Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9182

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
201109959/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BR5758, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2010 heeft de minister het verzoek van [verzoekster] om aanpassing van haar persoonsgegevens zoals deze bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) staan geregistreerd, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109959/1/A3.

Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2011 in zaak nr. 11/1512 in het geding tussen:

[verzoekster]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2010 heeft de minister het verzoek van [verzoekster] om aanpassing van haar persoonsgegevens zoals deze bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) staan geregistreerd, afgewezen.

Bij besluit van 8 februari 2011 heeft de minister het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 augustus 2011 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 februari 2011 vernietigd voor zover daarbij is geweigerd om haar persoonsgegevens aan te passen, de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en vastgesteld dat hij als gevolg van het niet tijdig beslissen op het verzoek van [verzoekster] een dwangsom verbeurt van € 1260,00. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

[verzoekster] heeft een verweerschrift ingediend.

De minister heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. W. Fairweather, werkzaam bij de IND, en [verzoekster], bijgestaan door mr. T.P.A. Weterings, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder persoonsgegeven verstaan elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

Ingevolge deze aanhef en onder d wordt onder verantwoordelijke verstaan de natuurlijke persoon, rechtspersoon of ieder ander die of het bestuursorgaan dat, alleen of tezamen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, kan degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verbeurt het bestuursorgaan indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag.

Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

2.    Aan [verzoekster] is met ingang van 26 juni 2007 een verblijfsdocument afgegeven, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De ingangsdatum daarvan is geregistreerd in een registratiesysteem. [verzoekster] heeft verzocht deze datum aan te passen. Volgens haar is de ingangsdatum van het document onjuist, nu zij eerder al verblijfsrechten kon ontlenen aan Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: de Verblijfsrichtlijn).

3.    Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de minister het verzoek van [verzoekster] afgewezen, omdat volgens hem niet is gebleken van een feitelijke onjuistheid in het registratiesysteem.

4.     De rechtbank heeft overwogen dat de geregistreerde ingangsdatum een persoonsgegeven is dat de minister onjuist heeft geregistreerd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister weliswaar heeft beoogd met de geregistreerde datum alleen de ingangsdatum van het verblijfsdocument vast te leggen en niet de ingangsdatum van het verblijfsrecht, maar dat de minister ook heeft erkend dat het persoonsgegeven in bepaalde gevallen tot andere gevolgen dan door hem is beoogd, kan leiden, bijvoorbeeld wanneer dit wordt gebruikt door andere instanties. Daarom heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 februari 2011 vernietigd, voor zover daarbij is geweigerd om de persoonsgegevens van [verzoekster] aan te passen, en de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

5.    Eerst zal worden ingegaan op het ontvankelijkheidsverweer van [verzoekster]. Zij betoogt dat niet duidelijk is wie de schriftelijke lastgeving van 13 september 2011 heeft ondertekend en dat evenmin duidelijk is of de ondertekenaar van de lastgeving hiertoe bevoegd was.

5.1.    Op 10 oktober 2010 is de Algemene ondermandaatregeling van het hoofd IND 2010 (Stcrt. 2010, 15171) in werking getreden. Het hoofd van de IND heeft bij artikel 3, gelezen in verbinding met artikel 1, eerste lid, van deze regeling en de daarbij behorende lijst van onder hem ressorterende functionarissen senior procesvertegenwoordigers van de Directie Procesvertegenwoordiging gemachtigd om rechtsmiddelen aan te wenden.

Op 14 oktober 2010 heeft een departementale herindeling plaatsgevonden als gevolg waarvan de aangelegenheden op het terrein van vreemdelingenzaken, met inbegrip van de IND, van het Ministerie van Justitie zijn overgegaan naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK). De minister voor Immigratie en Asiel is belast met het beleid ten aanzien van vreemdelingenzaken betreffende immigratie en asiel en de uitvoering daarvan.

Ingevolge artikel 1 van de Tijdelijke regeling mandaat, volmacht en machtiging Immigratie en Asiel (Stcrt. 2010, 16591; hierna: de Tijdelijke regeling) worden mandaten, ondermandaten, volmachten en machtigingen die op 13 oktober 2010 van kracht waren ten behoeve van functionarissen van het Ministerie van Justitie aangemerkt als mandaten, ondermandaten, volmachten en machtigingen die zijn verleend door de minister van BZK dan wel de minister voor Immigratie en Asiel aan:

[…];

i. de hoofddirecteur van de IND;

[…];

k. de functionarissen aan wie door of namens de hoofddirecteur van de IND ondermandaat, volmacht of machtiging is verleend;

[…].

De Afdeling is van oordeel dat, gelet op laatstgenoemde bepaling, de door het hoofd van de IND aan de senior procesvertegenwoordiger verleende machtiging om hoger beroep in te stellen kan worden aangemerkt als rechtstreeks verleend door de minister, zodat de senior procesvertegenwoordiger reeds daarom bevoegd was om hoger beroep in te stellen.

Gezien het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de senior procesvertegenwoordiger die namens de minister het hogerberoepschrift heeft ingediend, daartoe niet bevoegd zou zijn. De Afdeling zal daarom tot een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep overgaan.

6.    De minister betoogt dat een correctie van persoonsgegevens slechts kan worden uitgevoerd, indien is komen vast te staan dat de betreffende gegevens onjuist zijn, dan wel voor het doel of doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn. Volgens de minister kan de beantwoording van de vraag of de in het registratiesysteem ingevulde datum feitelijk onjuist is, slechts beantwoord worden in een vreemdelingenrechtelijke procedure. Door te oordelen dat de persoonsgegevens van [verzoekster] moeten worden gecorrigeerd is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan het vereiste van artikel 36, eerste lid, van de Wbp.

6.1.    Dat betoog slaagt. De minister heeft ter zitting bij de Afdeling aan de hand van ‘printscreens’ uit het Basisvoorziening Vreemdelingensysteem, zoals dat door de IND kan worden geraadpleegd, toegelicht op welke wijze de betreffende persoonsgegevens van [verzoekster] zijn geregistreerd. Naar aanleiding van deze toelichting heeft [verzoekster] erkend dat de haar betreffende persoonsgegevens niet feitelijk onjuist zijn geregistreerd. Anders dan de rechtbank is de Afdeling derhalve van oordeel dat niet is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, van de Wbp gestelde eisen voor de correctie van persoonsgegevens.

7.    De minister betoogt verder dat hij het bezwaarschrift van [verzoekster] op juiste gronden kennelijk ongegrond heeft bevonden. Omdat hij het bezwaar van [verzoekster] terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard, is ingevolge artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c van de Awb geen dwangsom verschuldigd. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet erkend, aldus de minister.

7.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister het bezwaar van [verzoekster] niet kennelijk ongegrond heeft mogen achten. Voor dat oordeel is slechts plaats, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Die situatie doet zich hier niet voor. In haar bezwaarschrift heeft [verzoekster] aangevoerd waarom de datum zoals geregistreerd onjuist zou zijn. Eerst ter zitting bij de Afdeling heeft de minister een afdoende toelichting gegeven over de wijze waarop de persoonsgegevens van [verzoekster] staan geregistreerd. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat ten tijde van het besluit op bezwaar geen twijfel kon bestaan over de vraag of de geregistreerde persoonsgegevens van [verzoekster] onjuistheden bevatten. De conclusie van de minister dat hetgeen [verzoekster] in haar bezwaarschrift naar voren heeft gebracht op voorhand niet tot een andersluidend besluit kon leiden is derhalve niet gerechtvaardigd.

Nu het besluit op bezwaar niet tijdig is genomen en zich geen van de omstandigheden genoemd in artikel 4:17, zesde lid, van de Awb voordoet, heeft de minister een dwangsom verbeurd, nadat twee weken zijn verstreken na de dag waarop hij een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, hetgeen door de minister in hoger beroep ook niet is bestreden, heeft [verzoekster] de minister op 18 juni 2011 in gebreke gesteld. Het college is na deze ingebrekestelling ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb een dwangsom verschuldigd vanaf 3 juli 2010. De minister heeft eerst bij besluit van 22 oktober 2010 op het verzoek van [verzoekster] beslist. Gelet op het feit dat sinds de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd meer dan 42 dagen zijn verstreken, heeft de rechtbank de hoogte van de door de minister verbeurde dwangsom terecht vastgesteld op het maximale bedrag van € 1.260,00.

Het betoog faalt.

8.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het besluit van 8 februari 2011 is vernietigd, voor zover daarbij is geweigerd om de persoonsgegevens van [verzoekster] aan te passen en voor zover daarbij de minister is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [verzoekster], voor zover dat ziet op de weigering om de persoonsgegevens van [verzoekster] aan te passen, ongegrond verklaren. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2011 in zaak nr. 11/1512, voor zover daarbij het besluit van 8 februari 2011 is vernietigd, voor zover daarbij is geweigerd om de persoonsgegevens van [verzoekster] aan te passen en voor zover daarbij de minister is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover dat ziet op de weigering om de persoonsgegevens van [verzoekster] aan te passen, ongegrond;

IV.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena    w.g. Langeveld-Mak

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2013

317-721.