Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9186

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
201201699/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 10 februari 2011 heeft de minister de verzoeken van [appellante] en [kind] om hun het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2013/602
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201699/1/V6.

Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], mede namens haar minderjarige kind [kind], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 februari 2012 in zaken nrs. 11/5967 en 11/5970 in de gedingen tussen:

[appellante], mede namens haar minderjarige kind,

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 10 februari 2011 heeft de minister de verzoeken van [appellante] en [kind] om hun het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 30 juni 2011 heeft de minister het door [appellante], mede namens [kind], daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 februari 2012 heeft de rechtbank de door [appellante], mede namens [kind], daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante], mede namens [kind], hoger beroep ingesteld.

De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2012, waar [appellante], bijgestaan door mr. Y. Tamer, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, voor zover thans van belang, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, deelt het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of moeder aan wie het Nederlanderschap is verleend in deze verlening, indien dit in het besluit uitdrukkelijk is bepaald. Het verzoek tot medeverlening wordt bij het verzoek tot verlening ingediend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van deze wet.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef, onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, voor zover thans van belang, verstrekt de verzoeker bij de indiening van een naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland en zijn nationaliteit.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) dient de verzoeker buitenlandse akten, waaronder zijn geboorteakte over te leggen. Indien overgelegde buitenlandse akten van de burgerlijke stand ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie kunnen worden geaccepteerd als brondocument voor de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA), worden deze documenten ook aanvaard voor de verlening van het Nederlanderschap. Immers, in de regel vindt de verlening van het Nederlanderschap plaats op basis van de inschrijving in de GBA. De verplichting tot het overleggen van buitenlandse akten, waaronder een geboorteakte, lijdt uitzondering indien reeds in het verleden gelegaliseerde, en soms tevens geverifieerde documenten, zijn overgelegd en verwerkt in de GBA of in een akte van de burgerlijke stand in Nederland. Alsdan kan worden afgezien van het wederom overleggen van dezelfde documenten. Echter, ingeval van op goede gronden gerezen twijfel, dienen opnieuw originele gelegaliseerde documenten te worden overgelegd.

Volgens de Handleiding, voor zover thans van belang, dient de verzoeker een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Is de verzoeker houder van een regulier verblijfsrecht, dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met de aantekening 'staatloos' in de GBA is opgenomen. Dit geldt met ingang van 1 mei 2009 ook voor houders van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort), tenzij de verzoeker op onderstaand beschreven wijze aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument. Aan het vereiste overleggen van een geldig paspoort wordt niet voorbijgegaan om de enkele reden dat de verzoeker de reis bezwaarlijk vindt, al dan niet om medische redenen.

Verder is in de Handleiding vermeld dat van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

2.    [appellante] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat van haar niet mocht worden verlangd bij het verzoek om haar het Nederlanderschap te verlenen een gelegaliseerde geboorteakte over te leggen, omdat zij dit reeds ten behoeve van de inschrijving in de GBA had gedaan. De rechtbank heeft tevens miskend dat de minister hier geen onderzoek naar heeft verricht en zodoende niet heeft voldaan aan de op hem rustende vergewisplicht, aldus [appellante].

[appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat zij wegens bewijsnood niet in staat is een Iraaks paspoort over te leggen. Zij wijst in dit verband op de verklaring van de Iraakse ambassade van 17 december 2010 dat haar aanvraag van een Iraaks paspoort G/A serie voor onbepaalde tijd is gestopt als gevolg van een verzoek van de Iraakse autoriteiten. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat de situatie in Irak voor haar te gevaarlijk is om aldaar een paspoort aan te vragen. Het betoog dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat zij als gescheiden, alleenstaande vrouw niet zonder de toestemming van een mannelijk familielid een paspoort kan aanvragen, is ter zitting ingetrokken.

2.1.    Uit het door de rechtbank overgelegde dossier blijkt dat de burgemeester van Den Haag de minister heeft geadviseerd het verzoek af te wijzen, omdat [appellante] bij de inschrijving in de GBA geen paspoort heeft overgelegd, doch slechts een verklaring onder ede. Daargelaten of de verklaring betrekking heeft op het paspoort of op de geboorteakte, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen omdat [appellante] geen paspoort heeft overgelegd.

Het betoog faalt.

2.2.    Uit de door [appellante] in beroep overgelegde verklaring van 17 december 2010 volgt slechts dat de behandeling van haar aanvraag van een paspoort tijdelijk is gestopt. Uit deze verklaring blijkt niet dat [appellante] door de autoriteiten in Irak niet meer in het bezit kan worden gesteld van een paspoort. [appellante] heeft bovendien niet met een in de Handleiding bedoelde verklaring van de autoriteiten van Irak aangetoond in bewijsnood te verkeren omtrent het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het voor de beoordeling of een in de Handleiding vermelde situatie van bewijsnood voor het overleggen van een Iraaks paspoort zich voordoet, niet van belang is of [appellante] gevaar loopt in Irak. Aan [appellante] is niet een verblijfsvergunning verleend als bedoeld in de artikelen 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000. Uit de aanvraag haar het Nederlanderschap te verlenen blijkt dat [appellante] houder is van een verblijfsvergunning regulier. Er doen zich derhalve geen asielgerelateerde gronden voor waarop van [appellante] niet gevergd kan worden naar haar land van herkomst te reizen om aldaar een paspoort te verkrijgen. Dat de reis naar Irak voor [appellante] om medische redenen bezwaarlijk is, is, gelet op de Handleiding evenmin een reden om bewijsnood aan te nemen. Aan [appellante] kan voor deze reis zonodig een vreemdelingenpaspoort en een laissez-passer worden verleend. Weliswaar biedt een vreemdelingenpaspoort haar geen diplomatieke bescherming, maar zij kan, anders dan zij ter zitting heeft aangevoerd, met dit paspoort wel naar Irak reizen en weer terug. [appellante] heeft voorts niet aangevoerd dat het niet mogelijk is met behulp van (professionele) derden in Irak een paspoort aan te vragen.

Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Groenendijk

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2013

164.