Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9194

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
201201368/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2011 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201368/1/V6.

Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 januari 2012 in zaak nr. 11/5539 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2011 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 10 juni 2011 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 januari 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2012, waar [appellante], bijgestaan door mr. Y. Tamer, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, voor zover thans van belang, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, voor zover thans van belang, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die in de Nederlandse samenleving als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal, alsmede van de Nederlandse staatsinrichting en maatschappij, en hij zich ook overigens in de Nederlandse samenleving heeft doen opnemen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef, onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: het Besluit), voor zover thans van belang, verstrekt de verzoeker bij de indiening van een naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland en zijn nationaliteit.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) dient een verzoeker bij het verzoek een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen.  

De Handleiding vermeldt voorts dat een verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument dient over te leggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit dient niet alleen te geschieden in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig buitenlands reisdocument en houder is van een verblijfsvergunning asiel, of staatloos is, mag hij óf een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort overleggen. Is de verzoeker houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is), dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met ‘staatloos’ in de gemeentelijke basisadministratie is opgenomen. Dit geldt met ingang van 1 mei 2009 ook voor houders van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort), tenzij de hier bedoelde verzoeker op onderstaand beschreven wijze aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument.

Van het vereiste van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) is vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. In bewijsnood is een verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig buitenlands reisdocument. Indien een verzoeker voornoemde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument, aldus de Handleiding.

Verder is in de Handleiding vermeld dat van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat zij geen gelegaliseerde geboorteakte en geldig buitenlands reisdocument heeft overgelegd. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister niet gehouden was de door [appellante] overgelegde geboorteakte voor onderzoek door te sturen naar het Bureau Documenten, omdat het naturalisatieverzoek op verschillende gronden is afgewezen. Zij voert aan dat de rechtbank ten onrechte niet op haar betoog over de verschillende afwijzingsgronden is ingegaan.

2.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2012, in zaak nr. 201109300/1/V6), is de minister, wegens de aan het verlenen van het Nederlanderschap verbonden gevolgen, bevoegd op de daartoe geëigende wijze bewijs van de, ingevolge artikel 31, eerste lid, van het Besluit, bij een naturalisatieverzoek te verstrekken gegevens te verlangen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het beleid in de Handleiding niet onredelijk is en niet in strijd is met de bepalingen van de RWN en het Besluit.

[appellante] heeft geen geldig paspoort overgelegd. Weliswaar heeft zij een Iraaks paspoort uit de S-serie overgelegd, maar een dergelijk paspoort wordt sinds 17 november 2006 niet meer erkend in Nederland. Dat een dergelijk paspoort wel geldig is in Irak, doet hieraan niet af, nu het aan de minister is om te beoordelen of [appellante] met dat paspoort aan haar bewijslast heeft voldaan. De minister heeft die vraag negatief kunnen beantwoorden.

Voor zover [appellante] een beroep op bewijsnood heeft gedaan, faalt dit. Uit de verklaring van de ambassade van Irak van 21 februari 2011 blijkt slechts dat de behandeling van de aanvraag van een Iraaks paspoort van de G/A-serie tijdelijk is gestopt als gevolg van een verzoek van de desbetreffende autoriteiten in Irak. Uit deze verklaring kan niet worden afgeleid dat [appellante] door de autoriteiten in Irak niet meer in het bezit kan worden gesteld van een paspoort. Aangezien aan [appellante] niet een verblijfsvergunning is verleend als bedoeld in de artikelen 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000, doen zich geen asielgerelateerde gronden voor waarop van [appellante] niet gevergd kan worden naar haar land van herkomst te reizen om aldaar een paspoort te verkrijgen. [appellante] heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat zij al het mogelijke heeft gedaan om, zonodig met behulp van derden, in het bezit te komen van het vereiste reisdocument.

Reeds gelet op het vorenstaande heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de nationaliteit van [appellante] niet vast is komen te staan. Deze grond kan de afwijzing van het naturalisatieverzoek zelfstandig dragen.

Daargelaten de beantwoording van de vraag of door het overleggen van de geboorteakte de identiteit van [appellante] voldoende is komen vast te staan, is de rechtbank dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat de minister het naturalisatieverzoek terecht heeft afgewezen.

Het betoog faalt.

3.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen van [appellante] in de bezwaarfase kon worden afgezien.

3.1.    Een bestuursorgaan mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het horen afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.

3.2.    De minister heeft zich, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.1 is overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat aan de maatstaf bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is voldaan. Dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat [appellante] tijdens een hoorzitting wellicht alsnog nieuwe gezichtspunten te berde zou hebben gebracht, doet daaraan niet af, omdat de minister de beslissing om van het horen af te zien, neemt op basis van hetgeen in het bezwaarschrift naar voren is gebracht.

Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Groenendijk

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2013

164.