Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9254

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
201106656/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit waarbij het college een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wm heeft verleend voor een pluimveehouderij. Appellant betoogt onder meer dat het college de woning die wordt bewoond door de broer van appellant, ten onrechte niet als bedrijfswoning bij de inrichting heeft aangemerkt. Appellant verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2009, in zaak nr. 200900794/1/M1 (LJN: BJ7747). De Afdeling heeft eerder al geoordeeld dat de woning niet als bedrijfswoning bij de inrichting kan worden aangemerkt omdat deze niet als zodanig is aangevraagd, buiten de grenzen van de inrichting ligt en zowel feitelijk als planologisch gezien als bedrijfswoning tot de inrichting van de broer van appellant behoort. Deze omstandigheden zijn ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet gewijzigd. In zoverre bestaat geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De omstandigheid dat er verbindingen met stalcomputers bestaan, waardoor het bedrijfsproces kan worden bijgestuurd, leidt niet tot het oordeel dat de woning alsnog moet worden aangemerkt als een tot de inrichting van appellant behorende bedrijfswoning. Hiervoor is deze omstandigheid immers niet doorslaggevend. De verwijzing naar de uitspraak van 16 september 2009 maakt dit niet anders, nu het in die zaak ging om een ander en niet vergelijkbaar geval, namelijk een melding op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer van twee windturbines, die mede is ondertekend door de bewoners van de woningen die tot de inrichting konden worden gerekend.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106656/1/A4.

Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], gevestigd onderscheidenlijk wonend te [woonplaats], gemeente Reimerswaal (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Reimerswaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2011 heeft het college aan [appellant a], een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie a] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en ing. J. Bouwman, en het college, vertegenwoordigd door B.G.J. Lobée, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.    Bij het bestreden besluit heeft het college de gevraagde revisievergunning voor wat betreft 16.647 kippen in stal 5 geweigerd en voor het overige verleend.

Voor de inrichting is eerder, bij besluit van 16 september 1996, een revisievergunning verleend. Vervolgens zijn bij besluiten van 29 juni 1998 en 29 mei 2000 veranderingsvergunningen verleend. Op grond van deze vergunningen mogen in de inrichting in totaal 188.640 opfokhennen worden gehouden.

3.          Ingevolge artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de vergunning in ieder geval geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit het tweede en derde lid volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, kan het bevoegd gezag de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2.

4.    Tussen partijen is niet in geschil dat zich ter zake van geurhinder een overbelaste situatie voordoet. Verlening van de gevraagde vergunning is derhalve slechts mogelijk op grond van bestaande rechten als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer. Daarbij merkt de Afdeling op dat de Wet geurhinder en veehouderij noch de inmiddels ingetrokken Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden op dit geding van toepassing is.

4.1.    [appellant] betoogt dat het college er ten onrechte vanuit gaat dat op grond van de onderliggende vergunningen een veebestand mocht worden gehouden dat met 2.620 mestvarkeneenheden (mve's) overeenkomt. Daartoe voert hij aan dat het college bij de berekening van de bestaande rechten ten aanzien van stallen 4, 5 en 6 ten onrechte een omrekeningsfactor van 72 kippen per mve heeft gehanteerd. Volgens [appellant] geldt op grond van de Richtlijn veehouderij en stankhinder een omrekeningsfactor van 54 kippen per mve. Het eerder vergunde veebestand komt dan overeen met 2.935 mve's, hetgeen gelijk is aan het aangevraagde veebestand uitgedrukt in mve's, zodat de vergunning in zijn geheel had moeten worden verleend.

[appellant] verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2009 in zaak nr. 200805503/1/M2. Bij die uitspraak heeft de Afdeling het besluit van het college van 2 juni 2008, waarbij op dezelfde vergunningaanvraag is beslist, vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling oordeelt in die uitspraak dat het toepassen van de omrekeningsfactor van 72 kippen per mve niet deugdelijk is gemotiveerd, nu niet is gebleken dat die omrekeningsfactor is gebaseerd op deugdelijk onderzoek. [appellant] betoogt dat aan het bestreden besluit, wat betreft de toepassing van de omrekeningsfactor van 72 kippen per mve, nog steeds geen deugdelijk  onderzoek ten grondslag ligt.

4.2.    Het college heeft bij de berekening van de omvang van de bestaande rechten in aanmerking genomen dat bij het besluit van 29 juni 1998 tot verlening van een veranderingsvergunning in overleg met de Inspectie Milieuhygiëne Zuid-West de van de Richtlijn veehouderij en stankhinder afwijkende omrekeningsfactor van 72 kippen per mve is gehanteerd. Daardoor kon bij dat besluit vergunning worden verleend voor een uitbreiding van het veebestand tot 188.640 kippen. Indien destijds een omrekeningsfactor van 54 kippen per mve zou zijn gehanteerd, welke factor meer in overeenstemming was met de Richtlijn veehouderij en stankhinder, had slechts vergunning kunnen worden verleend voor een uitbreiding tot 141.480 kippen. Verder heeft het college - anders dan in het besluit van 2 juni 2008 - erop gewezen dat de omrekeningsfactor van 72 kippen per mve destijds uitdrukkelijk op verzoek van [appellant] is toegepast. Ook bij het besluit van 29 mei 2000 tot verlenen van een veranderingsvergunning is het college op verzoek van [appellant] uitgegaan van deze omrekeningsfactor. Indien thans de door [appellant] voorgestane factor van 54 kippen per mve zou worden gehanteerd, zou dit leiden tot een oneigenlijke uitbreiding van het veebestand en de geuremissie in vergelijking met de eerder vergunde situatie.

Onder deze omstandigheden kon het college naar het oordeel van de Afdeling voor de berekening van de omvang van bestaande rechten uitgaan van eenzelfde omrekeningsfactor (72 kippen per mve) als bij de besluiten van 29 juni 1998 en 29 mei 2000. Nu het aangevraagde veebestand, uitgedrukt in mve's, de aldus berekende bestaande rechten overschrijdt, heeft het college de vergunning in het belang van de bescherming van het milieu terecht gedeeltelijk geweigerd.

De beroepsgrond faalt.

5.    [appellant] betoogt voorts dat het college de woning aan de [locatie b], die wordt bewoond door de broer van [appellant], ten onrechte niet als bedrijfswoning bij de inrichting heeft aangemerkt. Weliswaar heeft de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak van 19 augustus 2009 geoordeeld dat die woning niet tot de inrichting behoort, maar nadien is er met name door verbindingen met stalcomputers, een zodanige verwevenheid met de inrichting ontstaan, dat de woning alsnog als bedrijfswoning had moeten worden aangemerkt. [appellant] verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2009 in zaak nr. 200900794/1/M1.

5.1.    In de genoemde uitspraak van 19 augustus 2009 heeft de Afdeling geoordeeld dat de woning niet als bedrijfswoning bij de inrichting kan worden aangemerkt omdat deze niet als zodanig is aangevraagd, buiten de grenzen van de inrichting ligt en zowel feitelijk als planologisch gezien als bedrijfswoning tot de inrichting van de broer van [appellant] behoort. Deze omstandigheden zijn ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet gewijzigd. In zoverre bestaat geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De omstandigheid dat er verbindingen met stalcomputers bestaan, waardoor het bedrijfsproces kan worden bijgestuurd, leidt niet tot het oordeel dat de woning alsnog moet worden aangemerkt als een tot de inrichting van [appellant] behorende bedrijfswoning. Hiervoor is deze omstandigheid immers niet doorslaggevend. De verwijzing naar de uitspraak van 16 september 2009 maakt dit niet anders, nu het in die zaak ging om een ander en niet vergelijkbaar geval, namelijk een melding op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer van twee windturbines, die mede is ondertekend door de bewoners van de woningen  die tot de inrichting konden worden gerekend.

De beroepsgrond faalt.

6.    [appellant] betoogt ten slotte dat vergunningvoorschrift 2.6 moet worden vernietigd omdat het geen betekenis heeft.

6.1.     Voorschrift 2.6. luidt als volgt:

"Op het terrein van de inrichting mag een mest worden verbrand."

6.2.     Het is evident dat dit een kennelijke verschrijving is en dat met het woord "een" het woord "geen" wordt bedoeld.

Het betoog faalt.

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2013

190-742.