Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9937

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
201204192/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Drie vrije kavels Strienemonde" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204192/1/R4.

Datum uitspraak: 30 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Strijen,

en

de raad van de gemeente Strijen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Drie vrije kavels Strienemonde" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2012, waar [appellant] in persoon en de raad, vertegenwoordigd door L. Bos en A.H. Rotscheid, beiden werkzaam voor de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het plan maakt drie woningen mogelijk op drie kavels die de wijk Land van Essche aan de zuidkant begrenzen.

2.    Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels, voor zover hier van belang, mag op gronden met de bestemming "Wonen" worden gebouwd en gelden de volgende regels:

a. gebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gebouwd;

b. de oppervlakte van gebouwen bedraagt per perceel ten hoogste 40%;

c. de maximale oppervlakte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 250 m²;

d. de totale oppervlakte aan bijgebouwen en aan- en uitbouwen bedraagt ten hoogste 65 m²;

(…)

Ingevolge dat lid 3.2.2, gelden voorts de volgende regels

(…)

c. de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de maatvoeringaanduiding "maximale goot- en bouwhoogte (m)" aangegeven goot- en bouwhoogte;

d. hoofdgebouwen dienen over de volledige oppervlakte te zijn voorzien van een kap met een minimale dakhelling van 50°;

e. ter plaatse van de aanduiding "gevellijn" dient de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd te worden in de naar de gevellijn gekeerde bouwgrens;

f. de diepte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 15 m;

g. de afstand van hoofdgebouwen tot de achterste perceelgrens bedraagt ten minste 8 m;

(…)

Ingevolge dat lid 3.2.3, gelden voorts, voor zover hier van belang de volgende regels:

(…)

d. aan- en uitbouwen en bijgebouwen die niet in de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd, worden op een afstand van ten minste 1 m van de perceelsgrens gebouwd;

(…)

f. de diepte van aan- en uitbouwen, gemeten vanuit de gevel van het hoofdgebouw waaraan de aan- of uitbouw wordt gebouwd, bedraagt ten hoogste 2,5 m;

g. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,25 m;

h. de bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m.

Op de verbeelding staat een maatvoeringsaanduiding voor een maximale goothoogte van 6 m en een maximale bouwhoogte van 11 m. Aan de zuidkant van het bouwvlak is de aanduiding gevellijn geplaatst. Het perceel van [appellant] grenst aan de noordkant van het plangebied.

3.    [appellant] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen", wat betreft het bouwvlak en de binnen het bouwvlak geldende maximale bouwhoogte voor hoofdgebouwen van 11 m alsmede tegen de binnen deze bestemming geldende minimale afstand van 8 m tussen hoofdgebouwen en de perceelsgrens. De afstand tussen het hoofdgebouw en zijn perceel is afwijkend ten opzichte van wat gebruikelijk is bij de omliggende woningen in de wijk. Hij stelt dat geen rekening is gehouden met de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2010 (zaak nr. 201000218/1/R1).

3.1.    De raad stelt dat de goothoogte in het plan gelijk is aan de goothoogte die mogelijk is in het bestemmingsplan "Land van Essche" dat op het perceel van [appellant] van toepassing is. Naar aanleiding van de uitspraak van 22 september 2010 is een maximale bouwhoogte in het plan opgenomen. Voor de omliggende woningen, waaronder de woning van [appellant], is geen maximale bouwhoogte opgenomen, zodat de bouwhoogte die maximaal mogelijk is, in het plan lager is dan voor de omliggende woningen. De raad betoogt dat in de planregels de maximale bebouwingsmogelijkheden zijn gegeven, maar dat deze mogelijkheden niet benut hoeven te worden. Overigens kan, doordat de maximale diepte van de dichtstbijgelegen voorziene woning 15 m is en de voorgevel in de gevellijn dient te liggen, in het meest oostelijke gedeelte van het bouwvlak ter hoogte van de woning van [appellant] maximaal tot op 10 m van zijn perceelsgrens worden gebouwd, aldus de raad.

3.2.    De raad heeft, mede gelet op de stedelijke omgeving waarin het plangebied is gelegen en de maatvoering die op grond van het bestemmingsplan "Land van Essche" voor in de omgeving van het plangebied gelegen woningen geldt, in redelijkheid de in de verbeelding en artikel 3, lid 3.3.2, aanhef en onder c tot en met g, van de planregels gestelde maatvoering op zichzelf beschouwd niet onaanvaardbaar kunnen achten. Dat in de uitspraak van 22 september 2010 de minimale afstand van 8 m tussen hoofdgebouwen en de perceelsgrens mede tot het oordeel heeft geleid dat het plan, dat zag op hetzelfde plangebied, niet strekte tot een goede ruimtelijke ordening, maakt niet dat deze afstand daarom ook niet in het onderhavige plan mag worden opgenomen, nu het oordeel van de Afdeling destijds niet enkel op deze afstand was gebaseerd, maar op deze afstand in samenhang bezien met het ontbreken van een maximale bouwhoogte, de ontheffingsbevoegdheid in het plan voor een derde bouwlaag, en het gebruik van een fictieve bouwhoogte in de schaduwberekeningen.

4.    [appellant] voert aan dat de maximale bouwhoogte 1,80 m hoger is dan zijn woning, waardoor volgens hem de lichtinval wordt beperkt en visueel afbreuk wordt gedaan aan zijn woning. Volgens hem is de minimale afstand tussen hoofdgebouwen en de perceelsgrens te klein, waardoor zijn privacy en de bezonning van zijn huis en tuin worden aangetast. In dit verband richt hij zich tegen artikel 3, lid 3.2.2, onder c, en lid 3.2.3, onder d en h, van de planregels.

4.1.    De raad stelt dat uit bezonningstekeningen blijkt dat de beperking van de bezonning op het perceel van [appellant] door de hoofdgebouwen en de bijgebouwen niet groter is dan gebruikelijk is in een woonwijk. De schaduw valt grotendeels op de garage van [appellant] en niet op de leefruimtes in de woning. De schaduwwerking is volgens de raad derhalve niet onaanvaardbaar. Tevens is de schending van de privacy beperkt, omdat hoofdgebouwen op een aanzienlijke afstand van de woning van [appellant] staan en de door het plan mogelijk gemaakte woningen met de achterzijde zijn gericht naar de zijkant van de woning van [appellant], waar de garage staat. Aan deze zijde van de woning bevinden zich een raam in de garage, een raam met zicht op de trap en een dakkapel op de verdieping. Door erfafscheiding die gebruikelijk is tussen woningen zal alleen vanaf de bovenverdieping van de mogelijk gemaakte woningen zicht zijn op het perceel van [appellant]. De afstand tussen de woningen en het zicht op de percelen is volgens de raad niet ongebruikelijk in een woonwijk. De raad wijst op het vergelijkbare uitzicht op de tuin van [appellant] vanuit de reeds bestaande woningen die grenzen aan zijn tuin. Het plan leidt dan ook niet tot een onaanvaardbare inbreuk op de privacy, aldus de raad.

4.2.    Uit de bezonningstekeningen blijkt dat, bij realisering van de bebouwingsmogelijkheden voor hoofd- en bijgebouwen uit het plan, deze bebouwing in het voor- en najaar in de ochtend schaduw veroorzaakt op een deel van de woning en een deel van de achtertuin en dat de bebouwing in de winter in de ochtend schaduw werpt op een deel van de achtertuin en een deel van de woning.

4.2.1.    Het plan zal voor [appellant] wat betreft de bezonning en privacy een zekere verslechtering met zich brengen. Gelet op de bezonningstekeningen bij realisering van de hoofd- en bijgebouwen en de door de hoofdgebouwen geldende maximale bouw- en goothoogte, de afdekking met een kap daarvan en de minimale afstand tussen hoofdgebouwen en de perceelgrens heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de invloed van de bebouwing die het plan mogelijk maakt op de privacy van [appellant] en op de bezonning van zijn perceel niet zodanig is dat het plan tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] leidt. Daarbij betrekt de Afdeling wat betreft het verblijf in de tuin dat de aanspraak op privacy per definitie niet onbeperkt is bij verblijf in de tuin van een woning in stedelijk gebied.

5.    [appellant] betoogt dat de bouwvlakken ook elders op de gronden met de bestemming "Wonen" kan worden gesitueerd. In het bijzonder stelt hij dat de bouwvlakken meer in de richting van de randweg zouden kunnen worden gesitueerd.

5.1.    De raad dient bij de keuze van de bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

De raad acht de alternatieve situering van de bouwvlakken vanuit akoestisch en stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. De keuze om het bouwvlak richting de Randweg te verplaatsen zou tot het ongewenste gevolg leiden dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, die vanwege de weg voor nieuwbouwwoningen geldt, zou worden overschreden. Daarnaast is het in het plan voorziene bouwvlak zo gelegd dat de woningen stedenbouwkundig een afronding van de wijk vormen. Het door [appellant] voorgestane alternatief doet daaraan afbreuk, aldus de raad.

De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het door [appellant] voorgestane alternatief.

6.    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013

271-725.