Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY8850

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
201208736/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij faxbericht van 20 juli 2012 heeft de vreemdeling beroep ingesteld bij de Rb. tegen het besluit van 19 juli 2012. Bij brief van 23 juli 2012 heeft de Rb. de vreemdeling meegedeeld dat het beroep met toepassing van art. 8:52 Awb versneld zal worden behandeld, dat het beroepschrift geen gronden bevat, dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld de gronden van het beroep binnen één week na dagtekening van de brief kenbaar te maken en dat, indien niet binnen de gestelde termijn van die gelegenheid gebruik wordt gemaakt, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Bij faxbericht van 6 augustus 2012 heeft de vreemdeling de gronden van het beroep ingediend. (…) In dit geval is de termijn voor het indienen van een beroepschrift op 16 augustus 2012 geëindigd. Deze termijn kan niet met toepassing van art. 8:52 Awb worden verkort. De vreemdeling heeft het beroepschrift en de gronden van het beroep derhalve tijdig ingediend. De Rb. heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208736/1/V3.

Datum uitspraak: 15 januari 2013

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 14 augustus 2012 in zaak nr. 12/23257 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2012 heeft de minister de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 augustus 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. De vreemdeling klaagt in de enige grief dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3. Bij faxbericht van 20 juli 2012 heeft de vreemdeling beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit van 19 juli 2012.

Bij brief van 23 juli 2012 heeft de rechtbank de vreemdeling meegedeeld dat het beroep met toepassing van artikel 8:52 van de Awb versneld zal worden behandeld, dat het beroepschrift geen gronden bevat, dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld de gronden van het beroep binnen één week na dagtekening van de brief kenbaar te maken en dat, indien niet binnen de gestelde termijn van die gelegenheid gebruik wordt gemaakt, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

Bij faxbericht van 6 augustus 2012 heeft de vreemdeling de gronden van het beroep ingediend.

4. Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift in afwijking van artikel 6:7 van de Awb vier weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

Ingevolge artikel 8:52 van de Awb kan de rechtbank, indien de zaak spoedeisend is, bepalen dat deze versneld wordt behandeld. In dat geval kan de rechtbank de in de artikelen 8:41, tweede lid, 8:42, eerste lid, en 8:47, vijfde lid, bedoelde termijnen verkorten en de artikelen 8:43, tweede lid, en 8:47, derde lid, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten.

5. In dit geval is de termijn voor het indienen van een beroepschrift op 16 augustus 2012 geëindigd. Deze termijn kan niet met toepassing van artikel 8:52 van de Awb worden verkort. De vreemdeling heeft het beroepschrift en de gronden van het beroep derhalve tijdig ingediend. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De grief slaagt reeds hierom.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

7. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 14 augustus 2012 in zaak nr. 12/23257;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro) en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van Laar

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2013

551-777

Verzonden: 15 januari 2013

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser