Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9926

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
201210615/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "West-Terschelling - Dennenweg (Brede School)" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210615/2/R4.

Datum uitspraak: 25 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekers], beiden wonend te West-Terschelling, gemeente Terschelling,

en

de raad van de gemeente Terschelling,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "West-Terschelling - Dennenweg (Brede School)" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 januari 2013, waar [verzoekers] en de raad, vertegenwoordigd door H.T. Smit en G. van Essen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het plan biedt een juridisch-planologische regeling voor de realisatie van een brede school op de locatie van de Prinses Margrietschool aan de Dennenweg in West-Terschelling. In de brede school zullen twee basisscholen, een kinderopvang en Jeugdwerk worden gevestigd. Het plan maakt het mogelijk nieuwbouw ten behoeve van de brede school te realiseren ter vervanging van het bestaande schoolgebouw. De bestaande sportzaal blijft gehandhaafd.

3.    [verzoekers] kunnen zich niet met het plan verenigen. Zij voeren in de eerste plaats aan dat de raad alternatieve locaties voor de brede school onvoldoende heeft onderzocht. Volgens hen is er aan de West Aletalaan een geschikte alternatieve locatie beschikbaar, die bovendien eigendom is van de gemeente. Daarnaast voldoet de locatiekeuze volgens [verzoekers] niet aan het Programma van Eisen dat door de Stuurgroep brede school is vastgesteld. In het bijzonder betreft het de criteria over de ruimtelijke inpasbaarheid die in het Programma van Eisen zijn opgenomen.

3.1.    De raad dient bij de keuze van de bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

Bij de voorbereiding van het plan heeft BCN Drachten in opdracht van de gemeente Terschelling een locatieonderzoek uitgevoerd. In het rapport "Locatieonderzoek brede school op West-Terschelling" (hierna: het locatieonderzoek) zijn verschillende locaties voor de brede school onderzocht, waaronder de locatie aan de West Aletalaan en die aan de Dennenweg. Anders dan [verzoekers] stellen, zijn daarbij de voor- en nadelen van de locaties onderzocht. De raad heeft, op basis van het locatieonderzoek, geconcludeerd dat de locatie aan de West Aletalaan minder geschikt is voor de vestiging van de brede school dan de gekozen locatie aan de Dennenweg. Daarbij is voor de raad onder meer van belang geweest dat de locatie aan West Aletalaan is gelegen aan de noordoostelijke rand van het dorp West-Terschelling, waardoor de afstand tot het deel van het dorp waar de meerderheid van de leerlingen vandaan komt relatief groot is en aanmerkelijk groter dan bij de locatie aan de Dennenweg. Daarnaast is dit alternatief volgens de raad minder geschikt vanwege de afstand tot de bestaande sportzaal. De voorzitter ziet voorshands geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de voorkeur heeft kunnen geven aan de locatie aan de Dennenweg boven de locatie aan de West Aletalaan.

Met betrekking tot het Programma van Eisen overweegt de voorzitter dat de raad bij de vaststelling van het plan een definitieve afweging over de ruimtelijke aanvaardbaarheid dient te maken. De raad is daarbij niet gebonden aan het niet door hem opgestelde Programma van Eisen, nog daargelaten of met het plan daadwerkelijk van dit programma is afgeweken.

4.    Daarnaast voeren [verzoekers] aan dat de raad het perceel met het kadastrale nummer A2846 in het plan had moeten betrekken en deel had moeten laten uitmaken van het bestemmingsvlak met de bestemming "Maatschappelijk". Het betreft een perceel dat eigendom is van Staatsbosbeheer en waarop een woning staat. Volgens hen is zonder dit perceel onvoldoende ruimte beschikbaar om de brede school op aanvaardbare wijze op deze locatie te realiseren. Nu perceel A2846 geen deel uitmaakt van het bestemmingsvlak voor de brede school, komt het bouwvlak voor de school volgens [verzoekers] te dicht bij hun woning te liggen.

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsvlak zoals dat in het plan is opgenomen groot genoeg is om de brede school met de daarbij behorende voorzieningen te realiseren. De raad verwijst in dat verband naar het locatieonderzoek dat bij de voorbereiding van het plan is uitgevoerd. In het locatieonderzoek is de ruimtebehoefte van de gebouwen en het terrein van de brede school geschat op 3030 m2 bij een eenlaags gebouw en op 2480 m2 bij realisatie van een deel van de voorzieningen op de eerste verdieping. De oppervlakte van het terrein aan de Dennenweg, zonder toevoeging van het perceel A2846, bedraagt volgens het locatieonderzoek 4280 m2. Volgens de raad was het daarom niet noodzakelijk het perceel van Staatsbosbeheer te verwerven en in het plan te betrekken. Bij zijn keuze om perceel A2846 niet in het plan te betrekken, heeft de raad daarnaast belang gehecht aan de kosten van de verwerving van het perceel en de mogelijke vertraging die zou kunnen ontstaan door de onderhandelingen met Staatsbosbeheer en de verwerving of onteigening van het perceel.

4.2.    Gelet op hetgeen in het locatieonderzoek is vermeld, heeft de raad er naar het voorlopig oordeel van de voorzitter van kunnen uitgaan dat het bestemmingsvlak reeds zonder de toevoeging van perceel A2846 voldoende ruimte biedt voor de beoogde nieuwbouw ten behoeve van de brede school. Gelet hierop en gelet op de kosten van de verwerving van het perceel en de mogelijke vertraging van de uitvoering van het project heeft de raad naar het oordeel van de voorzitter bij de vaststelling van het plan in redelijkheid kunnen besluiten het bestemmingsvlak voor de brede school niet uit te breiden met perceel A2846. Of de raad de in het plan gekozen invulling van het bestemmingsvlak vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar heeft kunnen achten, wordt hierna beoordeeld.

5.    [verzoekers] voeren voorts aan dat het plan leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat en de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Ter zitting is gebleken dat het [verzoekers] met name gaat om de ruimtelijke uitstraling van het schoolgebouw als zodanig. Zij betogen onder meer dat hun uitzicht en het rustige karakter van hun woonomgeving worden aangetast. Een schoolgebouw van twee verdiepingen op korte afstand van de Prinses Margrietlaan en de grens van hun perceel past volgens hen niet in de omgeving, mede omdat ook reeds een ongeveer 10 m hoge sportzaal op het terrein staat.

5.1.    Aan het terrein waarop de brede school zal worden gevestigd is in het plan de bestemming "Maatschappelijk" toegekend. Het plan maakt de beoogde bouw van een gebouw van twee verdiepingen voor de brede school mogelijk. Uit artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels volgt dat gebouwen en overkappingen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" mag worden gebouwd. Voorts volgt uit die bepaling, in combinatie met de verbeelding, dat de bouwhoogte van de gebouwen en overkappingen ten hoogste 10 m mag bedragen en dat de minimale en de maximale dakhelling van de gebouwen en overkappingen 0° respectievelijk 40° bedragen.

5.2.    Niet in geschil is dat in het plan de grens van het bouwvlak in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan "West-Terschelling 1971" in westelijke richting - en derhalve in de richting van de woning van [verzoekers] - is verschoven. Blijkens het verhandelde ter zitting gaat het om een verschuiving van ongeveer 20 m. Verder gaat de voorzitter er vooralsnog van uit dat het plan een groter bouwvolume mogelijk maakt dan het voorgaande plan. Het plan bevat immers een maximale bouwhoogte van 10 m, die ook met een plat dak kan worden gerealiseerd, terwijl door de raad is gesteld dat het voorgaande plan een maximale goothoogte van 6 m en een maximale dakhelling van 40° voorschreef.

Gelet hierop kan worden aangenomen dat het plan in vergelijking met de bouwmogelijkheden die het voorgaande plan bevatte, leidt tot een verslechtering van het uitzicht van [verzoekers]. Uit de verbeelding blijkt dat de afstand tussen de woning van [verzoekers] en de grens van het bestemmingsvlak met de bestemming "Maatschappelijk" meer dan 40 m bedraagt. Verder is ter zitting gebleken dat er enig afschermend groen rond het schoolterrein aanwezig is en behouden blijft en dat het schoolterrein door het hoogteverschil in het duingebied enkele meters lager is gelegen dan de Prinses Margrietlaan.

Voor zover [verzoekers] hebben aangevoerd dat de raad bij de vaststelling van het plan niet de richtafstand van 30 m in acht hebben genomen die in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-brochure) voor basisscholen en kinderopvangvoorzieningen is opgenomen, overweegt de voorzitter het volgende. De richtafstand uit de VNG-brochure geldt, anders dan [verzoekers] betogen, niet voor de afstand tussen het bestemmingsvlak en de grens van het perceel van [verzoekers], maar voor de afstand tussen het bestemmingsvlak en de uiterste situering van de gevel van de woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Nu deze afstand in dit geval meer dan 30 m bedraagt, mist het betoog dat de richtafstand is overschreden feitelijke grondslag.

De voorzitter overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Onder de hierboven vermelde omstandigheden is de voorzitter voorshands van oordeel dat de raad, na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gediend met de realisatie van de brede school dan aan het belang van [verzoekers] bij behoud van hun uitzicht en een onveranderd woon- en leefklimaat en een volledig behoud van het rustige karakter van hun woonomgeving.

6.    [verzoekers] betogen verder dat het plan leidt tot aantasting van de bouwmogelijkheden op hun perceel.

6.1.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt de voorzitter af dat [verzoekers] met name doelen op de bouw van een seniorenwoning op hun perceel. Niet gebleken is dat het ten tijde van de vaststelling van het plan ter plaatse geldende bestemmingsplan "West-Terschelling 1971" de bouw van een extra woning mogelijk maakt. Dit geldt eveneens voor het bestemmingsplan "West-Terschelling 2012" dat inmiddels is vastgesteld. In zoverre kan niet worden geoordeeld dat het thans voorliggende plan de door [verzoekers] bedoelde bouwmogelijkheden op hun eigen perceel aantast. Voor zover [verzoekers] bedoelen dat de aanvaarding van het plan de kans verkleint dat hun nog zal worden toegestaan een extra woning op hun perceel te bouwen, heeft de raad aan dat mogelijke gevolg geen doorslaggevende betekenis hoeven toe te kennen.

7.    Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [verzoekers] betreft, ziet de voorzitter geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

8.    Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter in hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De voorzitter ziet dan ook geen grond voor de verwachting dat de Afdeling hun beroep in de bodemprocedure gegrond zal verklaren. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Teuben

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013

483.