Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY9174

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
201211584/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2012 heeft de minister toestemming verleend voor het voornemen van Maritime Antwerp Cleaning N.V. om afvalstoffen als beschreven in de kennisgeving met nummer BE001003235 van België naar Nederland over te brengen, onder de voorwaarde dat de getransporteerde afvalstoffen bij North Refinery niet mogen worden gemengd met afvalstoffen met een EOX-gehalte kleiner dan of gelijk aan 50 mg/kg wanneer het oogmerk is de afvalstoffen na verwerking als product af te zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211584/1/A4.

Datum uitspraak: 14 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de naamloze vennootschap Refining & Trading Holland N.V., handelend onder de naam North Refinery, gevestigd te Farmsum, gemeente Delfzijl, de rechtspersoon naar Belgisch recht Maritime Antwerp Cleaning N.V., gevestigd te Antwerpen (België), en de rechtspersoon naar Belgisch recht Tank Opslag Verbeke N.V., gevestigd te Antwerpen (België),

(hierna tezamen: North Refinery en andere),

verzoeksters,

en

de minister van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2012 heeft de minister toestemming verleend voor het voornemen van Maritime Antwerp Cleaning N.V. om afvalstoffen als beschreven in de kennisgeving met nummer BE001003235 van België naar Nederland over te brengen, onder de voorwaarde dat de getransporteerde afvalstoffen bij North Refinery niet mogen worden gemengd met afvalstoffen met een EOX-gehalte kleiner dan of gelijk aan 50 mg/kg wanneer het oogmerk is de afvalstoffen na verwerking als product af te zetten.

Tegen dit besluit hebben North Refinery en andere bezwaar gemaakt.

Voorts hebben North Refinery en andere de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

North Refinery en andere hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 januari 2013,

waar North Refinery, vertegenwoordigd door haar [bestuurders], bijgestaan door ing. R.A.J.M. Tankink, adviseur, en mr. J.C. Ozinga, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.A. Koreman, mr. M.A. Ziel, mr. K. Ulmer en A.M. Witte,

zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De bij het besluit van 7 december 2012 verleende toestemming ziet op de overbrenging van 14.000 ton afvalstoffen - oliewatermengsels bestaande uit smeerolie en restfracties brandstof van scheepsmotoren met een EOX-gehalte van 93 mg/kg - van België naar Nederland in de periode van de dagtekening van dit besluit tot en met 31 oktober 2013.

De considerans van het besluit van 7 december 2012 vermeldt dat bij Maritime Antwerp Cleaning N.V. smeer- en stookolie van schepen wordt ingezameld, dat deze stoffen bij Tank Opslag Verbeke N.V. worden afgegeven om te worden bewerkt en dat het oliewatermengsel dat na deze bewerking resteert vanuit België naar North Refinery wordt overgebracht. De koolwaterstoffen die na de bewerking door North Refinery resteren, worden volgens de considerans als fluxolie afgezet in de staalindustrie.

2.    In onderdeel I van het dictum van het besluit van 7 december 2012 is aan de toestemming voor de overbrenging de voorwaarde verbonden dat de getransporteerde afvalstoffen bij North Refinery niet mogen worden gemengd met afvalstoffen met een EOX-gehalte kleiner dan of gelijk aan 50 mg/kg wanneer het oogmerk is de afvalstoffen na verwerking als product af te zetten.

Het verzoek richt zich tegen de aan de toestemming verbonden voorwaarde.

3.    Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190; hierna: de Verordening) kan de minister een besluit nemen over de aangemelde overbrenging, inhoudende een aan voorwaarden verbonden toestemming, overeenkomstig artikel 10.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, kunnen deze voorwaarden gebaseerd zijn op een of meer van de in artikel 12 genoemde gronden met betrekking tot voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen.

Een van de in artikel 12, eerste lid, onder b, genoemde gronden is dat de geplande overbrenging of nuttige toepassing, niet in overeenstemming is met nationale wetgeving inzake milieubescherming.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit organisch-halogeengehalte van brandstoffen (hierna: het Besluit) is het verboden brandstoffen toe te passen met een gehalte aan organische halogeenverbindingen van meer dan 50 mg/kg.

Ingevolge artikel 2, derde lid, is het verboden organische halogeenverbindingen, of preparaten waarin een van de in het eerste lid genoemde gehalten wordt overschreden, ten behoeve van de vervaardiging van brandstoffen aan te wenden, waaronder mede wordt begrepen het mengen van deze stoffen of preparaten in brandstoffen.

Ingevolge artikel 2, vierde lid, is het verboden organische halogeenverbindingen, of preparaten waarin een van de in het eerste lid genoemde gehalten wordt overschreden, als brandstof of ten behoeve van de vervaardiging van brandstoffen in te voeren in Nederland, te bewaren, voorhanden te hebben, ten verkoop aan te bieden, ten verkoop in voorraad te hebben, te verkopen of zich ervan te ontdoen door afgifte.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, gelden de in artikel 2 gestelde verboden niet voor zover de in artikel 2 genoemde handelingen worden verricht in overeenstemming met een vergunning, verleend krachtens het artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Ingevolge artikel 1, onder a, wordt in het Besluit onder brandstof verstaan: stoffen of preparaten, dienende voor verbranding.

4.    North Refinery en andere voeren aan dat de minister de voorwaarde niet aan de toestemming mocht verbinden. Volgens hen is het Besluit niet van toepassing, omdat fluxolie geen brandstof is. Bovendien staat de door het college van gedeputeerde staten van Groningen verleende milieuvergunning van North Refinery volgens hen het mengen van de over te brengen afvalstoffen toe. Voorts blijkt uit het besluit van 7 december 2012 niet dat er een andere grondslag voor de voorwaarde is, aldus North Refinery en andere.

4.1.    De minister heeft ter zitting naar voren gebracht dat de voorwaarde aan de toestemming is verbonden, omdat hij wil voorkomen dat de fluxolie, als niet-afvalstof, door North Refinery zonder de vereiste verdere kennisgevingen naar het buitenland wordt overgebracht. Voorts is het mengen van de over te brengen afvalstoffen op grond van het Besluit niet toegestaan, aldus de minister.

4.2.    Naar het oordeel van de voorzitter heeft de minister vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat fluxolie een brandstof is. Derhalve staat niet vast dat het Besluit van toepassing is.

Ook heeft de minister niet bestreden dat het mengen van de over te brengen afvalstoffen in overeenstemming is met de milieuvergunning van North Refinery. Derhalve is niet toereikend gemotiveerd dat de in artikel 3 van het Besluit geregelde uitzondering op het verbod van artikel 2 niet van toepassing is.

Voorts heeft de minister in het besluit van 7 december 2012 noch ter zitting toereikend gemotiveerd dat vanwege de vrees dat de fluxolie door North Refinery zonder verdere kennisgevingen naar het buitenland wordt overgebracht, op grond van de Verordening aan de toestemming de bestreden voorwaarde kon worden verbonden.

5.    Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter, bij afweging van de betrokken belangen, aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter hecht eraan nog op te merken dat ter zitting is gebleken dat North Refinery tot een meer transparante bedrijfsvoering wil komen en dat beide partijen willen pogen overeenstemming te bereiken. De voorzitter heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij ervan uitgaat dat de bezwaarprocedure daarvoor zal worden gebruikt.

6.    De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de minister van Infrastructuur en Milieu van 7 december 2012, voor zover het betreft de voorwaarde dat bij North Refinery de getransporteerde afvalstoffen niet mogen worden gemengd met afvalstoffen met een EOX-gehalte kleiner dan of gelijk aan 50 mg/kg wanneer het oogmerk is de afvalstoffen na verwerking als product af te zetten;

II.    veroordeelt de minister van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij de naamloze vennootschap Refining & Trading Holland N.V.,  de rechtspersoon naar Belgisch recht Maritime Antwerp Cleaning N.V. en de rechtspersoon naar Belgisch recht Tank Opslag Verbeke N.V., in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

III.    gelast dat de minister van Infrastructuur en Milieu aan de naamloze vennootschap Refining & Trading Holland N.V., de rechtspersoon naar Belgisch recht Maritime Antwerp Cleaning N.V. en de rechtspersoon naar Belgisch recht Tank Opslag Verbeke N.V., het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C.S. Aal, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Aal

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2013

584.