij heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat dat gebruik op het moment van inwerkingtreding van het voorgaande plan reeds bestond.

12.2. De Afdeling ziet zich dan gesteld voor de vraag of de raad in redelijkheid de bestemming "Groen" aan de gronden ter plaatse van de groenstrook heeft kunnen toekennen.

Ter zitting is gebleken dat de raad waarde hecht aan de realisering van een landschappelijke overgangszone, omdat het aantal groenstroken gelegen nabij de verblijfsrecreatieterreinen onder druk staat. Voorts volgt ook uit het Beeldkwaliteitplan dat aan het realiseren en in stand houden van landschappelijke overgangszones bij verblijfsrecreatieterreinen een groot belang wordt toegekend. Voor zover [appellante sub 2] betoogt dat de groenstrook als standplaats voor kampeermiddelen kan worden bestemd indien hij beplanting aanbrengt op de strook waardoor het zicht op het verblijfsrecreatieterrein vanaf het water wordt ontnomen, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dat onvoldoende is om de groenstrook als landschappelijke overgangszone aan te merken. Daarnaast acht de Afdeling de toelichting van de raad op de zitting dat het uitgangspunt van het plan is om de verblijfsrecreatieterreinen niet te vergroten, niet onredelijk. Voorts heeft [appellante sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de raad een toezegging heeft gedaan om in het plan het gebruik van de groenstrook als standplaats voor kampeermiddelen toe te staan.

De door [appellante sub 2] gemaakte vergelijking met de groenstroken gelegen in de nabijheid van de verblijfsrecreatieterreinen "Kroondomein" en "Waterpark Brederwiede" doet aan het voorgaande niet af. Hiertoe wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie. Aan de groenstrook behorend bij het [verblijfsrecreatieterrein] was in het voorgaande plan reeds een recreatieve bestemming toegekend. De raad heeft ter zitting toegelicht dat ervoor gekozen is om waar mogelijk de groenstroken te handhaven, maar dat in de gevallen waarin reeds een recreatieve bestemming op de groenstroken rustte, die bestemming is gehandhaafd. Wat betreft de groenstrook gelegen in de nabijheid van verblijfsrecreatieterrein "Waterpark Brederwiede" heeft de raad gesteld dat deze strook geen relatie heeft met het verblijfsrecreatieterrein en dat het niet is toegestaan die strook te gebruiken als standplaats voor kampeermiddelen. De door [appellante sub 2] genoemde handhavingskwesties op twee nabijgelegen verblijfsrecreatieterreinen worden niet in een bestemmingsplan geregeld, zodat die gevallen niet vergelijkbaar zijn met het onderhavige geval. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 2] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten aan de desbetreffende gronden de bestemming "Groen" toe te kennen.

12.3. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel, gelegen in het noordelijke deel van het verblijfsrecreatieterrein "[appellante sub 2]", met de bestemming "Groen" en de aanduiding "natuur- en landschapswaarden", strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

13. [appellant sub 3] voert aan dat zijn woning aan [locatie 3] ten onrechte als bedrijfswoning is bestemd. De woning wordt reeds sinds de koop van de woning in 1985 gebruikt als burgerwoning en er dient derhalve een reguliere woonbestemming aan te worden toegekend, aldus [appellant sub 3]. Het standpunt van de raad dat de woning in het voorgaande bestemmingsplan "Giethoorn 1994" al als bedrijfswoning was bestemd doet daar volgens [appellant sub 3] niet aan af, mede omdat de raad hem daar nimmer van op de hoogte heeft gesteld.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de woning in het voorgaande bestemmingsplan "Giethoorn 1994" als bedrijfswoning was bestemd en dat daarbij in het voorliggende plan is aangesloten. Een reguliere woonbestemming is volgens de raad niet wenselijk, omdat dat er mogelijk toe leidt dat aan het nabijgelegen recreatiebedrijf milieuvoorschriften moeten worden opgelegd waardoor het bedrijf mogelijk wordt beperkt in haar bedrijfsvoering. Daarnaast is een woonbestemming voor die woning in strijd met de in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) genoemde richtafstand.

13.2. In het plan is aan het perceel [locatie 3], ter plaatse van de woning, de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" toegekend met de aanduiding "bedrijfswoning".

Ingevolge artikel 1, lid 1.12, van de planregels is de definitie van het begrip "bedrijfswoning" een woning in of bij een gebouw of op een terrein, slechts bedoeld voor één afzonderlijk huishouden waarvan de huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder e, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" aangewezen gronden bestemd voor bedrijfswoningen ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning".

Ingevolge artikel 21, lid 21.2, onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voorgezet.

13.3. In het voorgaande plan "Giethoorn 1994" was aan het perceel de bestemming "Kampeerdoeleinden" toegekend en was het perceel voorzien van de aanduiding "bedrijfswoning toegestaan".

Ingevolge artikel 26, lid A, van de voorschriften van dat plan waren de gronden op de kaart aangewezen gronden voor "Kampeerdoeleinden" bestemd voor verblijfsrecreatie in kampeermiddelen en trekkershutten, het behoud van de verkavelingskarakteristiek met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, verhardingen, watergangen en (groen-)voorzieningen.

Ingevolge hetgeen is bepaald in lid B, aanhef en onder 2, sub b, gold voor bedrijfswoningen dat die uitsluitend werden gebouwd binnen de bebouwingsvlakken, die op de kaart waren aangeduid met "bedrijfswoning toegestaan".

Ingevolge artikel 37, lid A, was het verboden gronden of opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming,

Ingevolge het bepaalde in lid E mocht het gebruik van gronden en opstallen, strijdig met het plan op het moment van het verkrijgen van rechtskracht van dat plan, worden gehandhaafd.

Ingevolge artikel 1, onder w, werd onder een bedrijfswoning verstaan een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bestemd voor (het gezin of een daarmee gelijk te stellen samenlevingsvorm van) één persoon, wiens huisvesting daar, met het oog op de bestemming van het gebouw of terrein noodzakelijk is.

13.4. [appellant sub 3] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij de woning aan [locatie 3] in 1985 heeft gekocht en sindsdien als burgerwoning gebruikt. Derhalve is niet in geschil dat dat gebruik is aangevangen voordat het plan "Giethoorn 1994" rechtskracht heeft verkregen. De Afdeling stelt voorts vast dat het gebruik als burgerwoning, gelet op de voorschriften bij het voorgaande plan "Giethoorn 1994", weliswaar in strijd was met de bestemming die in dat plan aan de gronden was toegekend, maar dat het gebruik gelet op het bepaalde in artikel 37, lid E, van de voorschriften bij dat plan onder de bescherming van het overgangsrecht van dat plan viel. Door in het thans voorliggende plan de woning opnieuw als bedrijfswoning te bestemmen, heeft de raad het bestaande, ongewijzigd gebleven gebruik voor een tweede maal onder het overgangsrecht gebracht. Terzake is vereist dat de raad aannemelijk maakt dat het gebruik van de gronden binnen de planperiode wordt beëindigd.

Ter zitting heeft [appellant sub 3] aangegeven dat hij niet voornemens is het gebruik van de woning als burgerwoning binnen de planperiode te beëindigen. Voorts heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat aan dat gebruik binnen de planperiode van tien jaar een einde wordt gemaakt, nu de raad ter zitting heeft verklaard geen verwervingsplannen voor het perceel te hebben. Nu niet is gebleken dat [appellant sub 3] dan wel de raad voornemens is de bestemming binnen de planperiode te verwezenlijken, heeft de raad de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" en de aanduiding "bedrijfswoning" voor het perceel [locatie 3] niet in redelijkheid passend kunnen achten.

13.5. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" en de aanduiding "bedrijfswoning", gelegen aan [locatie 3], strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening te worden vernietigd.

Proceskosten

14. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van [appellant sub 3] niet gebleken.

Ten aanzien van [appellante sub 1] en anderen en [appellante sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

15. In hetgeen [appellante sub 1], Smits Paviljoen en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De beroepen zijn ongegrond.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 3] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Steenwijkerland van 14 februari 2012 waarbij het bestemmingsplan "Giethoorn - Verblijfsrecreatieterreinen" is vastgesteld, voor zover daarbij is vastgesteld het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" en de aanduiding "bedrijfswoning", gelegen aan [locatie 3];

III. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en anderen en van [appellante sub 2] ongegrond;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Steenwijkerland aan [appellant sub 3] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013

533-668.