Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9238

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
201111463/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 2011 heeft het college het wijzigingsplan "Waterrijk-West 2011" en het exploitatieplan "Boskoop Waterrijk-West" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.6
Crisis- en herstelwet
Crisis- en herstelwet 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2013/54 met annotatie van E.J. van Baardewijk
JOM 2013/291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111463/1/R4.

Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Boskoop,

2.    [appellant sub 2], wonend te Boskoop,

en

het college van burgemeester en wethouders van Boskoop,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2011 heeft het college het wijzigingsplan "Waterrijk-West 2011" en het exploitatieplan "Boskoop Waterrijk-West" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2012, waar [appellant sub 1] en anderen, bijgestaan door mr. A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te Den Haag, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. C.J.A. Boere, advocaat te Alphen aan den Rijn, en het college, vertegenwoordigd door J.F. Schutte, ir. H.E.M. van Vliet en G. van Mossevelde, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting Waterrijk Boskoop B.V. en [belanghebbende], beide vertegenwoordigd door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

Het wijzigingsplan

1.    Het wijzigingsplan is gebaseerd op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in samenhang gezien met artikel 30, lid 30.2, aanhef en onder m, n en o van de regels van het bestemmingsplan "Boskoop-Dorp" en voorziet in de wijziging van de bestemmingen van de percelen gelegen in het gebied Waterrijk-West, dat is gelegen tussen de Boezemlaan, Wilhelminalaan, Pomonapad en Voorofscheweg te Boskoop. De bestemmingen van deze percelen worden gewijzigd van "Agrarisch" en "Water" in de bestemmingen "Groen", "Maatschappelijk", "Verkeer", "Water" en "Wonen" om de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk Waterrijk-West mogelijk te maken.

Het wijzigingsplan maakt de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied mogelijk, zodat op grond van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang gelezen met categorie 3., onder 3.1., van bijlage I van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), zoals deze categorie luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is op het plan.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen

Wijzigingsbevoegdheid

2.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Boskoop-Dorp" bij uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2011 in zaak nr. 200903646/1/R1 is vernietigd. Volgens [appellant sub 1] en anderen dient eerst een nieuw bestemmingsplan te worden vastgesteld alvorens een wijzigingsplan kan worden vastgesteld.

2.1.    De Afdeling heeft bij uitspraak van 2 februari 2011 in zaak nr. 200903646/1/R1 het besluit van de raad van de gemeente Boskoop van 26 februari 2009 waarbij het bestemmingsplan "Boskoop-Dorp" is vastgesteld, vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" en de aanduiding "wijzigingsgebied 13" voor het gedeelte van de percelen Boezemlaan 9 tot en met 35 dat is opgenomen in het voorontwerp van het bestemmingsplan "Actualisatie Boskoop Dorp 2010" en zoals aangeduid op de bij die uitspraak behorende kaart, alsmede voor zover het betreft artikel 30, lid 30.2, aanhef en onder q, van de planregels. Het wijzigingsplan heeft blijkens de verbeelding geen betrekking op het bovengenoemde plandeel en is zoals onder 1. is overwogen gebaseerd op artikel 30, lid 30.2, aanhef en onder m, n en o, en niet op artikel 30, lid 30.2, aanhef en onder q, van de regels van het bestemmingsplan "Boskoop-Dorp". Het betoog faalt.

Beleid en stedenbouwkundige inpassing

3.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat het wijzigingsplan in strijd is met het beleid zoals vastgelegd in het Structuurplan Boskoop 2015, waarin als één van de vier speerpunten het koesteren van de karakteristieken van Boskoop wordt genoemd. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat het plan niet in overeenstemming is met het karakter van de verkavelingpatronen in Boskoop, het aantal sloten dat juist karakteristiek is voor Boskoop vermindert van 12 naar 7, doorsteken en zichtlijnen ontbreken, geen rekening is gehouden met voorzieningen voor groen en recreatie en het plan niet past in de omgeving. Tevens voeren zij aan dat ten onrechte ter hoogte van hun woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Boskoop vier nieuwbouwwoningen niet in een rechte lijn staan zoals de andere woningen in het wijzigingsplan. In dit verband wijzen zij op het rapport van 5 december 2011 van Architectenmaatschap Scala. Met het dorpse karakter en de omvang van Boskoop is dan ook geen rekening gehouden, aldus [appellant sub 1] en anderen. Volgens [appellant sub 1] en anderen dient de stedenbouwkundige invulling overeen te komen met die van Waterrijk-Oost.

3.1.    In het Structuurplan Boskoop 2015 is als speerpunt vermeld het koesteren van de karakteristieken van Boskoop. Dit houdt in dat ontwikkeling plaatsvindt met als uitgangspunt de karakteristieke verkavelingspatronen en structuur van sloten, wegen en bebouwing. De structuren en patronen vormen de basis voor nieuwe ontwikkelingen. Daarbij zijn belangrijke uitgangspunten voor nieuwe stedenbouwkundige plannen: het behoud van het groene en kleinschalige karakter van Boskoop, inpassing van het open water en de slagenverkaveling in de woonwijken, doorzichten vanuit de woonwijken op de kwekerijen en beheersing van de kosten, die het gevolg zijn van de slappe veenbodem.

3.2.    In de toelichting op het wijzigingsplan is vermeld dat Boskoop zich kenmerkt door een fijnmazig stelsel van sloten, die de langgerekte coupes (de verkavelingsrichting: slagen) van elkaar scheidt. Het Stedenbouwkundig Plan van 29 juni 2010, waarin de stedenbouwkundige inpassing van het wijzigingsplan is uitgewerkt, borduurt voort op de slagenverkaveling die eigen is aan het veenweidelandschap. De slagen blijven prominent in het plan aanwezig, als lange zichtlijnen over het water of als secundaire ontsluitingsstraat. Ze zijn herkenbaar door lange bomenlanen. Daarnaast is in de toelichting op het wijzigingsplan vermeld dat het landschappelijke karakter van de openbare oevers wordt versterkt door de toepassing van natuurlijk ingerichte eilandjes die in het water uitsteken. De omstandigheid dat elk eilandje een eigen palet aan woningtypes heeft, benadrukt volgens de plantoelichting het dorpse karakter. Voorts bevindt zich in het plan een reeks van bijzondere en groene plekken, aldus de toelichting op het wijzigingsplan. Uit de verbeelding volgt waar die plekken kunnen worden gerealiseerd.

Voor zover [appellant sub 1] en anderen aanvoeren dat vier nieuwbouwwoningen ter hoogte van hun woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Boskoop verspringen in afwijking van de andere woningen in het wijzigingsplan, volgt uit het Stedenbouwkundig Plan dat alle bouwblokken verspringen, hetgeen het wijzigingsplan mogelijk maakt. Volgens het Stedenbouwkundig Programma van Eisen van 1 juni 2008, dat als basis heeft gediend voor het Stedenbouwkundig Plan, moet bij de rijwoningen worden voorkomen dat een monotoon beeld ontstaat door bijvoorbeeld verspringingen in de gevel of een duidelijke breuk op te nemen. Volgens het college is dit vertaald in het Beeldkwaliteitsplan en de Welstandscriteria die op 16 september 2010 zijn vastgesteld. Daar is volgens het college vermeld dat in elke oost-weststraat verschillende bouwblokken elkaar afwisselen voor wat betreft de breedtemaat van de gevel aan de straat en dat in hoofdzaak de bouwblokken maximaal 5 woningen breed zijn.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in lijn is met het beleid in het Structuurplan Boskoop 2015 en dat dit beleid niet inhoudt dat de stedenbouwkundige inpassing volledig dient overeen te komen met die van Waterrijk-Oost.

Woningbehoefte

4.    [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat geen behoefte bestaat aan de woningen in Waterrijk-West. Daartoe voeren zij aan dat het migratiesaldo in Boskoop al jarenlang nul is, recentelijk veel nieuwbouw in Boskoop is gerealiseerd en door de economische crisis woningen niet meer worden verkocht. Volgens [appellant sub 1] en anderen heeft het college ten onrechte geen actueel onderzoek verricht naar de behoefte aan woningen.

4.1.    In het Structuurplan Boskoop 2015 is als kernpunt voor de ruimtelijke ontwikkeling van Boskoop vermeld het vernieuwend bouwen voor de lokale vraag. In dit structuurplan wordt overeenkomstig het migratiesaldo, dat in Boskoop nul is, een woningbouwopgave van 1250 woningen tot het jaar 2015 gesteld. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze woningbouwopgave niet reëel zou zijn. Waterrijk-West is in dit structuurplan vermeld als inbreidingslocatie waar per hectare indicatief 25 woningen kunnen worden gebouwd. In de Ontwikkelingsstrategie van de gemeente Boskoop van 20 december 2007 is dit verder uitgewerkt. Het wijzigingsplan voorziet derhalve in een gedeelte van de woningbouwopgave in Boskoop. Gelet hierop heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat behoefte bestaat aan het aantal woningen waarin het wijzigingsplan voorziet. Hetgeen [appellant sub 1] en anderen aanvoeren over de huidige economische situatie, doet aan het voorgaande niet af, reeds omdat het plan zich uitstrekt over een langere periode. Overigens heeft het college ter zitting gesteld dat inmiddels een omgevingsvergunning voor het bouwen van 113 woningen is verleend.

Uitzicht, privacy en lichtinval

5.    [appellant sub 1] en anderen vrezen voor een beperking van het uitzicht, privacyvermindering en vermindering van de lichtinval ter plaatse van hun woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Boskoop. Volgens hen heeft het college ten onrechte geen onderzoek hiernaar verricht. In dit verband wijzen [appellant sub 1] en anderen op de ligging van de woningen en de stand van de zon.

5.1.    Uit de verbeelding volgt dat de afstand van het bouwvlak van de voorziene woningen tot aan de woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Boskoop minimaal 21 m is. Voorts volgt uit de verbeelding dat de maximale bouwhoogte van de nieuwe woningen 9 m bedraagt. Gelet op deze afstand alsmede bouwhoogte acht de Afdeling niet aannemelijk dat de voorziene woningen zullen leiden tot een onevenredige aantasting van het uitzicht uit de woningen van [appellant sub 1] en anderen. Voorts acht de Afdeling gelet hierop niet aannemelijk dat de privacy van [appellant sub 1] en anderen onevenredig wordt aangetast en dat een ernstige vermindering van lichtinval zal optreden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het algemeen geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht en dat de woningen van [appellant sub 1] en anderen zijn gelegen in een woonwijk.

Verkeershinder

6.    [appellant sub 1] en anderen vrezen voor verkeershinder door de toename van het wegverkeer op de Boezemlaan te Boskoop als gevolg van de ontsluiting van Waterrijk-West in westelijke richting via deze weg. Volgens [appellant sub 1] en anderen is ten onrechte geen verkeersonderzoek verricht.

6.1.    Ter zitting heeft het college uiteengezet dat het aspect verkeer is beoordeeld bij het Stedenbouwkundig Plan en dat de relevante verkeerskundige aspecten van Waterrijk-West alsnog in bijlage 1 van de Nota van behandeling van de zienswijzen zijn opgenomen. In bijlage 1 van de Nota van behandeling van de zienswijzen is vermeld dat Waterrijk-West in westelijke richting wordt ontsloten via onder meer de Boezemlaan. Volgens de in deze bijlage opgenomen tabel is de verkeersprognose voor de Boezemlaan in 2020, 7.557 motorvoertuigen per etmaal. Daarbij is voor de omrekening van de spitsintensiteit naar de etmaalintensiteit een vermenigvuldigingsfactor 11 realistischer geacht dan een vermenigvuldigingsfactor 10, omdat er in Boskoop veel bedrijven zijn die buiten de spits voor verkeersdrukte zorgen. Uit de verkeersprognose blijkt dat de capaciteit van de Boezemlaan voldoende is om het verkeer op een goede wijze af te wikkelen, aldus bijlage 1 van de Nota van behandeling van de zienswijzen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat voor gebiedsontsluitingswegen een dergelijke etmaalintensiteit gebruikelijk en aanvaardbaar wordt geacht. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat niettemin verkeershinder zal optreden. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet voor onaanvaardbare verkeershinder op de Boezemlaan te Boskoop behoeft te worden gevreesd.

Parkeren

7.    [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat niet duidelijk is of aan de parkeernormen wordt voldaan.

7.1.    Volgens de toelichting op het wijzigingsplan heeft het college, op grond van het Stedenbouwkundig Programma van Eisen van 1 juni 2008 van de gemeente Boskoop, voor de bepaling van de parkeerbehoefte voor de bestemmingen "Wonen" en "Maatschappelijk" aansluiting gezocht bij de parkeerkencijfers uit de ‘Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom’ uit 2004 van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in Grond-, Water- en Wegenbouw en Verkeerstechniek (hierna: CROW). Uit het Stedenbouwkundig Programma van Eisen alsmede het verhandelde ter zitting volgt dat het college een maximum parkeernorm voor zeer dure en dure woningen van 2,2 parkeerplaats per woning heeft gehanteerd, voor middeldure woningen van 1,9 parkeerplaats per woning, voor goedkope woningen van 1,7 parkeerplaats per woning, voor serviceflats/aanleunwoningen van 0,6 parkeerplaats per woning en voor parkeren van bezoekers van 0,3 parkeerplaats per woning. Voor de ter plaatse van de bestemming "Maatschappelijk" te realiseren brede school met 30 leslokalen wordt volgens de ‘Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom’ uit 2004 van het CROW uitgegaan van een maximum parkeernorm van 1 parkeerplaats per leslokaal. In het Stedenbouwkundig Plan is dit vertaald naar een parkeerbalans, aldus de toelichting op het wijzigingsplan. Volgens de parkeerbalans zijn 989 parkeerplaatsen voor het wijzigingsplan benodigd. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen aanvoeren ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de parkeerbalans niet aan de gehanteerde parkeernormen voldoet.

Luchtkwaliteit

8.    [appellant sub 1] en anderen vrezen dat de luchtkwaliteit zal verslechteren door de toename van het autoverkeer op de Boezemlaan te Boskoop als gevolg van de ontsluiting van Waterrijk-West in westelijke richting via deze weg. Volgens hen is ten onrechte geen rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

8.1.    Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in haar uitspraak van 2 februari 2011 (zaak nr. 200903646/1/R1) over het bestemmingsplan "Boskoop-Dorp", volgt uit het ‘Omgevingsonderzoek, deel B: Ontwikkelingslocaties’ van juni 2008 van de Milieudienst Midden-Holland behorende bij het bestemmingsplan "Boskoop-Dorp" dat de berekende jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 in 2008, 2010 en 2020 voldoen aan de in de Wet milieubeheer neergelegde normen en dat de maximale vierentwintig-uurgemiddelde concentratie voor PM10  maximaal 26 keer per jaar wordt overschreden, waarmee wordt voldaan aan het maximum van 35 overschrijdingsdagen.

Conclusie

9.    In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

Terinzagelegging

10.    [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte het Stedenbouwkundige Programma van Eisen van 1 juni 2008 en het Stedenbouwkundig Plan van 29 juni 2010 niet bij het ontwerpwijzigingsplan ter inzage hebben gelegen.

10.1.    Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Chw, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan, voor zover hier van belang, een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het beroep beslist, in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

10.2.    Volgens het college is op basis van het Stedenbouwkundig Programma van Eisen het Stedenbouwkundig Plan opgesteld, dat op zijn beurt de basis is geweest voor het wijzigingsplan. Het Stedenbouwkundig Programma van Eisen is volgens de toelichting op het wijzigingsplan onder meer gehanteerd ten aanzien van de parkeernormen. Naar het oordeel van de Afdeling betreffen het Stedenbouwkundig Programma van Eisen en het Stedenbouwkundig Plan dan ook op het ontwerpwijzigingsplan betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling daarvan, zodat deze stukken met het ontwerpwijzigingsplan ter inzage hadden moeten worden gelegd. Nu alleen de parkeerbalans van het Stedenbouwkundig Plan met het ontwerpwijzigingsplan ter inzage heeft gelegen, is niet aan de verplichting tot terinzagelegging voldaan.

De Afdeling ziet echter geen aanleiding om het besluit waarbij het wijzigingsplan is vastgesteld te vernietigen, nu aannemelijk is dat belanghebbenden door deze schending van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb niet zijn benadeeld. Daartoe overweegt de Afdeling dat het Stedenbouwkundig Programma van Eisen en het Stedenbouwkundig Plan zijn vermeld in de toelichting op het ontwerpplan. [appellant sub 2] had de stukken gedurende de terinzagelegging van het ontwerp kunnen opvragen en kunnen verkrijgen, opdat hij deze kon betrekken bij zijn zienswijze, of had het gebrek in een zienswijze over het ontwerp van het plan aan de orde kunnen stellen. Niet aannemelijk is dat eventuele andere belanghebbenden hebben afgezien van het naar voren brengen van een zienswijze omdat de stukken niet ter inzage zijn gelegd. Aangenomen mag worden dat deze eventuele andere belanghebbenden een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht waarin zij zouden hebben gewezen op het niet ter inzage liggen van de stukken, dan wel dat zij, na desgevraagd inzage te hebben gekregen in de stukken, na kennisneming daarvan een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding de schending van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb te passeren met toepassing van artikel 1.5, eerste lid, van de Chw.

Behandeling zienswijze

11.    [appellant sub 2] betoogt dat het college zijn zienswijze op onjuiste en onvolledige wijze heeft samengevat en onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd.

11.1.    Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat het college de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Onderbouwing bestemmingen

12.    [appellant sub 2] voert aan dat een ruimtelijke onderbouwing voor het toekennen van de bestemmingen "Groen" en "Maatschappelijk" aan de gronden nabij zijn woning aan de [locatie 3] te Boskoop ontbreekt.

12.1.    Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

Het college heeft in zijn verweerschrift vermeld dat de inpasbaarheid van de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Groen" in een woonomgeving evident is. De bestemming "Maatschappelijk" voorziet in de behoefte aan maatschappelijke voorzieningen in een woonwijk en de bestemming "Groen" draagt bij aan de belevingswaarde van de woonwijk en biedt ruimte aan speelvoorzieningen in de directe omgeving van de woningen, aldus het college. Volgens het college is het voorzien in onderwijsfuncties in de nabijheid van woningen planologisch gewenst, zodat kinderen geen grote afstand hoeven te overbruggen. Voorts heeft het college in het verweerschrift vermeld dat het perceel waaraan de bestemming "Maatschappelijk" is toegekend voortvloeit uit het Stedenbouwkundig Programma van Eisen. In het Stedenbouwkundig Programma van Eisen is weergegeven waar de school gerealiseerd dient te worden en dat 15% van het plangebied oostelijk van de overgangszone dient te worden ingericht als groengebied. De Afdeling overweegt dat gelet hierop geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat een ruimtelijke onderbouwing voor het toekennen van de bestemmingen "Groen" en "Maatschappelijk" aan de gronden nabij de woning aan de [locatie 3] te Boskoop ontbreekt.

Invulling bestemmingen

13.    [appellant sub 2] voert aan dat het wijzigingsplan onvoldoende concreet is ten aanzien van de toegekende bestemmingen "Groen" en "Maatschappelijk" aan de gronden nabij zijn woning aan de [locatie 3] te Boskoop. Daartoe wijst hij op de verschillende mogelijkheden van invulling van de bestemmingen.

13.1.    Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de regels van het wijzigingsplan zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting;

b. nutsvoorzieningen;

c. paden, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding;

met dien verstande dat:

d. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - zwarte pad’:

1. een groene gebruikszone is toegestaan bestaande uit een park met daarbij school- en natuureducatieve voorzieningen, schooltuintjes en daarmee naar aard en omvang vergelijkbare functies alsmede daaraan ondergeschikte horeca in lichte vorm;

2. scouting;

3. volkstuinen voor zover deze aanwezig waren op het moment van ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan;

4. bestaande tuindersbedrijven voor zover deze zijn aangeduid op de kaart als opgenomen in bijlage 3 van deze planregels;

e. ter plaatse van de aanduiding ‘kinderboerderij’ dierenverblijven en een kinderboerderij;

f. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - scouting’ een scoutingterrein;

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen, parkeervoorzieningen en met inachtneming van de keur van het waterschap.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor:

a. maatschappelijke voorzieningen;

b. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - scouting’ voor een scoutingterrein;

c. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ voor een bedrijfswoning;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

13.2.    In artikel 3 onderscheidenlijk artikel 4 van de regels van het wijzigingsplan is bepaald voor welke functies de bestemmingen "Groen" en "Maatschappelijk" zijn bedoeld. Dat het college heeft gekozen voor globale bestemmingen en dat de exacte invulling van de bestemmingen niet in het wijzigingsplan is vastgelegd, acht de Afdeling gelet op de aard en omvang van de ontwikkelingen die binnen de bestemmingen "Groen" en "Maatschappelijk" zijn toegelaten, niet onredelijk. Deze wijze van bestemmen is niet ongebruikelijk en behoefde door het college niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening te worden geacht.

Bestemming "Maatschappelijk"

14.    [appellant sub 2] voert aan dat het college niet heeft onderzocht of behoefte bestaat aan een school ter plaatse van de bestemming "Maatschappelijk". In dit verband voert [appellant sub 2] aan dat de behoefte aan het in het plan opgenomen aantal woningen niet is verantwoord. Volgens hem is dan ook niet duidelijk of de bestemming binnen de planperiode kan worden gerealiseerd.

14.1.    Het college heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat de ambitie bestaat voor realisering van een tweede brede school. In december 2010 heeft de raad besloten om de ontwikkeling van de brede school mogelijk te maken. Uit het Integraal Huisvestingsplan van 2009 van de gemeente Boskoop bleek dat Waterrijk-West een goede locatie hiervoor is. Op 20 mei 2011 is een intentieovereenkomst gesloten en bij raadsbesluit is voorzien in de financiering van de nieuwbouw. Uit het verweerschrift alsmede het verhandelde ter zitting is gebleken dat het hier gaat om de samenvoeging van de gebouwen voor twee basisonderwijsinstellingen van VPCO (Immanuelschool) en SOPORA (OBS de Kievit en OBS de Populier). Volgens het college wordt beoogd om met de bouw van de school te starten in het eerste kwartaal van 2014. Gelet hierop alsmede gelet op hetgeen onder 4.1. is overwogen over de behoefte aan de realisering van de voorziene woonwijk heeft het college naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid ervan kunnen uitgaan dat behoefte bestaat aan een school in Waterrijk-West en dat de school binnen de planperiode kan worden gerealiseerd.

15.    [appellant sub 2] stelt dat door de nieuwbouw met een toegestane bouwhoogte van 15 m ter plaatse van de bestemming "Maatschappelijk" zijn vrije uitzicht zal worden aangetast. Volgens hem is ten onrechte niet onderzocht wat de gevolgen zijn van een gebouw met een hoogte van 15 m. Hij voert aan dat ten minste een stedenbouwkundig onderzoek en een bezonningsonderzoek hadden moeten worden verricht.

15.1.    Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder c, van de regels van het wijzigingsplan voldoen bedrijfsgebouwen en dienstwoningen aan de volgende kenmerken: bouwhoogte maximaal de op de plankaart aangegeven bouwhoogte.

Blijkens de verbeelding is op de als "Maatschappelijk" bestemde grond een maximale bouwhoogte van 15 m bij recht toegestaan.

15.2.    De Afdeling stelt voorop dat in zijn algemeenheid geen aanspraak op blijvend vrij uitzicht kan worden gemaakt.

Uit de verbeelding volgt dat de grond met de bestemming "Maatschappelijk" ten noordwesten van de woning aan de [locatie 3] te Boskoop is gelegen en dat de afstand van de woning tot de bestemming "Maatschappelijk" ten minste 34 m bedraagt. Voorts volgt uit de verbeelding dat deze bestemming door middel van een groenstrook wordt afgescheiden van de woning. Gelet op de hiervoor vermelde afstand, vermelde situering en de toegestane bouwhoogte heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het wijzigingsplan geen onaanvaardbare aantasting van het uitzicht van [appellant sub 2] tot gevolg heeft. Op grond hiervan heeft het college eveneens in redelijkheid kunnen afzien van een bezonningsonderzoek voor de woning van [appellant sub 2].

16.    [appellant sub 2] vreest geluidoverlast als gevolg van het komen en gaan van auto’s naar de parkeerplaats bij de school en als gevolg van spelende kinderen alsmede hangjongeren op het speelplein bij de school. In dit verband voert hij aan dat de parkeerplaats en het speelplein aan de zijde van zijn woning zullen worden gerealiseerd. [appellant sub 2] wijst op de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2009 in zaak nr. 200806534/1/R1 waar de Afdeling heeft overwogen dat het stemgeluid van spelende kinderen op het speelplein betrokken dient te worden bij de belangenafweging. Volgens hem is ten onrechte geen akoestisch onderzoek verricht.

16.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat, nu aan de afstandseis van de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: VNG-brochure) wordt voldaan, geen onaanvaardbare geluidoverlast zal ontstaan. Ten aanzien van de gevreesde geluidoverlast door hangjongeren merkt het college op dat dit aspect ziet op de handhaving van de openbare orde. Volgens het college zal de gemeente de noodzakelijke maatregelen treffen om de overlast tegen te gaan.

16.2.    De Afdeling overweegt dat in de VNG-brochure richtafstanden worden gegeven ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van milieufactoren, waaronder geluid, uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De VNG-brochure kan worden gebruikt bij de beoordeling van nieuwe situaties. Als uitgangspunt geldt dat de aangegeven indicatieve afstanden gemotiveerd kunnen worden toegepast.

Zoals de Afdeling heeft overwogen onder 15.2. volgt uit de verbeelding dat de afstand van de woning aan de [locatie 3] te Boskoop tot de bestemming "Maatschappelijk" ten minste 34 m bedraagt. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat wat betreft de school aan de richtafstand van 30 m tussen een school en een woning in een rustige woonwijk wordt voldaan. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat niettemin moet worden gevreesd voor een ernstige aantasting van zijn woon- en leefklimaat.

Voor zover [appellant sub 2] aanvoert geluidoverlast door hangjongeren te zullen ondervinden overweegt de Afdeling dat dit, wat hier verder ook van zij, een kwestie van handhaving van de openbare orde betreft die niet bij de beoordeling van het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan kan worden betrokken.

17.    [appellant sub 2] stelt dat de Boomgaard verstopt zal raken als gevolg van het halen en brengen van kinderen naar de school, waardoor verkeersonveilige situaties zullen ontstaan. Daartoe voert hij aan dat de Boomgaard een ontsluitingsweg is en dat door het aansluiten van de school op deze weg, de doorstroom van het verkeer zal worden gefrustreerd. Volgens hem is ten onrechte geen verkeersonderzoek verricht naar de gevolgen van het wijzigingsplan.

17.1.    Zoals onder 6.1. is overwogen heeft het college ter zitting uiteengezet dat het aspect verkeer is beoordeeld bij het Stedenbouwkundig Plan en dat de relevante verkeerskundige aspecten van Waterrijk-West alsnog in bijlage 1 van de Nota van behandeling van de zienswijzen zijn opgenomen. In bijlage 1 van de Nota van behandeling van de zienswijzen is vermeld dat Waterrijk-West wordt vormgegeven en ingericht overeenkomstig de landelijke aanbevelingen voor duurzaam veilig wegverkeer. Daartoe worden de straten binnen de bebouwde kom verdeeld in erftoegangswegen en gebiedsontsluitingswegen. Volgens bijlage 1 van de Nota van behandeling van de zienswijzen zal de Boomgaard, waar een maximum snelheid van 30 km/uur geldt, het plangebied ontsluiten in de noordelijke alsmede oostelijke richting. Ten behoeve van de noordelijke ontsluiting is een aansluiting van de Boomgaard voorzien op de weg Zijde Midden. Volgens de in bijlage 1 van de Nota van behandeling van de zienswijzen opgenomen tabel is de verkeersprognose voor de Zijde Midden in 2020, 13.387 motorvoertuigen per etmaal. Zoals onder 6.1. is overwogen is daarbij uitgegaan van een vermenigvuldigingsfactor 11. Het college heeft ter zitting toegelicht dat gelet op de verkeersprognose voor de Zijde Midden, de verkeersprognose voor de Boomgaard rond de 10.000 motorvoertuigen per etmaal zal bedragen. [appellant sub 2] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Het college acht voor gebiedsontsluitingswegen een dergelijke etmaalintensiteit gebruikelijk en aanvaardbaar. Gelet op de maximum snelheid en de verkeersprognose heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat door de aansluiting van de school op de Boomgaard niet voor onaanvaardbare verkeershinder op deze weg behoeft te worden gevreesd en dat dit evenmin zal leiden tot verkeersonveilige situaties.

18.    [appellant sub 2] betoogt dat met het aantal parkeerplaatsen zoals opgenomen in de parkeerbalans van het Stedenbouwkundig Plan, niet in de parkeerbehoefte van het wijzigingsplan wordt voorzien. Daartoe voert hij aan dat niet duidelijk is welke normen uit de ‘Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom’ uit 2004 van het CROW zijn toegepast en of van een minimum- of maximumnorm is uitgegaan. In dit verband vreest hij dat de parkeerdruk aan de Bellefleur te Boskoop zal toenemen nu de parkeerplaatsen aan de Bellefleur op korte afstand van de school zijn gelegen.

18.1.    Zoals onder 7.1. is overwogen, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen betogen geen aanleiding voor het oordeel dat de parkeerbalans niet in de parkeerbehoefte van het wijzigingsplan voorziet. [appellant sub 2] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het wijzigingsplan onvoldoende parkeerruimte mogelijk maakt.

Volgens de parkeerbalans bestaat een parkeerbehoefte van 28 parkeerplaatsen voor de school en worden deze parkeerplaatsen op het terrein van de school gerealiseerd. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit aantal onvoldoende is. Mede gelet hierop behoeft niet te worden gevreesd voor parkeerhinder aan de Bellefleur te Boskoop als gevolg van de voorziene school. Daarbij neemt de Afdeling nog in aanmerking dat de Bellefleur is gelegen in een andere wijk die door water is gescheiden van de school en die geen directe verbinding voor de auto heeft met de school.

19.    Voorts vreest [appellant sub 2] dat de luchtkwaliteit ter plaatse van zijn woning aan de [locatie 3] te Boskoop zal verslechteren als gevolg van het komen en gaan van auto’s naar de parkeerplaats bij de school.

19.1.    Zoals hiervoor onder 8.1. is overwogen komt uit onderzoek naar voren dat wordt voldaan aan de normen voor luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer.

Bestemming "Groen"

20.    [appellant sub 2] betoogt dat het college, gelet op zijn belang bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, ten onrechte aan het perceel ter hoogte van zijn woning aan de [locatie 3] te Boskoop de bestemming "Groen" heeft toegekend. Hij wijst op artikel 30, lid 30.3, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Boskoop-Dorp". Daartoe voert hij aan dat op dit perceel van 1.100 m2 speelvoorzieningen kunnen worden gerealiseerd. Het realiseren van speelvoorzieningen leidt volgens [appellant sub 2] tot onaanvaardbare geluidhinder. In dit verband vreest hij dat het perceel, nu is voorzien in een verbinding met gronden met de bestemming "Maatschappelijk", intensief door de school zal worden gebruikt, waardoor nog meer geluidhinder zal ontstaan. Volgens hem is ten onrechte geen akoestisch onderzoek verricht.

20.1.    Ingevolge artikel 30, lid 30.3, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Boskoop-Dorp" moet de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan zijn gewaarborgd, in verband waarmee in elk geval aangetoond moet worden dat de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder c, van de regels van het wijzigingsplan zijn de voor "Groen" aangewezen gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor speelvoorzieningen.

20.2.    Op het perceel ter hoogte van de woning aan de [locatie 3] te Boskoop met de bestemming "Groen" kunnen ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder c, van de regels van het wijzigingsplan speelvoorzieningen worden gerealiseerd. Ter zitting heeft het college uiteengezet dat eerst in het kader van de omgevingsvergunningen in overleg met de bewoners zal worden bepaald ter plaatse van welke gronden met de bestemming "Groen" daadwerkelijk speelvoorzieningen zullen worden gerealiseerd.

Volgens het Stedenbouwkundig Plan zal een brug tussen de gronden met de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Groen" ter hoogte van de woning aan de [locatie 3] te Boskoop worden aangelegd. De Afdeling acht niet uitgesloten dat de kinderen van de school tevens gebruik zullen maken van het desbetreffende perceel met speelvoorzieningen. Zoals onder 16.2. is overwogen, worden in de VNG-brochure richtafstanden gegeven ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van milieufactoren, waaronder geluid, uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De VNG-brochure kan worden gebruikt bij de beoordeling van nieuwe situaties. Als uitgangspunt geldt dat de aangegeven indicatieve afstanden gemotiveerd kunnen worden toegepast.

Uit de verbeelding volgt dat de afstand van de woning aan de [locatie 3] te Boskoop tot de bestemming "Groen" ten minste 32 m bedraagt. Gelet hierop wordt aan de richtafstand van 30 m tussen een school en een woning in een rustige woonwijk, waarbij aansluiting kan worden gezocht voor de grond met speelvoorzieningen naast de school, voldaan. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat niettemin moet worden gevreesd voor een ernstige aantasting van zijn woon- en leefklimaat.

Conclusie

21.    In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het exploitatieplan

22.    [appellant sub 1] en anderen kunnen zich niet verenigen met de fasering van de bouwplannen. Volgens [appellant sub 1] en anderen dient gelet op de nadelige gevolgen voor hun woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Boskoop, als laatste te worden gestart met de nieuwbouw tegenover hun woningen.

22.1.    In het exploitatieplan is een fasering opgenomen. Uit de fasering volgt dat gestart zal worden met de nieuwbouw tegenover de woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Boskoop. Volgens het exploitatieplan is de fasering afgestemd op de ontsluitingsmogelijkheden voor bouwverkeer en nutsvoorzieningen. Voorts heeft het college ter zitting toegelicht dat de gronden waarop met de nieuwbouw zal worden gestart al in eigendom van de gemeente zijn en dat nog niet alle andere gronden in het exploitatiegebied door de gemeente zijn verworven. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen aanvoeren ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college gehouden was een andere fasering in het exploitatieplan op te nemen.

23.    In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd met betrekking tot het exploitatieplan ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college het exploitatieplan heeft vastgesteld in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

24.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen    w.g. Van Steenbergen

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2013

528-625.