Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9228

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
201204672/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:1362, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2010 heeft het dagelijks bestuur aan Woonstad ontheffing verleend voor het wijzigen van het gebruik van de kelder, het souterrain, de begane grond en de eerste verdieping van het pand Vlietlaan 52 en 56 (lees: 52, 56 en 52b1) te Rotterdam (hierna: het pand) van winkel in horeca.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204672/1/A1.

Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    de stichting Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam,

2.    [appellant sub 2], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2012 in zaak nr. 10/1476 in het geding tussen:

[appellant sub 2] en [wederpartij]

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2010 heeft het dagelijks bestuur aan Woonstad ontheffing verleend voor het wijzigen van het gebruik van de kelder, het souterrain, de begane grond en de eerste verdieping van het pand Vlietlaan 52 en 56 (lees: 52, 56 en 52b1) te Rotterdam (hierna: het pand) van winkel in horeca.

Bij uitspraak van 22 maart 2012 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 11 maart 2010 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Woonstad en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur, Woonstad en [appellant sub 2] hebben verweerschriften ingediend.

Woonstad en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2012, waar Woonstad, vertegenwoordigd door drs. P. Kouwen, mr. P. Mulder, J. Roijers en mr. I.J.M.I Souren, advocaat te Rotterdam, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. R.S. Wijling, advocaat te Rotterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M. de Weger, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [wederpartij], eveneens bijgestaan door mr. R.S. Wijling, advocaat te Rotterdam, verschenen.

    Overwegingen

1.    Het bouwplan heeft blijkens de ter zitting door het dagelijks bestuur gegeven toelichting, waarbij het heeft gewezen op de samenhang tussen de aanvraag om ontheffing, de plattegronden en de bouwtekeningen, betrekking op de huisnummers 52, 56 en 52b1 van het pand. Dat in verschillende stukken, waaronder het besluit van 11 maart 2010, verschillende huisnummers worden genoemd, berust op een kennelijke verschrijving.

2.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van, mag en moet de reguliere bouwvergunning slechts worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan.    

    Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning die overeenkomstig artikel 56a, eerste lid, in twee fasen wordt aangevraagd: telkens binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.

    Ingevolge het derde lid, onder a, is het eerste lid niet van toepassing, indien de in artikel 44, eerste lid, onder c of f, bedoelde situatie zich voordoet. In dat geval wordt de aanvraag om bouwvergunning tevens aangemerkt als een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

    Ingevolge het vierde lid wordt in de situatie, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning voorbereid overeenkomstig de procedure die van toepassing is op de voorbereiding van de beslissing omtrent de aanvraag om een ontheffing. Daarbij beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om bouwvergunning, voor zover van toepassing in afwijking van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), binnen vier weken nadat is beslist omtrent de aanvraag om een ontheffing.

    Ingevolge het zesde lid worden de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning en een beslissing omtrent een aanvraag om ontheffing, voor zover deze beslissing ziet op het bouwen waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb als één besluit aangemerkt. De beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning treedt niet eerder in werking dan een op dat bouwen betrekking hebbende beslissing krachtens de Wro als bedoeld in de eerste volzin.

3.     Het pand heeft ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Crooswijk Zuid-Jaffa" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Winkels waarboven woningen". Vast staat dat het gebruik van een deel van het pand ten behoeve van horecadoeleinden in strijd is met het bestemmingsplan. Met het besluit van 11 maart 2010 is beoogd het gebruik ten behoeve van horecadoeleinden mogelijk te maken.

4.    Woonstad betoogt dat de rechtbank het beroep van [appellant sub 2] en [wederpartij] ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert zij aan dat artikel 46, derde en vierde lid, van de Woningwet, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, alleen van toepassing is als eerst een bouwvergunning wordt aangevraagd en vervolgens blijkt dat een ontheffing nodig is. Dat is niet het geval geweest, aldus Woonstad. Bovendien heeft [appellant sub 2], naar Woonstad stelt, geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep, omdat geen bezwaar of beroep is ingesteld tegen de inmiddels verleende bouwvergunning. Volgens Woonstad vloeit uit artikel 46, zesde lid, van de Woningwet voort dat tegen een ontheffing die een bouwplan mogelijk maakt, pas beroep kan worden ingesteld op het moment dat de bouwvergunning is verleend, zodat, nu de bouwvergunning niet meer appellabel is, de verleende ontheffing evenmin nog appellabel is.

    Ook [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert daartoe aan dat de aanvraag om bouwvergunning is gedaan hangende de behandeling van de aanvraag om ontheffing. Ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet had in dat geval een concentratie van rechtsbescherming moeten plaatsvinden, hetgeen volgens [appellant sub 2] betekent dat de aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb had moeten worden gepubliceerd en ter inzage had moeten worden gelegd. Nu dat niet is gebeurd, is de bouwvergunning nooit op juiste wijze gepubliceerd en is de bezwaartermijn (lees: beroepstermijn) nooit aangevangen, aldus [appellant sub 2].

4.1.    Het betoog van Woonstad slaagt. Ter zitting is vastgesteld dat ten behoeve van het gebruik van het pand voor horecadoeleinden constructieve ingrepen en bouwkundige wijzigingen noodzakelijk zijn. Woonstad heeft daartoe op 9 juli 2009 een verzoek om gebruikswijziging van het pand op het perceel ingediend en op 14 december 2009 een aanvraag om bouwvergunning voor het (gedeeltelijk) veranderen van het pand op het perceel. De ontheffing is verleend op 11 maart 2010 en de bouwvergunning op 29 juni 2010. Ter zitting heeft [appellant sub 2] verklaard dat hij op 11 mei 2011 op de hoogte is geraakt van de verlening van de bouwvergunning. Hij heeft eerst op 25 oktober 2011 bezwaar gemaakt tegen het besluit tot verlening van de bouwvergunning.

    De Afdeling stelt vast dat de ontheffing en de bouwvergunning ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Woningwet voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb als één besluit moeten worden aangemerkt. Daaruit volgt dat het besluit van 11 maart 2010 tot verlening van de ontheffing niet zelfstandig appellabel is, maar dat daartegen diende te worden opgekomen in het kader van de beslissing op de op 14 december 2009 ingediende aanvraag om bouwvergunning. Reeds hierom is het door [appellant sub 2] en [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

    De overige door Woonstad aangevoerde gronden behoeven geen bespreking.

5.    Het hoger beroep van Woonstad is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank het beroep van [appellant sub 2] en [wederpartij] niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De door [appellant sub 2] aangevoerde gronden, die hoofdzakelijk de procedure omtrent de bouwvergunning betreffen die thans niet bij de Afdeling voorligt, behoeven geen bespreking. Niettemin is ook het hoger beroep van [appellant sub 2] gegrond, omdat de rechtbank zijn beroep ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen, het beroep van [appellant sub 2] en [wederpartij] tegen het besluit van het dagelijks bestuur van 11 maart 2010 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7.    Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, zoals dit luidde ten tijde van belang, brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan Woonstad en aan [appellant sub 2] wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de hoger beroepen gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2012 in zaak nr. 10/1476;

III.    verklaart het door [appellant sub 2] en [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

IV.    gelast dat de secretaris van de Raad van State aan stichting Stichting Woonstad Rotterdam het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt;

V.    gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant sub 2] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Huijben

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2013

374-724.