Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9193

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
201108638/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 april 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108638/1/A2.

Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Leersum, gemeente Utrechtse Heuvelrug (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 juli 2011 in zaak nr. 10/3862 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug.

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 4 oktober 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Woonzorg Nederland Projectontwikkeling B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2012, waar [appellante B], in persoon en bijgestaan door mr. P.I.M. Houniet, werkzaam bij DAS Nederlandse rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., en het college, vertegenwoordigd door G. Veenstra, werkzaam bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug, zijn verschenen. Tevens is verschenen Woonzorg Nederland, vertegenwoordigd door ir. P. Lubbers, werkzaam bij de vennootschap.

Bij tussenuitspraak van 1 augustus 2012 in zaak nr. 201108638/1/T1/A2 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling het college opgedragen binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek te herstellen en een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij beschikking van 4 oktober 2012 heeft de Afdeling op verzoek van het college de in de tussenuitspraak gestelde termijn verlengd tot 8 november 2012.

Bij besluit van 9 november 2012 heeft het college ter uitvoering van de tussenuitspraak opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant] en hem alsnog € 6.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente, ter tegemoetkoming in planschade toegekend.

Bij brief van 3 december 2012 heeft Woonzorg Nederland een zienswijze naar voren gebracht. Bij brief van 5 december 2012 heeft [appellant] een reactie gegeven.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in verbinding met artikel 49, eerste en zesde lid, van de Wet op de Raad van State, heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kent het college degene die in de vorm van een inkomstenderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, is een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid, een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c.

1.1.    Bij de beoordeling van een verzoek om een tegemoetkoming van planschade dient te worden onderzocht of de verzoeker door een wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat die schade heeft veroorzaakt, en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om van voormeld uitgangspunt af te wijken.

2.    [appellant] heeft verzocht om een tegemoetkoming in planschade die hij stelt te lijden ten gevolge van de bij besluit van 11 oktober 2006 krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verleende vrijstelling van het bestemmingsplan "Rijksstraatweggebied - midden", met gebruikmaking waarvan bouwvergunning is verleend voor het oprichten van onder meer vijftien appartementen en bijbehorende voorzieningen aan de achterzijde van zijn perceel aan de Uitweg 9 in Leersum (hierna: het perceel). Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek heeft het college, in navolging van onder meer een op 8 december 2009 ontvangen advies van de schadebeoordelingscommissie, ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een planologische verslechtering. De commissie heeft bij de maximale invulling van het bestemmingsplan de in artikel 32 van de planvoorschriften opgenomen ontheffing meegenomen en geconcludeerd dat nu met die ontheffing een klein gebouwtje direct achter de erfgrens van het perceel van [appellant] zou kunnen worden opgericht, het zicht van [appellant] op het appartementengebouw vrijwel geheel zou zijn weggenomen.

3.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het aanmerken van een binnenplanse ontheffing in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro als een zelfstandige oorzaak van schade tot gevolg dient te hebben, dat bij de planvergelijking een in een bestemmingsplan opgenomen ontheffingsmogelijkheid bij de maximale invulling van dat bestemmingsplan buiten beschouwing wordt gelaten. Het buiten beschouwing laten van ontheffingsmogelijkheden in de planvergelijking dient niet beperkt te worden tot het schadeveroorzakende plan, maar dient ook te geschieden bij de vaststelling van de mogelijkheden die het daaraan voorafgaande plan bood. De Afdeling heeft geen aanleiding gezien hierover anders te oordelen als, zoals in dit geval, zowel het oude als nieuwe planologische regime onder de oude WRO tot stand zijn gekomen. De Afdeling heeft geoordeeld dat het college de ontheffingsmogelijkheid in artikel 32 van de planvoorschriften derhalve ten onrechte heeft betrokken bij de maximale invulling van het bestemmingsplan en dat het besluit van 4 oktober 2010, in strijd met artikel 3:2 van de Awb, niet zorgvuldig is voorbereid. Het college is opgedragen het gebrek in dit besluit te herstellen.

4.    Bij besluit van 9 november 2012 heeft het college, in navolging van het advies van Adviesbureau Van der Poel van oktober 2012, opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant] en hem alsnog € 6.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente, ter tegemoetkoming in planschade toegekend. In dit advies is bij de planvergelijking de ontheffingsmogelijkheid in artikel 32 van de planvoorschriften buiten beschouwing gelaten. Van der Poel heeft geconcludeerd dat het nieuwe planologische regime leidt tot enige aantasting van de privacy door inkijk in de achtertuin en enige aantasting van het uitzicht vanuit de achterzijde van de woning en de achtertuin. In het advies is de schade bepaald op € 6.200,00.

Het besluit van 9 november 2012 is een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb en ingevolge artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van die wet, mede onderwerp van dit geding.

5.    [appellant] heeft in zijn zienswijze op het nieuwe besluit gesteld dat hij zich daarmee kan verenigen, zodat aan zijn zijde geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Awb is ontstaan waarop nog beslist dient te worden.

6.    Woonzorg Nederland betoogt in haar zienswijze dat het college in het besluit van 9 november 2012 ten onrechte het advies van Van der Poel is gevolgd, omdat in dat advies het schadeaspect privacy onjuist is beoordeeld. Woonzorg Nederland wijst op de bestaande bebouwing van drie verdiepingen hoog op een afstand van respectievelijk ongeveer 25 en 37 m van het perceel en de daarop gelegen woning. Gezien deze bebouwing is de privacy van [appellant] in de tuin en in de woning niet verder afgenomen ten gevolge van het nieuwe appartementengebouw van drie verdiepingen en bijbehorende fietsenberging op een afstand van respectievelijk 39 en 25 m van het perceel en respectievelijk 56 en 42 m van de woning, aldus Woonzorg Nederland.

6.1.    Van der Poel heeft, vergezeld van taxateur E.M. Nefkens, de woning van [appellant] opgenomen en de situatie ter plaatse bekeken. Daarvan zijn foto’s bij het advies van oktober 2012 gevoegd. Op die foto’s is de bestaande bebouwing waarnaar Woonzorg Nederland heeft verwezen zichtbaar. Van der Poel heeft bij zijn advies tevens betrokken een luchtfoto van de situatie ter plaatse uit 2006 waarop de bestaande bebouwing eveneens zichtbaar is en de nieuwbouw is ingetekend. Hieruit kan worden afgeleid dat Van der Poel de bestaande bebouwing in zijn beoordeling heeft betrokken. Van der Poel heeft geconcludeerd dat de afstand tussen de nieuwe bebouwing en de woning van [appellant] van ongeveer 55 m dusdanig groot is, dat de aantasting van de privacy in de woning van geringe omvang is, maar dat het gevoel van vrijheid aan de achterzijde van de woning wel is afgenomen. Voorts leidt de mogelijke inkijk in de achtertuin tot een geringe schade. Gelet op het voorgaande biedt het betoog van Woonzorg Nederland geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van Van der Poel op het punt van de privacy. Woonzorg Nederland heeft geen tegenadvies van een ter zake deskundige overgelegd ter staving van zijn betoog. Het college heeft het advies van Van der Poel dan ook aan zijn besluit van 9 november 2012 ten grondslag kunnen leggen.

Het betoog faalt.

7.    Het betoog van Woonzorg Nederland dat het college in navolging van het advies van Van der Poel heeft miskend dat de verlichting op de galerijen van het nieuwe appartementengebouw, waarvan [appellant] stelt overlast te hebben, noodzakelijk is voor de veiligheid en gebruikseisen en naderhand is afgeschermd met kappen, slaagt evenmin. Van der Poel heeft in zijn advies van oktober 2012 ten aanzien van de door [appellant] gestelde lichtoverlast geconcludeerd dat het buiten beschouwing laten van de binnenplanse ontheffingsmogelijkheid niet leidt tot een wijziging van de eerdere beoordeling van dit aspect in het advies van de schadebeoordelingscommissie van 2009. In dat eerdere advies is geconcludeerd dat de toename van licht zodanig gering is, dat niet gesproken kan worden van een verslechtering als gevolg van toename van licht. Hieruit volgt dat lichtoverlast niet ten grondslag ligt aan de conclusie in het besluit van 9 november 2012 dat sprake is van een planologische verslechtering. Het betoog van Woonzorg Nederland leidt om die reden niet tot het oordeel dat dit besluit niet in stand kan blijven.

8.    Het hoger beroep van [appellant] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 oktober 2010 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep van Woonzorg Nederland tegen het besluit van 9 november 2012 is ongegrond.

9.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 juli 2011 in zaak nr. 10/3862;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug van 4 oktober 2010, kenmerk U10.19561 gegrond;

IV.    vernietigt dat besluit;

V.    verklaart het beroep van Woonzorg Nederland Projectontwikkeling B.V. tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug van 9 november 2012, kenmerk U12.15964, ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.888,00 (zegge: achttienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 377,00 (zegge: driehonderdzevenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Jansen

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2013

609.