Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9906

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
201208985/1/R2 en 201208985/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders het wijzigingsplan "Buitengebied, De Hel 4g te Randwijk" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 1.1.1
Besluit ruimtelijke ordening 3.1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2013/3123 met annotatie van D. Meloni
JOM 2013/325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208985/1/R2 en 201208985/2/R2.

Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders het wijzigingsplan "Buitengebied, De Hel 4g te Randwijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft het college van gedeputeerde staten beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college van burgemeester en wethouders heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 november 2012, waar het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie, en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door F.C.P. Stouten en H.H.J. Bos, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbenden], bijgestaan door S. van Westreenen, als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Het wijzigingsplan voorziet in de nieuwvestiging van een vleeskalverenhouderij aan [locatie] te Randwijk.

3.    Het college van gedeputeerde staten betoogt dat in het kader van de voorbereiding van het wijzigingsplan ten onrechte geen vooroverleg is gevoerd met de diensten van de provincie Gelderland die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening. Het betoogt dat het college van burgemeester en wethouders zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat vooroverleg met de provincie niet nodig was. Het college van gedeputeerde staten wijst er in dit verband op dat een voorwaarde voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is dat de Provinciale Dienst belast met agrarische aangelegenheden moet worden gehoord. Nu deze provinciale dienst niet meer bestaat, had het te meer in de rede gelegen het wijzigingsplan voorafgaand aan de vaststelling daarvan aan de provincie voor te leggen, aldus het college van gedeputeerde staten.

Het college van gedeputeerde staten betoogt voorts dat het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met het provinciale Streekplan Gelderland 2005 (thans: structuurvisie, hierna: Streekplan), nu het wijzigingsplan de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij mogelijk maakt buiten het gebied dat daarvoor op themakaart 20 bij het Streekplan is aangewezen. Volgens het college van gedeputeerde staten is onvoldoende gemotiveerd afgeweken van het Streekplan.

Het college van gedeputeerde staten betoogt verder dat het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met de beleidsvoornemens van de gemeente. Het college van gedeputeerde staten stelt dat het college van burgemeester en wethouders niet heeft gemotiveerd hoe het wijzigingsplan zich verhoudt tot het ontwerpplan "Buitengebied Overbetuwe", waarin de nieuwvestiging van intensieve veehouderijen expliciet wordt uitgesloten.

4.    Het college van burgemeester en wethouders stelt zich onder verwijzing naar de brieven van het college van gedeputeerde staten aan de gemeenten binnen de provincie van 5 juni 2008 en van 22 oktober 2009 op het standpunt dat het de provincie niet in de voorontwerpfase van het wijzigingsplan behoefde te betrekken.

5.    Ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 1.1.1, derde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een wijzigingsplan daarbij overleg met die diensten van provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Ingevolge het tweede lid kan het college van gedeputeerde staten bepalen dat onder bepaalde omstandigheden of in bepaalde gevallen geen overleg is vereist met de diensten van provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 6, zesde lid, aanhef en onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1981 (Heteren)", kan het college van burgemeester en wethouders, gehoord het advies van de Provinciale Dienst belast met agrarische aangelegenheden, met toepassing van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, thans artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), het plan wijzigen ten behoeve van een nieuw agrarisch bouwperceel

klasse A.

6.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 november 2010, in zaak nr. 200908901/1/T1/R1) volgt uit de nota van toelichting bij het Bro dat slechts bij hoge uitzondering, indien het duidelijk gaat om een herziening van geringe omvang dan wel van in planologisch opzicht ondergeschikt belang, geen overleg zal hoeven plaats te vinden. Niet in geschil is dat het wijzigingsplan niet een dergelijke situatie betreft.

7.    In de brieven van 5 juni 2008 en 22 oktober 2009 heeft het college van gedeputeerde staten de colleges van burgemeester en wethouders van de Gelderse gemeenten geïnformeerd over de werkwijze onder de Wro, onderscheidenlijk de betrokkenheid van de provincie bij gemeentelijke procedures onder de Wro. Daaruit blijkt dat het provinciebestuur bij plannen van lokaal belang geen rol voor de provincie weggelegd ziet en overleg met de provincie niet vereist acht. Op pagina 3 van de brief van 22 oktober 2009 wordt gesteld dat gemeenten de brief van 5 juni 2008 kunnen beschouwen als een uitwerking van de mogelijkheid van artikel 3.1.1, tweede lid, van het Bro. Bij de brief van 5 juni 2008 is aan de gemeenten in de provincie Gelderland de 'Wro-Agenda 2008-2009' toegezonden, die is vastgesteld door provinciale staten op 19 maart 2008. Paragraaf 4.9.3 van de Wro-agenda betreft intensieve veehouderijen. Onder verwijzing naar de provinciale structuurvisie staat onder meer vermeld dat nieuwvestiging van intensieve veehouderijen buiten landbouwontwikkelingsgebieden niet is toegestaan.

De nieuwvestiging van een vleeskalverenhouderij, zijnde intensieve veehouderij, zoals die met het wijzigingsplan buiten een landbouwontwikkelingsgebied mogelijk wordt gemaakt, wordt derhalve genoemd in de Wro-agenda en betreft dan ook geen lokaal belang als bedoeld in de brief van 22 oktober 2009.

Gelet hierop kan het standpunt van het college van burgemeester en wethouders dat het college van gedeputeerde staten ingevolge artikel 3.1.1, tweede lid, het Bro heeft bepaald dat voor het wijzigingsplan geen vooroverleg is vereist, niet worden gevolgd. Het betoog van het college van gedeputeerde staten slaagt.

8.    In hetgeen het college van gedeputeerde staten heeft aangevoerd ziet de voorzitter aanleiding voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van het wijzigingsplan ten onrechte geen overleg heeft gepleegd met die diensten van provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

9.    Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

10.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe van 31 juli 2012;

III.    wijst het verzoek af;

IV.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe aan het college van gedeputeerde staten van Gelderland het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 620,00 (zegge: zeshonderdtwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het verzoek vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Plambeck

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2013

159-743.