Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY8570

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
201108094/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "De Pas 2010" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108094/1/R2.

Datum uitspraak: 16 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Doetinchem,

2. [appellanten sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Doetinchem,

3. de stichting Stichting Goed Wonen in de Pas (hierna: de Stichting), gevestigd te Doetinchem, en anderen, allen wonend te Doetinchem (hierna: de Stichting en anderen),

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], gemeente Oude IJsselstreek,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MVO Projecten B.V. (hierna: MVO Projecten), gevestigd te Doetinchem,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Doetinchem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "De Pas 2010" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2],

de Stichting en anderen, [appellant sub 4] en MVO Projecten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2012, waar [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], de Stichting en anderen, allen vertegenwoordigd door mr. J.C.M. Jochemsen-Vernooij, advocaat te Arnhem, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. W.J.B. Claassen-Dales, MVO Projecten, vertegenwoordigd door mr. J. van Vulpen, advocaat te Utrecht, en de raad, vertegenwoordigd door E.H.J. Ketels, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de stichting Stichting IrisZorg (hierna: IrisZorg), vertegenwoordigd door S.A. Bouman, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een actualisering van de bestemmingsplannen voor een deel van het centrum van Doetinchem. In het plan is onder meer aan de percelen Julianaplein 12 en Terborgseweg 63 de bestemming "Centrum" toegekend, teneinde de vestiging van een opvang voor dak- en thuislozen mogelijk te maken. Ook is in het plan onder meer de bestemming "Gemengd" aan het perceel [locatie 2] en de bestemming "Maatschappelijk" aan het perceel Tjalmastraat 3 toegekend.

Ontvankelijkheid

2. De raad heeft zich ten aanzien van enkele appellanten behorend tot [appellant sub 1] en anderen en tot de Stichting en anderen op het standpunt gesteld dat zij geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit. De raad wijst hierbij op de afstand tussen de door hen bestreden plandelen en de woningen van deze appellanten. Ten aanzien van de Stichting wijst de raad erop dat de Stichting zich uitsluitend bezighoudt met de in het plan op de percelen Julianaplein 12 en Terborgseweg 63 voorziene ontwikkelingen en slechts lijkt te zijn opgericht ten behoeve van deze procedure.

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2. [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B], [appellante sub 1 C], [appellant sub 1 D], [appellant sub 1 E] en [appellant sub 1 F], behorende tot [appellant sub 1] en anderen, wonen op een zodanige afstand van de percelen Julianaplein 12 en Terborgseweg 63 dat, mede gelet op de aard en de omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt, deze afstand te groot is om een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang te kunnen aannemen. [appellant sub 1] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee moet worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B], [appellante sub 1 C], [appellant sub 1 D], [appellant sub 1 E] en [appellant sub 1 F] rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B], [appellante sub 1 C], [appellant sub 1 D], [appellant sub 1 E] en [appellant sub 1 F] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), geen beroep kunnen instellen.

Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 1] en anderen (hierna: [appellant sub 1]), voor zover het is ingesteld door [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B], [appellante sub 1 C], [appellant sub 1 D], [appellant sub 1 E] en [appellant sub 1 F], niet-ontvankelijk.

2.3. De Stichting heeft ingevolge artikel 2 van haar statuten onder meer tot doel het verbeteren en behouden van de leefbaarheid, veiligheid en een goed woon- en leefklimaat in de wijk De Pas. De Stichting tracht haar doel ingevolge artikel 2 van haar statuten onder meer te verwezenlijken door het behartigen van de collectieve en individuele belangen van de bewoners van de wijk De Pas en de directe omgeving daarvan.

Nu het plan voorziet in het vestigen van een zorginstelling in de wijk De Pas, worden de belangen van bepaalde bewoners van deze wijk als feitelijk gevolg van het bestreden besluit getroffen. De Stichting, die blijkens haar doelstellingen in het bijzonder opkomt voor de belangen van deze bewoners, brengt door het optreden in rechte in dit geval een bundeling van rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen tot stand waarmee effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn, in vergelijking met het afzonderlijk optreden van individuele bewoners die door het bestreden besluit rechtstreeks in hun belangen worden getroffen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 juni 2009 in zaak nr. 200807294/1/H2), kunnen de in artikel 1:2, derde lid, van de Awb genoemde feitelijke werkzaamheden besloten worden geacht in de aldus tot stand gebrachte bundeling van belangen. De Stichting kan dan ook worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

2.4. [appellant sub 3 A], [appellant sub 3 B], [appellant sub 3 C], [appellant sub 3 D], [appellant sub 3 E] en [appellant sub 3 F], behorende tot de Stichting en anderen, wonen op een zodanige afstand van de percelen Julianaplein 12 en Terborgseweg 63 dat, mede gelet op de aard en de omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt, deze afstand te groot is om een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Zij hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee moet worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van [appellant sub 3 A], [appellant sub 3 B], [appellant sub 3 C], [appellant sub 3 D], [appellant sub 3 E] en [appellant sub 3 F] rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 3 A], [appellant sub 3 B], [appellant sub 3 C], [appellant sub 3 D], [appellant sub 3 E] en [appellant sub 3 F] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:2, eerste lid, van de Wro geen beroep kunnen instellen.

Gelet hierop is het beroep van de Stichting en anderen, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 3 A], [appellant sub 3 B], [appellant sub 3 C], [appellant sub 3 D], [appellant sub 3 E] en [appellant sub 3 F], niet-ontvankelijk.

3. De raad wijst erop dat de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting en anderen, voor zover gericht tegen de vaststelling van het plan voor de percelen Julianaplein 12 en Terborgseweg 63, niet steunen op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

3.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Hiervan is onder meer sprake indien het beroep is gericht tegen een onderdeel van het plan dat eerst bij gewijzigde vaststelling daarin is opgenomen en voor zover de belanghebbende daardoor in een ongunstiger positie is gebracht ten opzichte van het ontwerpplan.

3.2. [appellant sub 2] heeft aannemelijk gemaakt dat hij eerst op 26 januari 2011 en derhalve na afloop van de termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht een overeenkomst heeft gesloten voor de aankoop van zijn perceel [locatie 1]. Gelet hierop kan [appellant sub 2] redelijkerwijs niet worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Zijn beroep is derhalve ontvankelijk.

3.3. In het ontwerpplan was aan het perceel Julianaplein 12 de bestemming "Bedrijf" toegekend. In het vastgestelde plan is daaraan de bestemming "Centrum" toegekend, waarbinnen onder meer een daklozenopvang mogelijk is. Aannemelijk is dat [appellant sub 1] en de Stichting en anderen hierdoor in een ongunstiger positie zijn gebracht ten opzichte van het ontwerpplan. Gelet hierop kan [appellant sub 1] en de Stichting en anderen niet redelijkerwijs worden verweten dat zij ter zake geen zienswijze naar voren hebben gebracht. Hun beroepen zijn derhalve in zoverre ontvankelijk.

Ten aanzien van het perceel Terborgseweg 63, waarvan de bestemming ten opzichte van het ontwerp ongewijzigd is, is geen rechtvaardiging gelegen in de door [appellant sub 1] en de Stichting en anderen gestelde omstandigheid dat zij niet konden voorzien dat binnen de bestemming "Centrum" op dat perceel een daklozenopvang zou worden gevestigd. Hierbij is van belang dat de bestemming "Centrum", en daarmee de mogelijkheid een daklozenopvang op dit perceel te vestigen, ook reeds in het ontwerpplan was opgenomen.

De beroepen van [appellant sub 1] en de Stichting en anderen zijn derhalve niet-ontvankelijk voor zover zij zich richten tegen de in het plan aan het perceel Terborgseweg 63 toegekende bestemming "Centrum".

Goede procesorde

4. Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

4.1. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting en anderen hebben eerst ter zitting betoogd dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 17.1 van de planregels aan het plan ten grondslag is gelegd, dat de ten behoeve van het plan opgestelde veiligheidsanalyse ten onrechte niet met het plan ter inzage is gelegd en dat de in artikel 4.7.1 van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid onvoldoende is begrensd.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting en anderen hebben geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het voor hen redelijkerwijs niet mogelijk was deze gronden eerder aan te voeren. In aanmerking genomen dat de raad hierop niet op passende wijze heeft kunnen reageren, is het ter zitting aanvoeren van deze beroepsgronden in strijd met de goede procesorde, zodat de Afdeling deze gronden buiten beschouwing zal laten bij de beoordeling van het bestreden besluit.

De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting en anderen inhoudelijk

5. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting en anderen kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Centrum" en de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied I" voor het perceel Julianaplein 12. [appellant sub 2] kan zich voorts niet verenigen met de aan het perceel Terborgseweg 63 toegekende bestemming "Centrum". Met deze bestemmingen wordt beoogd de vestiging van een opvang voor dak- en thuislozen mogelijk te maken.

6. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting en anderen dat het gemeentebestuur onjuist en onvolledig met omwonenden heeft gecommuniceerd, wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Deze procedure vangt aan met de terinzagelegging van het ontwerpplan. Niet is gebleken dat de voorbereiding van het plan niet op de wettelijk voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. Voor zover het betoog ziet op de periode die voorafgaat aan de terinzagelegging van het ontwerpplan, kan dit gelet op het voorgaande geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van het plan. Het betoog faalt.

7. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting en anderen voeren aan dat het plan voorziet in onvoldoende parkeerplaatsen voor een opvang van dak- en thuislozen en dat niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 4.5.2 van de planregels geldende parkeernormen.

7.1. Ingevolge artikel 4.5.2 van de planregels moet in geval van uitbreiding en/of herontwikkeling op gronden met de bestemming "Centrum" worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen, onder de voorwaarden dat wordt voldaan aan de in Bijlage 1 bij de planregels opgenomen parkeernormen en dat bij de bepaling van het aantal parkeerplaatsen vooraf advies wordt ingewonnen bij een deskundige.

7.2. De vestiging van een dak- en thuislozenopvang betreft een herontwikkeling van de percelen Julianaplein 12 en Terborgseweg 63, zodat ingevolge artikel 4.5.2 van de planregels daarbij moet worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting en anderen hebben de stelling van de raad dat het plan voldoende mogelijkheden biedt om op het terrein van de dak- en thuislozenopvang te voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor die opvang niet bestreden. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van de opvang voor dak- en thuislozen.

8. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting en anderen betogen dat geen belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat het plan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Zij voeren hiertoe aan dat het woon- en leefklimaat van omwonenden onevenredig zal worden aangetast ten gevolge van de in het plan voorziene ontwikkelingen. Zij wijzen er hierbij op dat ten onrechte uit het plan niet blijkt dat onderzoek is verricht naar de gevolgen van de voorziene daklozenopvang voor de woonwijk De Pas. Zij stellen in dit verband dat binnen de daklozenopvang mogelijk methadonverstrekking zal plaatsvinden en dat door de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied I", gelezen in samenhang met artikel 4.7 van de planregels, grootschalige bebouwing mogelijk wordt gemaakt.

8.1. De raad stelt dat de in het plan voor de percelen Julianaplein 12 en Terborgseweg 63 opgenomen bestemmingen ruimtelijk aanvaardbaar zijn.

8.2. De in het plan voor het perceel Julianaplein 12 opgenomen bestemming "Centrum" maakt de vestiging van een opvang voor dak- en thuislozen mogelijk. Uit het plan blijkt niet dat de raad ten tijde van het nemen van het bestreden besluit onderzoek heeft gedaan naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een opvang voor dak- en thuislozen op deze locatie.

Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid.

8.3. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting en anderen, voor zover ontvankelijk, zijn gegrond. Het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Centrum" ter plaatse van het perceel Julianaplein 12 dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

9. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.

In het in opdracht van IrisZorg door Bureau Beke uitgevoerde onderzoek "Voorziening in beweging - Onderzoek naar gevolgen van en randvoorwaarden voor een nieuwe woon- en opvangvoorziening aan de Terborgseweg", zijn mogelijke beheersmaatregelen geïnventariseerd. Uit dit onderzoek blijkt dat beheersmaatregelen kunnen worden getroffen om de overlast voor omwonenden ten gevolge van de voorziene opvang voor dak- en thuislozen te beperken. Zo is onder meer ingegaan op de doelgroep waarop de voorziene opvang zich zal richten, op de huisregels die in de voorziene opvang zouden moeten gelden en op de locatie van looproutes naar de voorziene opvang. De raad heeft ter zitting in dit verband naar voren gebracht dat een beheersplan wordt opgesteld en dat de nodige beheersmaatregelen zullen worden getroffen. Daarbij heeft de raad er op gewezen dat het gemeentebestuur eerder ervaring heeft opgedaan met opvang voor dak- en thuislozen bij een vergelijkbare voorziening elders binnen de gemeente. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zodat de Afdeling aanleiding ziet voor het in stand laten van de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit.

Het beroep van [appellant sub 4]

10. Ter zitting heeft [appellant sub 4] zijn beroepsgrond dat het plan voor zijn perceel [locatie 2] in strijd is met de rechtszekerheid ingetrokken.

11. [appellant sub 4] kan zich niet verenigen met de aan zijn perceel [locatie 2] toegekende bestemming "Gemengd". Hij voert hiertoe aan dat het aan dat perceel toegekende bouwvlak ten onrechte niet alle bestaande gebouwen omvat. De gebouwen die buiten het bouwvlak zijn gelegen vallen daardoor ten onrechte onder het overgangsrecht, aldus [appellant sub 4]. Hij betoogt dat de raad ten onrechte de stedenbouwkundige opzet van de wijk De Pas ook van toepassing acht op bedrijfsgebouwen.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat ook ten aanzien van het perceel [locatie 2] de stedenbouwkundige opzet van de woonwijk De Pas moet worden behouden. Het bouwvlak zoals dat in het plan is opgenomen is volgens de raad gewenst binnen die stedenbouwkundige opzet. Voorts wijst de raad erop dat voor bestaande legale bouwwerken bij het voorheen geldende plan is aangesloten.

11.2. Ingevolge artikel 16.3 van de planregels geldt de bestaande goot- en/of bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van een legaal bouwwerk binnen de bestemming "Gemengd" als maximum toegestane omvang indien deze bestaande goot- of bouwhoogte, oppervlakte of inhoud groter is dan de in artikel 5.2 van de planregels opgenomen afmetingen.

Ingevolge artikel 5.2.3, onder a, van de planregels zijn op gronden met de bestemming "Gemengd" bijbehorende bouwwerken ook buiten het bouwvlak toegestaan. Ingevolge artikel 5.2.2, onder a, van de planregels is realisatie van hoofdgebouwen op gronden met de bestemming "Gemengd" uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak.

Gelet op het voorgaande zijn bijgebouwen buiten het bouwvlak voor zover zij legaal aanwezig zijn als zodanig bestemd. Artikel 16.3 van de planregels biedt echter geen uitsluitsel over buiten het bouwvlak gelegen, legaal aanwezige hoofdgebouwen. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met de rechtszekerheid.

12. Het beroep van [appellant sub 4] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover dit besluit betrekking heeft op het ontbreken van een regeling voor bestaande legale hoofdgebouwen buiten het bouwvlak voor het plandeel met de bestemming "Gemengd" ter plaatse van het perceel [locatie 2], dient wegens strijd met de rechtszekerheid te worden vernietigd.

13. De Afdeling ziet aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, op te dragen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen voor het onder 12 genoemde plandeel een nieuw besluit te nemen.

Ter voorlichting van partijen overweegt de Afdeling nog het volgende. Zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 september 2011 in zaak nr. 201107073/2/R3) staat het, in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter, het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Dit betekent dat de raad er voor kan kiezen het bestemmingsplan opnieuw vast te stellen zonder hieraan voorafgaand een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. In dit geval acht de Afdeling het niet nodig om bij de voorbereiding van het nieuwe besluit de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Gelet hierop zal de Afdeling een termijn stellen van 16 weken.

Het beroep van MVO Projecten

14. MVO Projecten kan zich niet verenigen met de aan haar perceel Tjalmastraat 3 toegekende bestemming "Maatschappelijk".

Zij voert hiertoe aan dat in het plan in strijd met eerdere afspraken niet de bestemming "Wonen" aan haar perceel is toegekend en woningbouw op haar perceel alleen mogelijk is door toepassing van een wijzigingsbevoegdheid.

Voorts betoogt MVO Projecten dat het plan in strijd is met de rechtszekerheid, nu onzeker is of van de wijzigingsbevoegdheid gebruik zal worden gemaakt. MVO Projecten voert hiertoe onder verwijzing naar overweging 2.19 en verder van de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2011 in zaak nr. 200906463/1/R1) aan dat geen ruimtelijke bezwaren bestaan tegen de door haar gewenste woningbouw op het perceel Tjalmastraat 3.

Ook voert zij aan dat het plan voorziet in een onnodige beperking van de gebruiksmogelijkheden van dat perceel, nu het voorheen geldende bestemmingsplan meer gebruiksmogelijkheden bood.

14.1. De raad stelt dat geen toezegging is gedaan dat de bestemming "Wonen" aan het perceel Tjalmastraat 3 zou worden toegekend, maar dat hij niet onwelwillend staat tegenover woningbouw op dat perceel. De raad wijst erop dat voor het perceel Tjalmastraat 3 nog geen concrete plannen bestonden ten tijde van de vaststelling van het plan en dat derhalve voor een wijzigingsbevoegdheid is gekozen. Ook is volgens de raad aan het perceel een bestemming toegekend die zoveel mogelijk overeenkomt met de bestemming onder het voorheen geldende plan.

14.2. Over het betoog van MVO Projecten dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat MVO Projecten niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in de bestemming "Wonen" voor het perceel Tjalmastraat 3 zou voorzien. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt.

14.3. Ingevolge artikel 7, lid 7.7, van de planregels kunnen burgemeester en wethouders de bestemming "Maatschappelijk" wijzigen in onder meer de bestemming "Wonen". Of in de toekomst gebruik zal worden gemaakt van deze in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid hoeft niet bij voorbaat vast te staan. Dat geen ruimtelijke bezwaren bestaan tegen de door MVO Projecten gewenste invulling van het perceel Tjalmastraat 3 doet daar niet aan af. Anders dan in de door MVO Projecten genoemde uitspraak is de Afdeling in dit geval van oordeel dat de raad zich, gelet op het ontbreken van concrete plannen voor het perceel Tjalmastraat 3, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het plan de door MVO Projecten gewenste woningbouw niet bij recht mogelijk hoefde te worden gemaakt.

In hetgeen MVO Projecten heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met de rechtszekerheid. Het betoog faalt.

14.4. Over het betoog van MVO Projecten dat het plan ten onrechte voorziet in een beperking van de gebruiksmogelijkheden van het perceel Tjalmastraat 3 in vergelijking met het voorheen geldende plan, wordt overwogen dat de raad onweersproken heeft gesteld dat zoveel mogelijk is aangesloten bij het voorheen geldende plan. De Afdeling overweegt verder dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

De bestemming "Maatschappelijk" voorziet ten opzichte van de voorheen geldende bestemming niet in de mogelijkheid op het gehele perceel kantoren te bouwen, maar ingevolge artikel 7.6.1 van de planregels kan de bouw van kantoren bij omgevingsvergunning alsnog worden toegestaan. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het gemeentelijk beleid voor kantoorruimte in de weg staat aan het zonder meer mogelijk maken van de bouw van kantoren.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen MVO Projecten heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor deze bestemming heeft kunnen kiezen. Het betoog van MVO Projecten faalt.

15. In hetgeen MVO Projecten heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van MVO Projecten is ongegrond.

Proceskosten

16. Het verzoek om [appellant sub 4] om vergoeding van de kosten, als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb komt niet voor inwilliging in aanmerking, reeds omdat deze bepaling niet van toepassing is op besluiten die op grond van afdeling 3.4 van de Awb zijn voorbereid, zoals bestemmingsplannen. De raad heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien de kosten voor het indienen van een zienswijze te vergoeden.

17. Ten aanzien van MVO Projecten bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting en anderen dient de raad op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 4] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B], [appellante sub 1 C], [appellant sub 1 D], [appellant sub 1 E] en [appellant sub 1 F], en het beroep van de Stichting Goed Wonen in de pas en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 3 A], [appellant sub 3 B], [appellant sub 3 C], [appellant sub 3 D], [appellant sub 3 E] en [appellant sub 3 F], niet-ontvankelijk;

verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en van de stichting Stichting Goed Wonen in de Pas en anderen niet-ontvankelijk, voor zover deze beroepen zich richten tegen de het plandeel met de bestemming "Centrum" ter plaatse van het perceel Terborgseweg 63;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en de stichting Stichting Goed Wonen in de Pas en anderen voor zover ontvankelijk alsmede het beroep van [appellant sub 4] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Doetinchem van 28 april 2011 waarbij het bestemmingsplan "De Pas 2010" is vastgesteld, voor zover dit besluit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Centrum" ter plaatse van het perceel Julianaplein 12 en op het ontbreken van een regeling voor bestaande legale hoofdgebouwen buiten het bouwvlak voor het plandeel met de bestemming "Gemengd" ter plaatse van het perceel [locatie 2];

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit voor zover vernietigd en voor zover de vernietiging betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Centrum" ter plaatse van het perceel Julianaplein 12 in stand blijven;

V. draagt de raad van de gemeente Doetinchem op om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Gemengd" ter plaatse van het perceel [locatie 2] een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

VI. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MVO Projecten B.V. ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Doetinchem tot vergoeding van bij [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en de stichting Stichting Goed Wonen in de Pas en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan de één bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Doetinchem aan appellanten het door hen voor de betaling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 152,00 euro (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 1];

b. € 152,00 euro (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellanten sub 2];

c. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor de stichting Stichting Goed Wonen in de Pas en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

d. € 152,00 euro (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 4].

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Van Baaren

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2013

579-726.