Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
201108696/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij beslissing van 16 juni 2009 heeft het college voor een loods in Dronten de huisnummeraanduiding [locatie] vastgesteld, overeenkomstig de bij het besluit behorende situatietekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108696/1/A3.

Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant a] en [appellant b], wonend te Dronten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 23 juni 2011 in zaak nr. 10/806 in het geding tussen:

[appellant a]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dronten.

Procesverloop

Bij beslissing van 16 juni 2009 heeft het college voor een loods in Dronten de huisnummeraanduiding [locatie] vastgesteld, overeenkomstig de bij het besluit behorende situatietekening.

Bij besluit van 19 maart 2010 heeft het college het door [appellant a] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 15 februari 2011 heeft het college besloten om aan de in de loods aanwezige inpandige woning de nummeraanduiding [lcoatie] toe te kennen en aan de in de loods aanwezige bedrijfshal, de nummeraanduiding [locatie a].

Bij uitspraak van 23 juni 2011 heeft de rechtbank het door [appellant a] tegen het besluit van 19 maart 2010 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant a] en [appellant b] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2012, waar [appellant a], bijgestaan door mr. K.A. Faber, advocaat te Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door J.G. van der Struik-de Haan, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Desgevraagd zijn na zitting nog stukken van het college ontvangen. Deze stukken zijn naar [appellant a] en [appellant b] toegezonden.

Bij brief van 22 juni 2012 hebben [appellant a] en [appellant b] een nadere reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 4 oktober 2012, waar [appellant a], bijgestaan door mr. Faber, is verschenen.

Overwegingen

1.    Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2.    Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen (hierna: de Wet bag) deelt de gemeenteraad het grondgebied van de gemeente in een of meer woonplaatsen in, stelt de openbare ruimten vast en kent nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen.

Bij besluit van 27 januari 2011 heeft de raad van de gemeente Dronten de bevoegdheden genoemd in artikel 6 van de Wet bag met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2009 gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders van Dronten.

Voorts heeft de raad van de gemeente Dronten op 27 januari 2011 de Verordening naamgeving en nummering 2011 (hierna: de Verordening) vastgesteld.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening kent het college binnen het grondgebied van de gemeente nummers toe aan verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, moet aan objecten, zoals aangegeven in artikel 3, waarvoor een nummer is vastgesteld, dat nummer op een doeltreffende wijze zijn aangebracht.

3.    Ambtshalve wordt het volgende overwogen. [appellant b] heeft geen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar of in administratief beroep genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt of administratief beroep te hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit. Op grond van artikel 6:24, eerste lid, van de Awb is deze bepaling in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. Niet gebleken is dat [appellant b] niet redelijkerwijs kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld. Dat betekent dat het hoger beroep, voor zover dit door [appellant b] is ingesteld, niet-ontvankelijk is.

4.    [appellant a] woont in de loods aan [locatie] te Dronten. Met betrekking tot die loods wenst [appellant a] echter dat het college de nummeraanduiding [locatie] voor de inpandige woning, en [locatie a] voor de bedrijfshal vaststelt.

5.    Het college heeft aan zijn in bezwaar gehandhaafde beslissing van 16 juni 2009 ten grondslag gelegd dat op de loods gelegen aan [locatie] weliswaar feitelijk twee nummers zijn aangebracht, maar dat op het perceel één gebouw staat. Volgens het college is het nummer [a] gereserveerd voor een nog te bouwen woning op dit perceel. De loods mag volgens het college daarom alleen het nummer [… ] krijgen.

6.    Bij besluit van 15 februari 2011 heeft het college op grond van de Verordening alsnog met betrekking tot de loods de nummeraanduidingen [locatie] voor de inpandige woning, en [locatie a] voor de bedrijfshal vastgesteld.

7.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de beslissing van 16 juni 2009 geen besluit is in de zin van de Awb. Voorts heeft de rechtbank het besluit van 15 februari 2011 niet bij de behandeling van het beroep betrokken. De rechtbank heeft het besluit van 15 februari 2011 naar het college gezonden ter behandeling in bezwaar.

8.     [appellant a] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de beslissing van 16 juni 2009 wel rechtsgevolgen had, aangezien [appellant b] zich als gevolg van deze beslissing niet op het adres [locatie a] kan inschrijven. Voor zover moet worden geoordeeld dat de beslissing van 16 juni 2009 geen besluit in de zin van de Awb is, heeft de rechtbank ten onrechte het besluit van 15 februari 2011 niet bij het beroep betrokken.

8.1.        Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 januari 2006 in zaak nr. 200504345/1) is het wijzigen van een huisnummer indien regelgeving ontbreekt waaruit een plicht voortvloeit om straatnaam- en nummerborden te gedogen, niet gericht op rechtsgevolg. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Algemene Plaatselijke Verordening van Dronten ten tijde van het nemen van de beslissing van 16 juni 2009 geen regeling bevatte waaruit de hiervoor vermelde plicht voorvloeide, en dat ook overigens niets was geregeld ter zake van huisnummering. Eerst vanaf 27 januari 2011 is alsnog een dergelijke regeling vastgesteld. Weliswaar heeft het college in dit geval het nummer niet gewijzigd maar voor het eerst toegekend, maar dat laat onverlet dat bij de beslissing van 16 juni 2009 geen rechten of plichten van de bewoners van de loods zijn gewijzigd. Met de beslissing van 16 juni 2009 is slechts een nummeraanduiding voor de loods vastgesteld. De beslissing strekt niet tot vaststelling dat het bestaande adres [locatie] geen zelfstandige woonruimte is maar is slechts een uitvloeisel van die vaststelling. Dat [appellant b] zich niet kan inschrijven op het adres [locatie a] is dan ook geen gevolg van de beslissing van 16 juni 2009. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de beslissing van 16 juni 2009 niet is gericht op publiekrechtelijk rechtsgevolg en dat dit daarom geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

9.    Het besluit van 15 februari 2011 strekt tot wijziging van het besluit op bezwaar van 19 maart 2010. De rechtbank heeft niet onderkend dat dit besluit moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb, welke bepaling in deze procedure op grond van het hiervoor aangehaalde overgangsrecht nog van toepassing is.

10.    Het hoger beroep van [appellant a] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep van [appellant a] niet mede heeft geacht te zijn gericht tegen het besluit van 15 februari 2011. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt ten aanzien van dat beroep als volgt overwogen.

11.    Anders dan [appellant a] betoogt heeft het college aan het besluit van 15 februari 2011 geen terugwerkende kracht toegekend. Voor zover zijn betoog ertoe strekt dat het college aan dat besluit terugwerkende kracht had moeten toekennen, heeft [appellant a] geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de Afdeling tot dat oordeel zou kunnen komen. Gelet op het belang van de rechtszekerheid vergt het toekennen van terugwerkende kracht aan besluiten, waar wettelijk voorschriften daar niet in voorzien, klemmende redenen. De financiële belangen die [appellant a] naar voren heeft gebracht, kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Het betoog faalt.

12.    Het beroep van [appellant a] is ongegrond.

13.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep, ingesteld door [appellant b], niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het hoger beroep, ingesteld door [appellant a], gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 23 juni 2011 in zaak nr. 10/806, voor zover de rechtbank het beroep van [appellant a] ten onrechte niet gericht heeft geacht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dronten van 15 februari 2011 met kenmerk B11.000134;

IV.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellant a], voor zover het geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 15 februari 2011, ongegrond;

V.    bevestigt de uitspraak voor het overige, voor zover aangevallen;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dronten tot vergoeding van bij [appellant a] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Dronten aan [appellant a] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Sparreboom

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2013

195-671.