Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9241

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
201203978/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft de raad een verzoek van [appellant] om een toevoeging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203978/1/A2.

Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2012 in zaak nr. 11/5321 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft de raad een verzoek van [appellant] om een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 maart 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J. de Jong, advocaat te Utrecht, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W.C.M. Smits, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) kan de raad de toevoeging weigeren indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging.

Ingevolge artikel 32 geldt de toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

Ter nadere invulling van zijn in onder meer artikel 28 van de Wrb neergelegde bevoegdheid heeft de raad beleidsregels vastgesteld die zijn neergelegd in het Handboek Toevoegen, uitgave april 2007 (hierna: het Handboek).

Volgens aantekening 15 bij artikel 28 van de Wrb in het Handboek, "Aanvragen om toelating als vluchteling", wordt voor de rechtsbijstand aan een gezin in de eerste fase in beginsel één toevoeging verleend.

Dit uitgangspunt is verder uitgewerkt in de door de raad toegepaste werkinstructie "A.A.-procedure" (hierna: de werkinstructie).

Volgens deze werkinstructie geldt de toevoeging voor alle werkzaamheden tijdens de algemene asielprocedure (A.A.-procedure) en de eventuele verlengde asielprocedure (V.A.-procedure). In de werkinstructie is opgenomen dat per verknocht verband, waaronder een gezin wordt gerekend, één distributiebrief wordt verstrekt, waarop de namen van de hoofdcliënt en de meegereisden staan vermeld. Voor een verknocht verband wordt in beginsel één toevoeging op naam van de hoofdcliënt verstrekt.  Voorts is in de werkinstructie opgenomen dat een afzonderlijke toevoeging voor advies, dan wel procedure voor een meegereisde kan worden verstrekt als deze een afzonderlijk vluchtverhaal heeft. In de aanvraag om toevoeging moet gemotiveerd worden aangegeven dat hiervan sprake is.

2.    [appellant] en zijn zus zijn tezamen naar Nederland afgereisd en hebben beiden een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel ingediend. Voor de eerste fase van de asielprocedure hebben zij de raad ieder afzonderlijk om een toevoeging verzocht. De raad heeft daarop aan de zus van [appellant] een toevoeging verleend.

De raad heeft de aanvraag van [appellant] afgewezen, omdat die ziet op hetzelfde rechtsbelang als waarvoor aan zijn zus een toevoeging is verleend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat tussen [appellant] en zijn zus een verknocht verband bestaat en [appellant] geen afzonderlijk vluchtverhaal heeft. Volgens de werkinstructie vallen de door de advocaat ten behoeve van [appellant] te verrichten werkzaamheden in dat geval onder het bereik van de aan zijn zus verleende toevoeging, aldus de raad.

De rechtbank heeft dit standpunt gevolgd. Zij heeft daartoe overwogen dat niet gebleken is van feiten of omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat het vluchtverhaal van [appellant] als niet soortgelijk aan dat van zijn zus zou moeten worden aangemerkt, zodat zijn aanvraag betrekking heeft op hetzelfde rechtsbelang en er geen grond bestaat voor het verlenen van een aparte toevoeging.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dat oordeel is gekomen, aangezien zijn asielverzoek afzonderlijk van dat van zijn zus is behandeld en tot een andersluidend besluit heeft geleid. Gelet op deze omstandigheden kan ook niet van een verknocht verband worden gesproken. Verder heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb niet de mogelijkheid biedt een aanvraag van een rechtzoekende af te wijzen op de grond dat reeds aan een andere persoon een toevoeging voor hetzelfde rechtsbelang is verleend. Het beleid is daarom in strijd met het legaliteitsbeginsel. Daarnaast is het in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel, omdat het de raad oneindig veel mogelijkheden biedt om aanvragen van asielzoekers om een toevoeging te weigeren, aangezien alle asielzoekers hetzelfde rechtsbelang hebben, namelijk het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Gelet hierop is volgens [appellant] een nadere uitwerking in een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Wrb, vereist.

3.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 augustus 2012 in zaak nr. 201113281/1/A2) volgt uit de artikelen 28, eerste lid, aanhef en onder b, en 32 van de Wrb, in onderlinge samenhang gelezen, dat, indien sprake is van verschillende rechtsbelangen ter zake waarvan rechtsbijstand wordt gevraagd, in beginsel meer toevoegingen moeten worden verstrekt. Als sprake is van één rechtsbelang kan met één toevoeging worden volstaan, tenzij sprake is van verschillende procedures dan wel van één procedure waarin sprake is van meer dan één instantie als bedoeld in artikel 32 van de Wrb.

3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 december 2012 in zaak nr. 201200091/1/A2) heeft de raad geen onredelijke uitleg aan het begrip verknocht verband gegeven door daaronder, bij afwezigheid van ouders en grootouders, een meerderjarige zus en haar minderjarige broer te rekenen. Tussen de minderjarige [appellant] en zijn meerderjarige zus bestaat derhalve een verknocht verband. Dat brengt met zich dat het beleid van de raad, zoals neergelegd in aantekening 15 bij artikel 28 van de Wrb in het Handboek en de werkinstructie, op [appellant] en zijn zus van toepassing is. De constatering van de rechtbank dat hun vluchtverhalen in hoge mate gelijksoortig zijn, is in hoger beroep niet bestreden. De toepassing van het beleid heeft er in dit geval toe geleid dat de raad de door [appellant] gevraagde toevoeging heeft geweigerd.

3.3.    Anders dan [appellant] betoogt, is dat beleid niet in strijd met de wet of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Uit evengenoemde uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012 alsmede de uitspraak van dezelfde datum in zaak nr. 201202081/1/A2 volgt dat artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb de raad de bevoegdheid biedt om een toevoeging te weigeren, indien voor hetzelfde rechtsbelang binnen een verknocht verband reeds een toevoeging is verleend. Aldus is het beleid niet in strijd met het legaliteitsbeginsel. Het is evenmin in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel. Anders dan [appellant] betoogt, biedt het de raad niet oneindig veel mogelijkheden om toevoegingsaanvragen van asielzoekers af te wijzen, omdat, zoals uit het bovenstaande blijkt, de afwijzing van een toevoegingsaanvraag in deze gevallen aan bepaaldelijk omschreven redenen gebonden is.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] en zijn zus hetzelfde rechtsbelang hebben, nu beiden een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel hebben ingediend waaraan hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt. De omstandigheid dat het asielverzoek van [appellant] afzonderlijk van dat van zijn zus is behandeld en tot een andere uitkomst heeft geleid, brengt niet met zich dat hij een zelfstandig, van dat van zijn zus te onderscheiden rechtsbelang heeft dat de verlening van een afzonderlijke toevoeging rechtvaardigt. De werkzaamheden die de raadsman gedurende de eerste fase van de asielprocedure ten behoeve van [appellant] verricht, vallen, naar de raad ter zitting heeft bevestigd, onder het bereik van de aan de zus van [appellant] verleende toevoeging, ook als in de asielprocedure van de zus minder werkzaamheden hoeven te worden verricht en die procedure eerder is afgerond.

Voor zover [appellant] ter zitting heeft betoogd dat de besluitvorming van de raad tot gevolg heeft dat op één toevoeging meer werkzaamheden moeten worden verricht dan doorgaans het geval is, terwijl geen vergoeding kan worden gevraagd voor extra uren rechtsbijstand, leidt dat evenmin tot het oordeel dat de raad aan [appellant] en zijn zus afzonderlijke toevoegingen had moeten verlenen. Daartoe wordt overwogen dat de raad ter zitting evenzeer heeft bevestigd dat, mits dit tijdig en voorzien van een urenspecificatie gebeurt, een aanvraag om extra te vergoeden uren rechtsbijstand kan worden ingediend, indien de tijdsbesteding bij de verlening van rechtsbijstand aan de hoofdcliënt en de meegereisden van een verknocht verband uitgaat boven de grens, genoemd in artikel 13, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 5a, zesde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, en zich een omvangrijk juridisch relevant feitencomplex voordoet, waardoor niet verwacht kan worden dat alle rechtsbijstand binnen de forfaitaire grens verleend kan worden.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann    w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2013

18-686.