Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9229

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
201204844/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2012:BW0235, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 februari 2011 heeft de raad een verzoek van [appellante] om een toevoeging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204844/1/A2.

Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 29 maart 2012 in zaak nr. 11/1260 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2011 heeft de raad een verzoek van [appellante] om een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 28 april 2011 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 maart 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. Keijzer, advocaat te Emmen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W.C.M. Smits, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

    Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder rechtsbijstand verstaan: rechtskundige bijstand aan een rechtzoekende ter zake van een rechtsbelang dat hem rechtstreeks en individueel aangaat, voor zover in deze wet en de daarop berustende bepalingen geregeld.

    Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, kan de raad de toevoeging weigeren indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging.

    Ingevolge artikel 32 geldt de toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: het Brt) wordt in dit besluit verstaan onder belang: het belang voor de behartiging waarvan de rechtzoekende rechtsbijstand verzoekt voorzover dat belang hem rechtstreeks en individueel aangaat.

2.    De aanvraag van [appellante] om toevoeging ziet op rechtsbijstand door een advocaat voor het starten van een procedure bij de kantonrechter tegen wooncorporatie Lefier (hierna: Lefier), omdat deze weigert maatregelen te nemen tegen stankoverlast en tocht in de woning die [appellante] en haar echtgenoot van Lefier huren. De echtgenoot van [appellante] heeft eveneens een aanvraag om een toevoeging gedaan. De raad heeft deze aanvraag bij besluit van 10 februari 2011 ingewilligd.

    De raad heeft aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag van [appellante] ten grondslag gelegd dat die betrekking heeft op hetzelfde rechtsbelang als waarvoor reeds aan haar echtgenoot een toevoeging is afgegeven.

    De rechtbank heeft dit standpunt gevolgd, onder de overweging dat de tekst van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb zich er niet tegen verzet dat een aanvraag om toevoeging van de ene levenspartner wordt afgewezen op grond van het verstrekken van een toevoeging aan de andere levenspartner.

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij, gelet op de definitie van rechtsbijstand in artikel 1, eerste lid, van de Wrb en de definitie van belang in artikel 1, aanhef en onder b, van het Brt, een eigen rechtsbelang heeft dat niet kan worden gelijkgesteld met dat van haar echtgenoot. Volgens haar ziet een aanvraag om een toevoeging, alsmede het besluit daarop, uitsluitend op het rechtsbelang van de aanvrager. Gelet daarop kan het rechtsbelang van de ene rechtzoekende niet worden gelijkgesteld met dat van een andere rechtzoekende, ook niet als zij zich allebei met dezelfde feiten geconfronteerd zien en hetzelfde resultaat nastreven. De raad heeft haar aanvraag dan ook ten onrechte afgewezen, aldus [appellante]. Verder heeft de rechtbank volgens haar miskend dat de weigering van de toevoeging tot gevolg heeft dat zij geen vrije advocaatkeuze meer heeft, maar is aangewezen op een raadsman naar keuze van haar echtgenoot.

3.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 augustus 2012 in zaak nr. 201113281/1/A2), volgt uit de artikelen 28, eerste lid, aanhef en onder b, en 32 van de Wrb, in onderlinge samenhang gelezen, dat, indien sprake is van verschillende rechtsbelangen ter zake waarvan rechtsbijstand wordt gevraagd, in beginsel meer toevoegingen moeten worden verstrekt. Als sprake is van één rechtsbelang kan met één toevoeging worden volstaan, tenzij sprake is van verschillende procedures dan wel van één procedure waarin sprake is van meer dan één instantie als bedoeld in artikel 32 van de Wrb. Indien het verschillende procedures betreft, wordt aan de laatste uitzondering niet meer toegekomen. Van verschillende procedures is geen sprake indien beide procedures wat betreft het onderwerp van geschil en het daaraan ten grondslag liggende feitencomplex identiek of vrijwel identiek zijn.

3.2.    Zoals volgt uit de hiervoor vermelde uitspraak van 29 augustus 2012, kan, ook indien sprake is van verschillende rechtssubjecten, zich de situatie voordoen dat bij een aanvraag om toevoeging niet kan worden gesproken van een ten opzichte van een reeds verleende toevoeging zelfstandig rechtsbelang. Hoewel [appellante] terecht betoogt dat zij een individueel en rechtstreeks belang heeft bij het verkrijgen van rechtsbijstand, betekent dit niet dat zij een zelfstandig, van dat van haar echtgenoot te onderscheiden rechtsbelang heeft, waarvoor afzonderlijk een toevoeging moet worden verleend. Zowel [appellante] als haar echtgenoot beogen te bewerkstelligen dat de kantonrechter Lefier opdraagt maatregelen te nemen teneinde de overlast in de huurwoning als gevolg van stank en tocht te verhelpen. Gelet hierop is hun rechtsbelang naar aard en gevolg hetzelfde en is er geen reden om daarvoor aan beide echtgenoten afzonderlijke toevoegingen te verlenen.

    Voorts kan niet van verschillende procedures worden gesproken, reeds omdat de gemachtigde van [appellante] ter zitting heeft verklaard voornemens te zijn namens [appellante] en haar echtgenoot één procedure bij de kantonrechter te starten tegen Lefier. Van één procedure die ziet op meer dan één instantie is evenmin sprake.

    Het betoog van [appellante] dat zij door de besluitvorming van de raad is beperkt in haar keuze voor een advocaat, brengt evenmin met zich dat de raad [appellante] en haar echtgenoot afzonderlijke toevoegingen had moeten verlenen, reeds omdat [appellante] voor dezelfde raadsman als haar echtgenoot heeft gekozen en derhalve niet in haar keuze is beperkt. Ook indien [appellante] haar keuze op een andere raadsman had laten vallen, kan het betoog niet slagen, omdat ervan mag worden uitgegaan dat echtgenoten, die met een wooncorporatie een geschil hebben over de woning die zij huren, in onderling overleg een raadsman kiezen.

    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de raad de aanvraag van [appellante] om een toevoeging terecht heeft afgewezen.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann    w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2013

18-686.