Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9923

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
201212043/1/A1 en 201212043/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2011 heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast het gebruik van een deel van het pand op het perceel [locatie] te Valkenburg aan de Geul als tweede woning te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201212043/1/A1 en 201212043/2/A1.

Datum uitspraak: 25 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) en (met toepassing van artikel 8:86 van die wet) op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Valkenburg aan de Geul, (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 23 november 2012 in de zaken nrs. 12/1411 en 12/1849 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2011 heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast het gebruik van een deel van het pand op het perceel [locatie] te Valkenburg aan de Geul als tweede woning te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 19 juni 2012 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 november 2012 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Verder heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2013, waar [appellanten] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. G.A.M.C. Goossens, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar [partij], bijgestaan door mr. A.A.T. Stoffels, gehoord.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Voor zover [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter, door het perceel met [locatie] te Schin op Geul in plaats van Valkenburg aan de Geul aan te duiden, het bestreden besluit op onjuiste wijze heeft weergegeven, wordt overwogen dat dit een kennelijke verschrijving is, waardoor [appellant] niet in zijn belangen is geschaad. Het betoog faalt.

3.    [appellant] betoogt verder dat de voorzieningenrechter ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, nu hij geen mondelinge toelichting op zijn beroepschrift heeft gegeven.

3.1.    Die bepaling kon de voorzieningenrechter toepassen, indien na de zitting nader onderzoek naar zijn oordeel redelijkerwijs niet aan de beoordeling van de zaak kon bijdragen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 juli 2007 in de zaken nrs. 200703947/1 en 200703947/2, gaat het er daarbij om of de informatie die schriftelijk en ter zitting is verkregen van dien aard is, dat mag worden aangenomen dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Het aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de beschikbare gegevens in het bodemgeschil toereikend waren voor een verantwoorde oordeelsvorming. Ook dit betoog faalt.

4.    Voor zover [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college, toen het bij besluit van 28 mei 2002 onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning heeft verleend, wist dat een deel van het pand als tweede woning zou worden gebruikt, zodat het thans niet tegen zodanig gebruik mocht optreden, faalt ook dit betoog.

Bij het besluit van 28 mei 2002 heeft het college bouwvergunning verleend voor het intern verbouwen van de hoeve op het perceel. Het heeft geen vrijstelling en bouwvergunning verleend om een deel van de bestaande hoeve als tweede woning te gebruiken. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat in de aanvraag, noch in de overige stukken in die procedure, is vermeld dat het bouwplan in gebruik van dat deel van de hoeve als tweede woning voorziet en het college vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend onder bepaling dat in de hoeve maximaal één woning aanwezig is.

Voor zover [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het aldus aan de vrijstelling en bouwvergunning verbonden voorschrift slechts inhield dat in het deel van de hoeve, waarop het bouwplan betrekking had, maximaal één woning aanwezig mocht zijn, faalt ook dit betoog bij gebrek aan feitelijke grondslag evenzeer. Het voorschrift luidt dat in de bestaande hoeve niet meer dan één woning aanwezig mag zijn.

5.    Ook het betoog dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het voorschrift, nu dat het algemeen belang niet dient, ten onrechte aan de verleende vrijstelling en bouwvergunning is verbonden, kan niet leiden tot het ermee beoogde resultaat, reeds omdat thans van de rechtmatigheid van de aldus verleende vergunning moet worden uitgegaan.

6.    [appellant] betoogt verder dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen concreet zicht op legalisering heeft aangenomen, nu het provinciale beleid, waarop het college zijn weigering om te legaliseren heeft gebaseerd, in dit geval niet van toepassing is.  

6.1.    Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 november 2007 in zaak nr. 200702722/1) volstaat in beginsel het enkele feit dat het desbetreffende college van burgemeester en wethouders niet bereid is ontheffing te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat.

6.2.    Het college heeft zich in het besluit van 19 juni 2012 op het standpunt gesteld dat de huidige situatie in strijd is met het op 5 juli 2011 vastgestelde en ten tijde van belang gevoerde woningsplitsingsbeleid, dat van toepassing is op aanvragen voor splitsing van een bestaande woning in twee of meer woningen/wooneenheden en dat ook in het in procedure zijnde nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied Valkenburg aan de Geul 2012" een tweede woning op het perceel niet wordt toegestaan. [appellant] heeft in beroep niets aangevoerd, op grond waarvan op voorhand moet worden aangenomen dat het door het college aldus ingenomen standpunt in rechte onhoudbaar is en de vereiste medewerking, indien gevraagd, niet zal mogen worden geweigerd. Gelet hierop, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat ten tijde van het besluit van 19 juni 2012 geen concreet zicht op legalisering bestond.

7.    [appellant] betoogt ook dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat er bijzondere omstandigheden zijn, op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien. Hij voert daartoe aan dat het college al sinds 2000 van het gebruik van een deel van het pand als tweede woning op de hoogte was, hij er, gelet op uitlatingen van het college, op mocht vertrouwen dat het daartegen niet handhavend zou optreden, [partij], die om handhaving heeft verzocht, daarbij geen belang heeft en het niet mogen gebruiken van een deel van de hoeve als tweede woning voor hem ernstige nadelige financiële gevolgen heeft.

7.1.    Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juli 2011 in zaak nr. 201010238/1/H1), is enkel tijdsverloop, ongeacht de duur ervan, geen bijzondere omstandigheid, in verband waarmee van handhaving moet worden afgezien.

Voor het oordeel dat [appellant] er op mocht vertrouwen dat het college niet handhavend tegen het gebruik zou optreden, heeft de voorzieningenrechter, mede in aanmerking genomen het voormelde voorschrift dat aan de vrijstelling en bouwvergunning is verbonden, terecht geen aanknopingspunten gevonden.

Nu bij overtreding van verbindende voorschriften handhaving in het algemeen belang is, is het gestelde ontbreken van belang bij handhaving aan de zijde van [partij], wat daar ook van zij, evenmin een bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin. Datzelfde geldt voor de gestelde omstandigheid dat handhavend optreden voor [appellant] ernstige nadelige financiële gevolgen heeft.

Ook dit betoog faalt.

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb    w.g. Pieters

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013

473.