Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9248

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
201206115/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 25 september 2006 is aan Lidl medegedeeld dat de door haar ingediende aanvraag om een gebruiksvergunning voor het bouwwerk op het perceel Hofdijkstraat 1 te Eindhoven wordt aangehouden.

Wetsverwijzingen
Besluit brandveilig gebruik bouwwerken
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206115/1/A1.

Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 mei 2012 in zaak nr. 08/909 in het geding tussen:

Lidl Nederland Gmbh gevestigd te Huizen,

en

het college.

Procesverloop

Bij brief van 25 september 2006 is aan Lidl medegedeeld dat de door haar ingediende aanvraag om een gebruiksvergunning voor het bouwwerk op het perceel Hofdijkstraat 1 te Eindhoven wordt aangehouden.

Bij besluit van 4 februari 2008 heeft het college het door Lidl daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 9 mei 2012 heeft de rechtbank het door Lidl daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 februari 2008 vernietigd, het besluit van 25 september 2006 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

Lidl heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.A. van Creij en R. Martens, werkzaam bij de gemeente, en Lidl, vertegenwoordigd door R. Hoeben, bijgestaan door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Lidl is in 2000 eigenaar geworden van het pand op het perceel. Het pand was voorheen in gebruik als groothandel. Lidl is voornemens het pand te gebruiken als supermarkt en heeft daartoe bij brief van 17 juli 2006 een aanvraag om een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1, aanhef en onder a, van de Bouwverordening van de gemeente Eindhoven (hierna: de bouwverordening), zoals die toen luidde, ingediend.

Met inwerkingtreding van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken is de gebruiksvergunningplicht komen te vervallen. De rechtbank heeft daarom aanleiding gezien te beoordelen of Lidl nog belang had bij een beoordeling van haar beroep.

2.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat Lidl belang had bij een beoordeling van haar beroep tegen het besluit van 4 februari 2008. Het voert daartoe aan dat geen relatie bestaat tussen de aanhouding van de door Lidl ingediende aanvraag om een gebruiksvergunning en de door Lidl gestelde schade. Volgens het college heeft Lidl meerdere keren de mogelijkheid gehad om een aanvraag om bouwvergunning in te dienen en daarmee de aanhouding te doorbreken.

2.1.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 11 januari 2010 in zaak nr. 201006685/1/R1) bestaat belang bij een beoordeling van het beroep indien de desbetreffende appellant stelt schade te hebben geleden en hij tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij dergelijke schade daadwerkelijk en als gevolg van het door hem bestreden besluit heeft geleden.

2.2.    Lidl stelt schade te hebben geleden in de vorm van omzetderving, nu zij geen supermarkt in het pand op het perceel heeft kunnen exploiteren. De rechtbank heeft, door het college niet bestreden, terecht overwogen dat Lidl tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden. Het niet in gebruik kunnen nemen van het pand als supermarkt is immers het gevolg van het besluit tot aanhouding van de beslissing op de aanvraag om een gebruiksvergunning. Dat, zoals het college betoogt, Lidl een aanvraag om bouwvergunning had kunnen indienen, waardoor de aanhouding zou worden doorbroken, leidt niet tot een ander oordeel. Zelfs indien Lidl kort na 25 september 2006 een bouwaanvraag had ingediend, is de Afdeling van oordeel dat Lidl tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat zij ook in dat geval enige schade zou hebben geleden. Het betoog faalt.

3.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de brief van 25 september 2006 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het voert daartoe aan dat de brief een bestuurlijk rechtsoordeel bevat en dat het doen van een aanvraag om verlening van een bouwvergunning voor Lidl niet onevenredig bezwarend was.

3.1.    Ingevolge artikel 6.1.4, eerste lid, van de bouwverordening beslissen burgemeester en wethouders op een aanvraag voor een gebruiksvergunning binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders hun beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.

Ingevolge het derde lid houden burgemeester en wethouders in afwijking van het eerste en tweede lid de beslissing aan indien voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en zij over die vergunning niet hebben beslist.

3.2.    Bij brief van 25 september 2006 is aan Lidl medegedeeld dat een bouwvergunning nodig is en de beslissing op de aanvraag om gebruiksvergunning wordt aangehouden tot zes weken na de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning.

3.3.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de beslissing tot aanhouding een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De mededeling dat voor het bouwwerk waarop de aanvraag om gebruiksvergunning ziet een bouwvergunning is vereist, maakt deel uit van de beslissing tot aanhouding en had tot gevolg dat het pand niet in gebruik mocht worden genomen. Lidl kan daarom in bezwaar en beroep bestrijden dat een bouwvergunning is vereist. Het betoog faalt.

4.    Het college betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voorzieningen die aan het pand worden aangebracht geen bouwkundige voorzieningen, maar bouwvergunningvrije werkzaamheden zijn.

4.1.    De rechtbank heeft, door het college in hoger beroep niet bestreden, overwogen dat alleen ten aanzien van de voorzieningen die met het oog op het gebruik van het pand als supermarkt zijn aangebracht of worden aangebracht, dient te worden beoordeeld of sprake is van bouwen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet. Het gaat hierbij, aldus de rechtbank, om de na 2000 aangebrachte of nog aan te brengen voorzieningen, te weten het wijzigen van de cv-installatie, het plaatsen van een stalen plaat boven een keldertoegang, een kluis en kassa's en het plaatsen van stellingen in magazijnruimtes, in de verkoopruimtes en als scheidingswanden. Volgens de rechtbank zijn dit geen bouwvergunningplichtige werkzaamheden.

4.2.    Voor de beantwoording van de vraag of de werkzaamheden bouwvergunningplichtig zijn, dient te worden beoordeeld of sprake is van bouwen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet. Het begrip "bouwwerk" is in de Woningwet niet omschreven. Volgens de jurisprudentie van de Afdeling, onder meer in de uitspraak van 17 oktober 2001 in zaak nr. 200004512/1 (Gst. 2002, 7172, 11), geeft de modelbouwverordening een bruikbare definitie van het wettelijke begrip "bouwwerk". Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren".

4.3.    In de Nota van Toelichting op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb) (Stb. 2002, 410, pagina 35) is vermeld dat magazijnstellingen die minder dan 3 m hoog zijn, evenals bijvoorbeeld kasten, tafels, stoelen, bureaus en dergelijke, als onderdeel worden gezien van een inventaris en het plaatsen van zulke inventariselementen niet kan worden beschouwd als 'bouwen' in de zin van de Woningwet.

4.4.    Lidl heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat de stellingen lager zijn dan 3 m. Dit is door het college niet bestreden. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het plaatsen van deze stellingen niet is aan te merken als bouwen. De rechtbank heeft voorts terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het plaatsen van verplaatsbare objecten als een kluis en de kassa's is aan te merken als bouwen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de kluis en de kassa's kunnen worden aangemerkt als deel uitmakend van de inventaris van een supermarkt. De aangebrachte wijziging van de cv-installatie betreft, zo heeft Lidl ter zitting van de Afdeling verklaard, het vernieuwen van de ketel. Ook dit kan niet als bouwen worden aangemerkt. Dit geldt evenzeer voor het plaatsen van een losse stalen plaat boven een keldertoegang.

Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het aanbrengen van de hier aan de orde zijnde voorzieningen niet is aan te merken als bouwen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet en daarom voor het college geen grond bestond de aanvraag om een gebruiksvergunning aan te houden. Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van bij Lidl Nederland Gmbh in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Pieters

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2013

473.