Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BY8569

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
201205515/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2012:BX2745, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2009 heeft het college de aanvraag van [appellant] voor een monumentenvergunning voor het veranderen van een schuur aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de schuur) in een woning geweigerd.

Wetsverwijzingen
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 1
Monumentenwet 1988 11
Monumentenwet 1988 14a
Monumentenwet 1988 16
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:18
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/37
JOM 2013/282
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205515/1/A2.

Datum uitspraak: 16 januari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Brummen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 25 april 2012 in zaak nr. 10/568 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Brummen.

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2009 heeft het college de aanvraag van [appellant] voor een monumentenvergunning voor het veranderen van een schuur aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de schuur) in een woning geweigerd.

Bij besluit van 16 februari 2010, medegedeeld bij brief van 22 februari 2010, heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 februari 2010 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. Oord van DAS Rechtsbijstand, is verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet), zoals deze wet luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder beschermde monumenten: onroerende monumenten welke zijn ingeschreven in de ingevolge deze wet vastgestelde registers.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

Ingevolge artikel 14a, eerste lid, aanhef en onder a, is op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van toepassing.

Ingevolge het tweede lid kunnen zienswijzen naar voren worden gebracht door een ieder.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, leggen, in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen, burgemeester en wethouders een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11 voor advies voor aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In deze gevallen zenden burgemeester en wethouders onmiddellijk afschrift van de aanvraag om vergunning aan de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (hierna: de RACM). De gevallen kunnen onder meer betreffen het afbreken van een beschermd monument, het reconstrueren van een beschermd monument en het geven van een nieuwe bestemming aan een beschermd monument.

Ingevolge het vierde lid beslissen burgemeester en wethouders binnen vier maanden na de datum van ontvangst van het advies, doch in ieder geval binnen de in artikel 3:18 van de Awb bepaalde termijn.

Ingevolge het vijfde lid wordt, indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het vierde lid, de vergunning geacht te zijn verleend.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder d, van de Regeling ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een monumentenvergunning (hierna: de Regeling), zoals deze luidde ten tijde van belang, zijn de gevallen, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Monumentenwet het geven van een nieuwe bestemming aan een beschermd monument of een belangrijk deel daarvan.

Ingevolge artikel 3:18, eerste lid, van de Awb, zoals deze wet luidde ten tijde van belang, neemt, indien het een besluit op aanvraag betreft, het bestuursorgaan het besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

2.    Het college heeft aan het besluit van 23 april 2009, dat is gehandhaafd bij besluit van 16 februari 2010, de adviezen van de monumentencommissie van 4 februari 2009 en van de RACM van 26 februari 2009 ten grondslag gelegd. De monumentencommissie adviseert de aanvraag af te wijzen, onder meer omdat de aangevraagde verwijdering van de deeldeuren een te forse ingreep vormt op het monument. Volgens de monumentencommissie dienen de deeldeuren gehandhaafd te worden met toepassing van een teruggeplaatste glazen pui, die maximaal wordt voorzien van één middenstijl. Ook de RACM adviseert de aanvraag af te wijzen wegens onder meer de aangevraagde verwijdering van de deeldeuren. Volgens de RACM dienen de deeldeuren in de huidige draairichting gehandhaafd te blijven, en is het van belang om de glaspui terugliggend uit te voeren in de vorm van een portaal of een teruggelegen glasgevel.

3.    Niet in geschil is dat het college ten onrechte in strijd met artikel 14a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet niet afdeling 3.4 van de Awb heeft toegepast, maar in plaats daarvan de bezwaarprocedure heeft gevolgd. De rechtbank heeft om die reden het besluit van 16 februari 2010 vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.

4.    [appellant] betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand heeft gelaten. In dat kader voert hij aan dat toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb slechts mogelijk is indien er materieel geen ander besluit mogelijk is dan een besluit met hetzelfde dictum. In dit geval was geen besluit met hetzelfde dictum mogelijk, aangezien na vernietiging van het besluit van 16 februari 2010, toepassing van afdeling 3.4 van de Awb ertoe zou leiden dat de vergunning van rechtswege zou zijn verleend op basis van artikel 16, vijfde lid, van de Monumentenwet, gelezen in samenhang met artikel 3:18, eerste lid, van de Awb, nu voor de beslistermijn er van moet worden uitgegaan dat de termijn van zes weken voor de terinzagelegging gaat lopen vanaf 23 april 2009 en hij de aanvraag op 1 december 2008 heeft ingediend. Voorts voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte het toetsingskader van artikel 6:22 van de Awb heeft gebruikt om tot het oordeel te komen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 maart 2008 in zaak nr. 200705490/1) is voor de toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. De bestuursrechter mag de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten indien de inhoud van het vernietigde besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

Gezien de aard van het gebrek dat aan het besluit van 16 februari 2010 kleeft, heeft de rechtbank terecht overwogen dat moet worden beoordeeld of, ondanks het gebrek, voldoende feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen om dat besluit inhoudelijk te kunnen toetsen. Immers, het besluit kan niet inhoudelijk worden getoetst indien, door het volgen van de bezwaarprocedure in plaats van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, bepaalde standpunten of belangen niet naar voren zijn gebracht. De rechtbank is daarbij terecht en op goede gronden nagegaan of alle belangen en standpunten in het kader van de bezwaarprocedure naar voren zijn gebracht. In dat kader heeft zij overwogen dat [appellant] zijn belangen en standpunten voldoende naar voren heeft kunnen brengen door middel van de aanvraag en de bezwaarprocedure, dat aan de belangen van tegenstanders voldoende tegemoet is gekomen nu de vergunning is geweigerd, en dat voor voorstanders van de vergunning geldt dat niet valt in te zien welke feiten en omstandigheden zij nog aan hadden kunnen voeren die niet al door [appellant] zijn aangevoerd. De rechtbank heeft daarmee de juiste toetsingsmaatstaf aangelegd.

Anders dan [appellant] betoogt, zou het alsnog toepassen van afdeling 3.4 van de Awb door het college na vernietiging er niet toe leiden dat vanwege het overschrijden van de beslistermijn de vergunning van rechtswege zou zijn verleend. Op 23 april 2009 is tijdig beslist op de aanvraag van [appellant]. Indien het college opnieuw zou hebben moeten beslissen op die aanvraag omdat het besluit van 23 april 2009 onrechtmatig was, dan zou opnieuw een termijn van zes maanden zijn gaan lopen met als begindatum de datum van verzending van de uitspraak van de bestuursrechter (vergelijk de uitspraak van 12 november 2003 in zaak nr. 200304300/1).

Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de adviezen van de monumentencommissie en van de RACM niet aan het besluit van 16 februari 2010 ten grondslag had mogen leggen, nu deze adviezen tegenstrijdig zijn. In dat kader voert hij aan dat de monumentencommissie voorafgaand aan het advies van 4 februari 2009 een ander standpunt heeft ingenomen over het al dan niet handhaven van de deeldeuren en de glazen pui dan in het advies van 4 februari 2009. De adviezen van de RACM zijn tegenstrijdig, omdat de RACM wel positief heeft geadviseerd over een identiek bouwplan voor een monumentaal pand in de gemeente Bronckhorst, terwijl zij in dit geval een negatief advies heeft gegeven. Door deze adviezen aan het besluit van 16 februari 2010 ten grondslag te leggen wordt in strijd gehandeld met het zorgvuldigheids- en het gelijkheidsbeginsel, aldus [appellant].

5.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de adviezen van de monumentencommissie en de RACM aan het besluit van 16 februari 2010 ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij heeft zij met juistheid overwogen dat alleen de aanvraag van 1 december 2008, met bijbehorend bouwplan, en het naar aanleiding van die aanvraag gegeven advies van de monumentencommissie van 4 februari 2009 in de beoordeling kunnen worden betrokken, omdat de weigering tot verlening van de vergunning alleen op die stukken is gebaseerd. Eerdere adviezen van de monumentencommissie spelen in dit kader geen rol, nu die naar aanleiding van een eerdere aanvraag van [appellant] met een gewijzigd bouwplan zijn gegeven. Dat de adviezen van de RACM tegenstrijdig zijn is door [appellant] onvoldoende onderbouwd, nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat het pand in de gemeente Bronckhorst een soortgelijk pand betreft als het onderhavige pand.

Het betoog faalt.

6.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn betoog dat het college niet heeft aangetoond dat de afwijzing overeenkomstig beleid van de gemeente is, gaat uit van een onjuiste lezing van het verweerschrift in beroep, nu het college daarin doelde op een beleidslijn van de RACM, en kan daarom niet slagen.

7.    [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college de belangen in het besluit van 16 februari 2010 niet deugdelijk heeft afgewogen, nu de weigering van de vergunning tot gevolg heeft dat de schuur alleen kan worden verbouwd tot een onverhuurbare woonruimte, door een gebrek aan lichtinval en een beperktere bruikbare ruimte.

7.1.    Anders dan [appellant] ter zitting in hoger beroep heeft betoogd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college de belangen van [appellant] niet deugdelijk heeft gewogen. Daarbij is van belang dat het college, naar aanleiding van de door [appellant] overgelegde berekening waaruit zou blijken dat het voorstel van de monumentencommissie in strijd zou zijn met de vereisten voor lichtinval zoals neergelegd in het Bouwbesluit 2003, een eigen berekening heeft laten opstellen. Uit deze berekening blijkt dat de mate van lichtinval bij het volgen van het voorstel van de monumentencommissie niet in strijd is met deze vereisten. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat er bij realisering van het voorstel van de monumentencommissie een goed verhuurbare ruimte zal zijn, aangezien de woonkamer in dat geval een oppervlakte van 75 m2 zal hebben. Hieruit volgt dat het college het belang van [appellant] bij een verhuurbare woonruimte heeft betrokken in de belangenafweging. Nu [appellant] de berekening van lichtinval van het college niet heeft bestreden en hij evenmin anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat het voornoemde voorstel van de monumentencommissie leidt tot een onverhuurbare woning, faalt het betoog.

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Poot

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2013

362-752.